Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AT0327

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-03-2005
Datum publicatie
15-03-2005
Zaaknummer
04/802 WET 229
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding kosten brand industrieterrein 's-Heerenberg.

Brand op industrieterrein was gedurende enige tijd een ramp in de zin van de Wet rampen en zware ongevallen i.v.m. dreiging tot overslaan naar woonwijk.

De brand is niet overgeslagen. Kosten i.v.m. opruimen van asbestdeeltjes uit woonwijk geen kosten in de zin van artikel 25 Wrzo wegens ontbreken van causaal verband met de ramp in de zin van Wrzo.

Wetsverwijzingen
Wet rampen en zware ongevallen
Wet rampen en zware ongevallen 11
Wet rampen en zware ongevallen 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/153
JM 2005/62 met annotatie van Wolters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 04/802 WET 229

UITSPRAAK

in het geding tussen:

de gemeente Montferland als rechtsopvolgster van de gemeente Bergh, eiseres,

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 april 2004.

2. Feiten

Op 11 maart 2001 is bij het bedrijf Moram Plastics gevestigd op het industrieterrein ‘t Goor te ‘s-Heerenberg omstreeks 16.15 uur brand uitgebroken, welke brand tot gevolg heeft gehad dat drie bedrijven en de accommodatie van een voetbalvereniging volledig in de as zijn gelegd en in de woonwijk De Tuger asbestvezels terecht zijn gekomen. Omstreeks 18.30 was de burgemeester van oordeel dat zich het geval voor deed waarop in artikel 11 van de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo) wordt gedoeld.

Bij brief van 26 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Bergh verzocht om een Rijksbijdrage van € 348.025,74 (in bezwaar verlaagd naar € 325.387,48) in de kosten van de bestrijding van de brand en wel op grond van artikel 25 Wrzo (onder meer f 555.000,- voor asbestsanering en f 125.000,-- voor evaluatie van de ramp).

Bij besluit van 21 maart 2003 is dit verzoek afgewezen op de grond dat de brand niet kan worden aangemerkt als een ramp of zwaar ongeval in de zin van artikel 1 Wrzo.

Bij de bestreden beslissing op het bezwaarschrift tegen dat besluit heeft verweerder alsnog geoordeeld dat er tot 11 maart 2001 24.00 uur sprake was van een (dreigende) ramp in de zin van artikel 1 Wrzo en dat alle kosten gemaakt tussen 18.30 en 24.00 uur, voor zover niet opgenomen in de gemeentebegroting en uitstijgend boven de eigen bijdrage van f 5,-- per inwoner, kunnen worden gedeclareerd.

De kosten betrekking hebbend op genoemde periode zijn evenwel lager dan de eigen bijdrage, zodat er naar het oordeel van verweerder geen aanleiding is voor een Rijksbijdrage.

3. Procesverloop

Mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, heeft bij brief van 4 juni 2004 namens eiseres beroep ingesteld en op 11 juni 2003 de gronden ingediend. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 februari 2005, waar namens eiseres G. van Leeuwen en mr. De Jong zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Dijkstra en mr.M.D. Hes

4. Motivering

4.1 Eiseres meent, met een beroep op de Nota van Toelichting bij het Besluit rijksbijdragen gemeenten bij rampen en zware ongevallen (Stb. 1989 p. 139, 04), dat kosten die in een directe relatie staan tot de ramp voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder in dit geval de kosten van het verwijderen van asbest uit de omgeving, hetgeen, aldus eiseres, nodig was om tot normale verhoudingen terug te keren.

Eiseres stelt dat het, gelet op artikel 11 Wrzo, de burgemeester is die oordeelt of er sprake is van een ramp in de zin van de Wrzo. Tegelijkertijd stelt eiseres echter dat ook na “intrekking van de rampverklaring” door de burgemeester nog sprake was van een ramp in de zin van de Wrzo.

Nazorg waarvoor geen eenhoofdige bestuurlijke coördinatie (door de burgemeester) is vereist valt, aldus verweerder, niet onder de definitie van het begrip ramp en in het kader van artikel 25 Wrzo kunnen, zo stelt verweerder met een beroep op de wetsgeschiedenis, alleen de kosten van rampbestrijding (inclusief de kosten van de gevolgen van rampbestrijding) voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder meent in het kader van de toepassing van artikel 25 Wrzo zelf te kunnen beoordelen of sprake was van een ramp in de zin van de Wrzo.

4.2 Onder een ramp of zwaar ongeval verstaat de Wrzo (tot 9 april 1997 Rampenwet) een gebeurtenis waardoor een ernstige verstoring van de openbare veiligheid is ontstaan, waarbij het leven en de gezondheid van vele personen, het milieu of grote materiele belangen in ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad en waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken.

Onder het beperken van de schadelijke gevolgen wordt blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1995-1996,24481 nr.3 p. 2 en 6 en nr.5 p. 3) verstaan het wegnemen van de gevaarsbron of de dreiging en het bereiken van een zodanig stabiele situatie dat het normale leven weer doorgang kan vinden.

Ingevolge artikel 11 Wrzo heeft de burgemeester het opperbevel in geval van een ramp of zwaar ongeval of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, Wrzo kan uit ‘s Rijks kas een bijdrage worden verleend in de kosten die voor gemeenten voortvloeien uit de daadwerkelijke bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval en de gevolgen daarvan.

Dit is bepaald door toedoen van de Tweede Kamer, nadat de regering de vergoeding van kosten wilde overlaten aan goed overleg tussen rijk en gemeente omdat de omvang en de aard van de te vergoeden kosten zo zeer afhankelijk zijn van de bijzondere omstandigheden in een concreet geval dat kostensoorten met de daarbij behorende normbedragen van tevoren niet zijn aan te geven.

Ter uitvoering van het bepaalde in het derde lid van artikel 25 van (destijds) de Rampenwet is op 18 april 1989 vastgesteld het Besluit rijksbijdragen gemeenten bij rampen (Stb 1989, 139). Op 24 januari 2002 is vastgesteld het Besluit rijksbijdragen bijstands- en bestrijdingskosten (Stb. 2002 50). Dit besluit is op 1 april 2002 inwerking getreden. Eerstgenoemd besluit is daarmee komen te vervallen.

Onder kosten verstaat het Besluit, zoals dat tijde van het besluit in primo en ten tijde van het bestreden besluit gold, de kosten voor bijstand of de bestrijding van een ramp of zwaar ongeval die niet in de begroting van het jaar, waarin de ramp of zwaar ongeval heeft plaats gevonden, hadden kunnen worden voorzien.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, verleent verweerder op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders een bijdrage in de kosten die een gemeente heeft gemaakt in verband met de daadwerkelijke bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval en de gevolgen daarvan. In de nota van toelichting is vermeld dat er een directe relatie moet zijn tussen de ramp en de kosten. De omvang en de aard van dergelijke kosten zijn zo zeer afhankelijk van de bijzondere omstandigheden in een concreet geval dat kostensoorten met de daarbij behorende normbedragen van tevoren niet zijn aan te geven. Van geval tot geval dient daarom te worden bezien of er sprake is van kosten als bedoeld in deze regeling, aldus te toelichting. Het Besluit van 18 april 1989 is op gelijke wijze toegelicht.

4.3 Niet in geschil is dat op de avond van 11 maart 2001 sprake was van een ramp in de zin van de Wrzo.

Na het uitbreken van de brand is omstreeks 18.00 contact opgenomen met het bedrijf Search dat gespecialiseerd is in het meten en het opruimen van asbest en dat omstreeks 20.00 uur ter plaatse was. Om 18.28 uur heeft de burgemeester, zoals partijen dat noemen, een rampverklaring afgegeven. De aanleiding daartoe was, volgens de analyse bedoeld in artikel 2b Wrzo, de dreiging dat de brand zou overslaan naar de aangrenzende woonwijk De Tuger, althans dat de woonwijk effecten van de brand zou ondervinden.

“Gedurende een korte tijd lijkt het gevaar actueel dat de woonwijk De Tuger gevaar loopt. In dat geval zal tot evacuatie moeten worden overgegaan”, aldus de analyse.

Na, het besluit in primo heeft de ambtenaar rampenbestrijding, volgens het verslag van de 2e hoorzitting, verklaard dat vooral de dreiging van overslaan naar het naastgelegen galvaniseerbedrijf, waarin zich veel gevaarlijke stoffen bevonden, in samenhang met de toen heersende windrichting naar De Tuger, aanleiding was voor “de rampverklaring”.

Om 20.38 uur is het sein “brand meester” gegeven. “De acute crisisfase heeft dan ook niet langer dan een dik uur hoeven duren, waarna het echte gevaar weer geweken was.”, aldus de analyse.

Door Search zijn tijdens de luchtmonstername geen asbestvezels in de lucht gemeten in concentraties boven de detectiegrens van 0,007 vezels per ml lucht.

Desgevraagd is in bezwaar verklaard dat de burgemeester “de rampverklaring” omstreeks 24.00 uur heeft ingetrokken. Het dossier geeft daarvoor geen (andere) aanknopingspunten.

Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de brand gedurende enige tijd een gebeurtenis is geweest waardoor een ernstige verstoring van de openbare veiligheid is ontstaan, waarbij het leven en de gezondheid van de bewoners van de woonwijk De Tuger in ernstige mate werd bedreigd en waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines was vereist om de dreiging, te weten het overslaan van de brand naar de woonwijk of het galvaniseerbedrijf (met gevolgen voor de woonwijk) weg te nemen. De brand is niet overgeslagen.

Om 20.38 uur is het sein “brand meester” gegeven en was de dreiging afgewend en was weer een stabiele situatie bereikt waarin het “normale” leven weer doorgang kon vinden.

De dreiging was niet gelegen in het neerslaan van asbest in de woonwijk en het vrij komen van asbest staat niet in verband met de dreiging dat de brand zou overslaan.

De verwijdering van de asbestdeeltjes kan in dit geval dan ook niet worden gezien als het wegnemen van de dreiging of als het beperken van de schadelijke gevolgen van de ramp in de zin van de Wrzo.

Er ontbreekt causaal verband tussen de kosten die eiseres vergoed wil zien en de ramp in de zin van de Wrzo, althans voor zover deze de eigen bijdrage te boven gaan. De kosten van evaluatie zijn, zoals verweerder terecht heeft geoordeeld, geen bestrijdingskosten.

Het beroep geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of enig rechtsbeginsel.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

-verklaart het beroep ongegrond:

-veroordeelt de gemeente Montferland in de kosten die verweerder in beroep heeft gemaakt tot een bedrag van € 644,--.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. J.A. Lok en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.