Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AT7138

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-06-2005
Datum publicatie
09-06-2005
Zaaknummer
04/741 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:6 Awb van overeenkomstige toepassing indien de vertegenwoordiger van het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en de indiener van het bezwaarschrift door de adviescommissie niet in elkaars aanwezigheid worden gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 04/741 AW

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het dagelijks bestuur van de Felua-Groep, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 april 2004.

2. Feiten

Eiser, een ambtenaar op wie de arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren van de gemeente Apeldoorn van overeenkomstige toepassing zijn, heeft op 28 oktober 2003 verzocht te mogen deelnemen aan het pc-privé-project.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling pc-privé-regeling van de gemeente Apeldoorn vergoedt de werkgever op verzoek van de deelnemer maximaal eens in de drie jaar een pc met randapparatuur met een maximum (voor 2003) van € 2269,-- inclusief BTW.

Voor aanschaf geldt het vereiste van zakelijk gebruik. Over het zakelijk gebruik dient door de deelnemer een mede door de direct-leidinggevende ondertekende verklaring te worden overgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij de pc meer dan incidenteel zakelijk gebruikt voor het opstellen van brieven, notities, verslagen, adviezen en voorstellen.

De verklaring is niet mede door de bedrijfsmanager ondertekend.

Bij besluit in primo van 1 december 2003 heeft de bedrijfsmanager de aanvraag, na consultatie van de productgroepleider [naam 1], naar partijen aannemen namens verweerder, afgewezen op de grond dat geen sprake is van zakelijk gebruik.

Nadat zij op 17 maart 2004 eerst eiser en vervolgens verweerder had gehoord heeft de bezwaarschriftencommissie geoordeeld dat de aan eiser feitelijk opgedragen werkzaamheden niet thuis kunnen worden verricht en de aanvraag derhalve terecht is afgewezen.

Op 18 maart 2004 heeft de productgroepleider [naam 1] verklaard dat eiser in toenemende mate te maken krijgt met geautomatiseerde verwerking van productiegegevens en hij niet alle pc-werkzaamheden overdag op het werk zal kunnen uitvoeren.

Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Namens eiser heeft mr. J.L. van der Meer, jurist van CNV Publieke Zaak, beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk nader uiteengezet. Het beroep is behandeld ter zitting van 26 mei 2005, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meer, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.L. van Baren.

4. Motivering

Eiser heeft in beroep doen stellen dat verweerder ten onrechte, althans onzorgvuldig, heeft vastgesteld dat geen sprake is van zakelijk gebruik. Eiser heeft er in dat kader op gewezen dat de bezwaarschriftencommissie partijen niet gelijktijdig heeft gehoord.

In artikel 11 van het reglement inzake bezwaren en geschillen Felua-groep Apeldoorn was ten tijde van het bestreden besluit bepaald dat partijen niet in elkaars aanwezigheid worden gehoord en dat partijen in elkaars aanwezigheid worden gehoord indien aannemelijk is dat dit een zorgvuldige behandeling zou kunnen bevorderen.

Namens verweerder is ter zitting gesteld dat dit voorschrift in strijd is met artikel 7:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), daarom inmiddels is aangepast en dat het bestreden besluit in strijd met genoemd artikel is genomen. Verweerder heeft het aan de rechtbank overgelaten om te beoordelen welke consequenties daaraan moeten worden verbonden.

In artikel 7:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat belanghebbenden in elkaars aanwezigheid worden gehoord. Verweerders belang is niet rechtstreeks betrokken bij het besluit in primo en verweerder is dus geen belanghebbende (vgl. LJN AK6238, ZB2958 en ZB7627). In het vijfde lid van artikel 7:13 Awb is (daarom) bepaald dat een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan voor het horen wordt uitgenodigd en in de gelegenheid wordt gesteld een toelichting te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is in die situatie artikel 7:6 Awb, waaraan het beginsel van hoor en wederhoor ten grondslag ligt, van overeenkomstige toepassing. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 januari 2004 (LJN A02004, JB 2004, 107).

Nu eiser en verweerder door de adviescommissie niet in elkaars aanwezigheid zijn gehoord en gesteld noch gebleken is dat zich een omstandigheid voor deed als bedoeld in artikel 7:6, tweede lid, Awb, is het advies niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

Verweerder kon dit advies derhalve niet aan het bestreden besluit ten grondslag leggen.

Verweerder heeft bovendien ten onrechte niet gemotiveerd waarom ondanks de, na de hoorzitting, door de direct-leidinggevende [naam 1] afgelegde verklaring geen sprake is van zakelijk gebruik van de pc door eiser.

Het bestreden besluit is derhalve in strijd met de artikelen 3:9, 7:6 en 7:12 van de Awb genomen. Het beroep is derhalve gegrond.

De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroor-delen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast dat de Felua-groep het betaalde griffierecht van € 136,-- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de Felua-groep.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. J.A. Lok en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2005

in tegenwoordigheid van de griffier.