Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AT6070

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-05-2005
Datum publicatie
23-05-2005
Zaaknummer
05/679
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De bouw van de semi-permanente basisschool Lea Dasberg in de Zutphense wijk Leesten moet worden stopgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 05/679

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] (Actiecomité Kerkhofweg i.o.), verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zutphen, verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van 27 april 2005, waarbij verweerder aan de gemeente Zutphen tijdelijk vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend voor het plaatsen van een onderwijsgebouw op het perceel Kerkhofweg 27a te Zutphen.

2. Procesverloop

Bij brief van 10 mei 2005 hebben verzoekers een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van gelijke datum hebben zij verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 mei 2005, waar verzoeker [verzoeker 2] is verschenen, bijgestaan door E.P. Reijnhout. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.P. Langenbach. Namens de gemeente is verschenen T.A.L. Venneman.

3. Motivering

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb moet worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover dit meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2. Verzoekers [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn direct omwonenden van de in geding zijnde bouwlocatie. Met andere omwonenden, die eveneens bezwaar hebben tegen het bouwplan, hebben zij zich gegroepeerd onder de naam ‘Actiecomité Kerkhofweg i.o.’. Ter zitting is verklaard dat het bezwaarschrift en het verzoekschrift namens dit comité zijn ingediend. Gelet op hetgeen verder omtrent de organisatie en werkwijze van het comité is verklaard, kan dit echter niet worden gemerkt als een rechtspersoon of een andere entiteit die belanghebbende is bij het bestreden besluit. De met de naam ‘Actiecomité Kerkhofweg i.o.’ getooide groepering kan derhalve als zodanig niet procederen in het kader van de Awb.

De individuele leden kunnen dat wel voor zover zij als belanghebbende bij een besluit zijn aan te merken. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben het bezwaarschrift en het verzoekschrift, voorzien van hun namen en handtekeningen, ingediend en zij kunnen, gelet op de ligging van hun woningen, worden aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit. Het bezwaar en het verzoek zijn daarom ontvankelijk te achten.

3.3. Het bouwplan is gesitueerd binnen het bestemmingsplan ‘Leesten-Oost’ op gronden met de bestemming ‘Groen en Water’. Plaatsing van een onderwijsgebouw op het in geding zijnde perceel is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Omdat uitgangspunt is dat het gaat om ‘tijdelijke huisvesting’, heeft verweerder met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een tijdelijke vrijstelling alsmede bouwvergunning verleend voor de duur van vijf jaar.

3.4. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

In aansluiting hierop bepaalt artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 dat vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO slechts wordt verleend, indien aannemelijk is dat - voor zover hier van belang - het beoogde bouwwerk niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven.

Ten einde te kunnen aannemen dat een bouwwerk niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven, dienen er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State concrete en objectieve gegevens voorhanden te zijn die daarvoor aanknopingspunten bieden.

3.5. Zodanige concrete en objectieve gegevens ontbreken in dit geval. Blijkens hetgeen in het bestreden besluit is overwogen en ter zitting nader is uiteengezet zijdens verweerder en de gemeente wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid open gehouden – en schijnt het zelfs de bedoeling te zijn – dat het gebouw ter plaatse langer dan vijf jaren in stand zal blijven, met het oog waarop een vrijstellingsprocedure ingevolge artikel 19 van de WRO wordt overwogen.

3.6. Vooralsnog kan derhalve niet worden aangenomen dat het bouwwerk niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven. De omstandigheid dat het gebouw uit prefab-elementen bestaat en snel kan worden verplaatst, kan daaraan op zichzelf niet afdoen.

3.7. Naar voorlopig oordeel is het bestreden besluit dan ook in strijd met artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 genomen en heeft verweerder derhalve ten onrechte met toepassing van artikel 17 van de WRO vrijstelling en bouwvergunning verleend.

3.8. Omdat er voorshands onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat dit (ernstige) gebrek in de bezwaarprocedure kan worden hersteld, is er – mede gelet op de belangen van verzoekers – aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit. Dat er dringend behoefte bestaat aan uitbreiding van de huisvesting ten behoeve van het openbaar onderwijs kan, gelet op de ruimtelijke bescherming die belanghebbenden aan een bestemmingsplan ontlenen, geen doorslaggevend gewicht in de schaal leggen.

3.9. Beslist wordt daarom als volgt.

4. Beslissing.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- schorst het bestreden besluit tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- gelast de gemeente Zutphen aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 138,- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.