Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AT7142

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
06/037820-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het medeplegen van overproductie van dierlijke meststoffen - door het opzetten van te grote hoeveelheden kuikens - bestraft met een deels voorwaardelijke geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 06/037820-04

Uitspraak d.d.: 8 juni 2005

Verstek / dnip

Na aanhouding: niet verschenen, onip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

de besloten vennootschap [vennootschap],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 mei 2005.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in het jaar 1999, 2000, 2001 en/of 2002 te Laren, gemeente Lochem,

(telkens) samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen,

al dan niet opzettelijk, op één of meer bedrijven, gelegen aan de [straatnaam]

en/of [straatnaam 2], de produktie van dierlijke meststoffen (van pluimvee) heeft

uitgebreid, zulks terwijl (telkens) de produktie van dierlijke meststoffen op

verdachtes bedrijf groter was of daarmede groter werd dan 125 kilogram fosfaat

per hectare per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte

landbouwgrond;

art 55 lid 1 Meststoffenwet

ALTHANS, dat

zij in het jaar 1999, 2000, 2001 en/of 2002 te Laren, gemeente Lochem,

(telkens) samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen,

terwijl geen productie van dierlijke meststoffen op één of meer bedrijven,

gelegen aan de [straatnaam] en/of [straatnaam 2], plaatsvond, al dan niet

opzettelijk dierlijke meststoffen heeft geproduceerd in een grotere

hoeveelheid dan 125 kilogram fosfaat per hectare per jaar van de tot

voornoemd(e) bedrijf/bedrijven behorende oppervlakte landbouwgrond;

art 55 lid 1 Meststoffenwet

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

zij in het jaar 1999, 2000, 2001 en 2002 te Laren, gemeente Lochem, telkens samen en in vereniging met anderen opzettelijk, op bedrijven, gelegen aan de [straatnaam] en [straatnaam 2], de produktie van dierlijke meststoffen van pluimvee heeft uitgebreid, zulks terwijl telkens de produktie van dierlijke meststoffen op verdachtes bedrijf groter was dan 125 kilogram fosfaat per hectare per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde met betrekking tot de jaren 1999 en 2000 levert op een feit strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Meststoffenwet zoals die alstoen luidde.

De Meststoffenwet is met ingang van 1 januari 2001 gewijzigd. Vanaf dat moment is het krachtens artikel 58c van die wet verboden een grotere hoeveelheid mest afkomstig van kippen en kalkoenen te produceren dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht. Nu in het bewezenverklaarde met betrekking tot de jaren 2001 en 2002 niet alle bestanddelen zijn opgenomen van 58c van de Meststoffenwet, kan het bewezenverklaarde ten aanzien van die jaren niet worden gekwalificeerd en dient verdachte in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het bewezene met betrekking tot de jaren 1999 en 2000 levert op het misdrijf:

- Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waar-onder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en haar mededaders hebben opzettelijk te grote hoeveelheden vleeskuikens opgezet en daardoor grotere hoeveelheden mest geproduceerd dan voor die bedrijven was toegestaan. Deze illegale praktijken werden verdoezeld door onjuiste registratie van gegevens. De overproductie is daardoor voor een groot deel buiten de mestboekhouding

gehouden en op deze wijze onttrokken aan de controle door de toezichthoudende instanties. Daardoor werd voorkomen dat er heffingen dienden te worden betaald.

Verdachte heeft door haar handelen bijgedragen aan de schade die door overbemesting aan het milieu wordt toegebracht. Hoewel verdachtes financiële belang slechts was gelegen in het kunnen ontvangen van een vaste maandelijkse vergoeding voor de huisvesting van het pluimvee, laten de aard van de gedraging en de bewijsmiddelen, in samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat verdachte zich tenminste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de overproductie zou plaatsvinden en zou blijven doorgaan.

De door verdachte benadrukte omstandigheid, dat zij de AID eigener beweging reeds vroegtijdig inlichtte en ook jegens haar contractpartners liet blijken, dat zij voor de gevolgen van eventuele overproductie verantwoordelijk zouden zijn, vermag de rechtbank niet tot een ander oordeel te leiden, nu verdachte – gelet op haar juridische en feitelijke mogelijkheden – niet kon volstaan met zich op deze wijze “in te dekken”.

De rechtbank acht een hogere strafoplegging dan door de officier van justitie gevorderd passend en geboden, waarbij overigens opmerking verdient dat de gevorderde straf – een geldboete van € 5.000,-- - kennelijk op een vergissing berust, nu de daarbij vermelde berekening op een veelvoud zou uitkomen. Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de – niet aan verdachte te wijten – lange termijn tussen de pleegperiode en berechting.

De rechtbank acht een deels voorwaardelijke geldboete op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 1, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 47, 51, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 55 van de Meststoffenwet.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde met betrekking tot de jaren 2001 en 2002 niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit deel van alle rechtsvervolging.

Verklaart het bewezenverklaarde met betrekking tot de jaren 1999 en 2000 strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 15.000,--.

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot € 10.000,--, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Van Harreveld, voorzitter, Van der Hooft en Van Hoorn, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 juni 2005.