Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AT5327

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-04-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
04/523
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat eiser vanaf 29 oktober 2003 niet over enige waarneemregeling beschikte. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen komt de rechtbank derhalve tot de conclusie dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van de in geding zijnde last onder dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 04/523

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 maart 2004.

2. Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft een bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg werkzame inspecteur (hierna: de inspecteur) aan eiser, in zijn hoedanigheid van huisarts te [woonplaats], krachtens artikel 87a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (verder: Wet BIG) het bevel gegeven om vanaf 10 juni 2003 een adequate regeling te hebben om in de continuïteit van zorg voor zijn patiënten te voorzien en deze voor 6 juni 2003 14:00 uur aan de inspecteur bekend te maken.

Eiser heeft daartegen bij brief van 6 juni 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 juli 2003 is dit bezwaar ongegrond verklaard en is het bevel van 3 juni 2003 gehandhaafd.

Bij brief van 1 september 2003 heeft de inspecteur verweerder verzocht om nader optreden, omdat eiser nog geen gehoor had gegeven aan het bevel.

Bij brief van 17 september 2003 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom. Eiser heeft daarop zijn zienswijze gegeven bij brieven van 25 september 2003 en 20 oktober 2003.

Bij besluit van 19 november 2003 heeft verweerder eiser onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen 14 dagen te voldoen aan het bevel van 3 juni 2003.

Bij brief van 26 november 2003 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 maart 2004 heeft verweerder, met overneming van het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb (hierna: de commissie) van 24 februari 2004, het bezwaar ongegrond verkaard. Tevens heeft verweerder de last onder dwangsom van 19 november 2003 ingetrokken, omdat de inspecteur inmiddels het bevel van 3 juni 2003 had ingetrokken.

Eiser heeft bij brief van 14 april 2004 beroep bij de rechtbank ingesteld op de daarin vermelde gronden. Verweerder heeft bij brief van 18 mei 2004 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 1 december 2004 heeft eiser nadere stuken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 december 2004. Eiser is in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen L. Kliphuis en mr. G. Mohanlal.

3. Motivering

3.1. Het door de inspecteur gegeven bevel van 3 juni 2003 is bij brief van 9 februari 2004 ingetrokken, omdat de inspecteur inmiddels van het Ministerie van VWS had vernomen dat eiser met ingang van 26 november 2003 volledig met zijn praktijk is gestopt. Naar aanleiding van de intrekking van dat bevel heeft verweerder op 5 maart 2004 het dwangsombesluit van 19 november 2003 ingetrokken. Nu eiser heeft gesteld dat het dwangsombesluit tot de stopzetting van zijn praktijk heeft geleid en dat hij deswege schadevergoeding wenst, acht de rechtbank in het onderhavige geding nog voldoende procesbelang aanwezig.

3.2. Ter beoordeling staat thans of het dwangsombesluit rechtmatig was.

3.3. Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet BIG is een huisarts verplicht zijn beroepsuitoefening op een zodanige wijze te organiseren en zich zodanig van materieel te voorzien, dat een en ander leidt of redelijkerwijze moet leiden tot verantwoorde zorg.

Op grond van artikel 87a van de Wet BIG kan de inspecteur voor de gezondheidszorg, indien hij van oordeel is dat artikel 40, eerste lid, niet of in onvoldoende of op onjuiste wijze wordt nageleefd, de desbetreffende beroepsbeoefenaar een schriftelijk bevel geven. Deze is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan het bevel te voldoen.

3.4. Ingevolge artikel 100a van de Wet BIG in verbinding met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verweerder bevoegd een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van de in een krachtens artikel 87a van de Wet BIG gegeven bevel gestelde verplichtingen.

3.5. Het door de inspecteur op 3 juni 2003 gegeven bevel strekte tot nakoming van de uit artikel 40 van de Wet BIG voortvloeiende verplichting van een huisarts om te voorzien in een adequate waarneemregeling ten behoeve van de continuïteit van zorg voor zijn patiënten. Bij uitspraak van 7 april 2005, reg.nr. 03/1258, heeft de rechtbank het door eiser tegen dat bevel en de handhaving daarvan bij het besluit op bezwaar van 30 juli 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Gelet op deze uitspraak dient in het onderhavige geding te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het bevel van 3 juni 2003, alsmede van de rechtmatigheid van de in het besluit op bezwaar van 30 juli 2003 vervatte beslissing om het bevel niet in te trekken.

3.6. Er is geen grond voor het oordeel dat de inspecteur het bevel op enig moment tussen 30 juli 2003 en 19 november 2003 had behoren in te trekken. Weliswaar heeft eiser, naar thans kan worden aangenomen, op 22 juli 2003 met terugwerkende kracht tot 1 juni 2003 een (nieuwe) toelatingsovereenkomst met de Stichting Dienstverlening Huisartsenzorg Stedendriehoek (SDHS) gesloten ter voorziening in de waarneming, maar niet is gebleken dat eiser de inspecteur hiervan op deugdelijke wijze in kennis heeft gesteld. De stelling van eiser dat het bevel (ook na 30 juli 2003) onrechtmatig in stand is gehouden, faalt derhalve.

3.7. Er lag dan ook op 19 november 2003 (datum dwangsombesluit) een rechtsgeldig en rechtmatig te achten bevel voor. Vervolgens is de vraag aan de orde of op die datum sprake was van het niet voldoen aan de met het bevel gegeven opdracht tot het hebben van een adequate waarneemregeling.

3.8. In dit verband is van belang dat – naar uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken – eiser op 26 (of 29) juni 2003 zijn werkzaamheden wegens ziekte heeft neergelegd en dat zijn praktijk vanaf die datum door andere huisartsen is waargenomen. Deze situatie heeft geduurd tot 1 oktober 2003, op welke datum eiser zijn praktijk heeft gesloten. Op die datum is tevens een einde gekomen aan eisers participatie in de (door de SDHS geëxploiteerde) huisartsenpost. Op 29 oktober 2003 heeft eiser zijn werkzaamheden als huisarts gedeeltelijk hervat, op dezelfde locatie als voorheen, onder dezelfde naam, namelijk Medisch Centrum [naam], maar met de nadere aanduiding “Praktijk voor vrije generale geneeskunde”.

3.9. Gelet op de beschikbare gegevens en met name de in het – door verweerder bij het thans bestreden besluit overgenomen – advies van de commissie en door verweerder ter zitting van de rechtbank gememoreerde elementen uit de informatie die eiser via zijn website verspreidde, onderschrijft de rechtbank het standpunt van verweerder dat de wijze waarop eiser vanaf 29 oktober 2003 medische zorg is gaan aanbieden als “vrije arts” niet anders gekwalificeerd kan worden dan als (her)vestiging als huisarts. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat artikel 40 van de Wet BIG van toepassing was en dat van eiser gevergd mocht worden dat hij in een adequate waarneemregeling zou voorzien.

Bijgevolg was het bevel van de inspecteur van 3 juni 2003 ook van toepassing te achten op de wijze waarop eiser vanaf 29 oktober 2003 vorm en inhoud gaf aan het verlenen van medische zorg als huisarts. Eiser kan daarom niet worden gevolgd in zijn stelling dat eerst een nieuw bevel had moeten worden gegeven alvorens tot nadere handhavingsmaatregelen kon worden besloten.

3.10. Niet in geschil is dat eiser vanaf 29 oktober 2003 niet over enige waarneemregeling beschikte. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen komt de rechtbank derhalve tot de conclusie dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van de in geding zijnde last onder dwangsom.

3.11. In hetgeen eiser verder heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank neemt hierbij – onder verwijzing naar haar uitspraak van 7 april 2005 – mede de voorgeschiedenis van het bevel van de inspecteur 3 juni 2003 in ogenschouw. Ook overigens is niet gebleken dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

3.12. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3.13. Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: