Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AS6373

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-02-2005
Datum publicatie
17-02-2005
Zaaknummer
67309 / KG ZA 05-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een beslissing tot overplaatsing van een asielzoeker naar een ander AZC is geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Het feit dat in die beslissing tevens is vermeld dat ingevolge art. 10 Rva 1997 de opvangvoorzieningen niet zullen plaatsvinden als de asielzoeker zich niet binnen 48 uur op het andere AZC meldt, maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Civiel

Afdeling Handel

kort gedingnummer: 67309 / KG ZA 05-14

vonnis van : 17 februari 2005

Vonnis in kort geding in de zaak van:

het rechtspersoonlijkheid bezittende zelfstandige bestuursorgaan CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,

gevestigd te Rijswijk,

eiser bij dagvaarding van 25 januari 2005,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat: mr. D. Nobel te ‘s-Gravenhage,

tegen:

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

allen verblijvende te Wapenveld,

gedaagden,

advocaat: mr. M. Marbus-Hulshof te Utrecht.

Eiser wordt hierna mede het COA genoemd en gedaagden gezamenlijk het gezin [gedaagden] en afzonderlijk respectievelijk [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3].

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het COA heeft onder overlegging van producties het gezin [gedaagden] gedagvaard tegen de openbare zitting van 7 februari 2005.

Ter zitting heeft het gezin [gedaagden] onder overlegging van producties geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van het COA in de proceskosten.

Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitnota's mondeling toegelicht, waarna zij vonnis hebben gevraagd.

2. VASTSTAANDE FEITEN

De volgende feiten zullen in dit kort geding als tussen partijen voorlopig vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen, voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn

erkend of niet - dan wel onvoldoende gemotiveerd - zijn betwist.

2.1 Het gezin [gedaagden] is afkomstig uit Tsjetsejnië en is als asielzoeker Nederland ingereisd. Aan het gezin is tot op heden geen verblijfstitel verleend.

2.2 Op het gezin [gedaagden] is van toepassing de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997, hierna mede te noemen: Rva 1997. Op grond van het bepaalde in artikel 3 Rva 1997 wordt sedert 17 mei 2002 aan het gezin onderdak verleend in het Asielzoekerscentrum Wapenveld te Wapenveld, hierna mede te noemen: het AZC Wapenveld.

2.3 Een verslag van het gesprek op 2 november 2004 van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met [naam 1] en [naam 2] namens het COA AZC Wapenveld, team wonen, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“(...)

[slachtoffer 1] begon met de vraag waarom de familie [gedaagden] hier nog woont, terwijl wij hebben gezegd dat zij moesten verhuizen. Het COA heeft inderdaad de familie verzocht te verhuizen. De familie weigert dit en het COA heeft nu een ontruimingsprocedure opgestart.

(...)

[slachtoffer 1] gaf aan bang te zijn op het centrum zolang hij hier nog is. Ze haalde voorbeelden aan van wat er in het verleden is gebeurt. [slachtoffer 2] vult haar aan dat meerdere families angst hebben voor de familie [gedaagden]. Ze hebben een aantal zaken opgenoemd wat hij zoal doet naar andere families.

(...)

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geven aan dat de mensen bang zijn om iets te zeggen. Ze zijn bang dat het COA ze over zal plaatsen ipv de familie die dit allemaal doet. Ook zijn ze bang dat de situatie dan erger zal worden. Ze vragen hoe ze bescherming kunnen krijgen.

(...)”.

2.4 Een dienstrapport d.d. 22 november 2004, opgemaakt door [deskundige 1] en [deskundige 2] van PreNed beveiliging, houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“(...)

22.10 Mishandeling [slachtoffer 1] is uitgescholden en geslagen tijdens het

schoonmaken van de wasruimgte’s door [gedaagde 1].

Zij heeft een bult op haar hoofd en de kin kapot.

[gedaagde 1] had medicijnen en sterke drank ingenomen.

(...)”.

2.5 Een verslag van het gesprek op 23 november 2004 van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] met [naam 2], team wonen AZC Wapenveld, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“(...)

Van morgen stonden [gedaagde 3] en [gedaagde 2] bij de receptie. Ze wilden graag praten met het COA. Ze gaven aan dat het niet goed gaat met [gedaagde 1].

(...)

[gedaagde 1] was niet aanwezig. [gedaagde 3] gaf aan dat jaar vader nog sliep. Hij had de vorige dag veel medicijnen ingenomen.

(...)

[gedaagde 3] en haar moeder wisten niet veel te vertellen over het incident van de vorige avond. Ze gaven aan dat [gedaagde 1] te ver was gegaan en dat dit wellicht kwam door het medicijngebruik.

(...)”.

2.6 Een verslag van het gesprek op 23 november 2004 van [gedaagde 1] en zijn dochter [gedaagde 3] met [naam 2] en [naam 1], COA team wonen AZC Wapenveld, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“(...)

N.a.v. de gebeurtenis van gisteravond waarbij [slachtoffer 1] is “aangevallen” door [gedaagde 1], hebben wij [gedaagde 1] uitgenodigd voor een gesprek. Wij willen zijn visie horen over het geheel (...).

Ze erkennen dat er een probleem ligt wat al lang speelt. Er is al enige tijd ruzie tussen de 2 families en dit is gisteren tot een handgemeen gekomen. [gedaagde 1] had te veel medicijnen ingenomen en werd daardoor agressief. Meneer gaf aan dat het een misverstand was en dat [slachtoffer 1] hem met een bezemsteel wilde slaan en dat hij zichzelf verdedigde en zij zo gewond is geraakt. Wij hebben verteld dat mevr. behoorlijk gewond is en in bed moet blijven. Wij vinden het moeilijk te geloven dat ze door een val zo gewond is geraakt. Meneer erkend dat hij gisteren een probleem had en protesteerde niet na ons verhaal over [slachtoffer 1].

(...)”.

2.7 Op 23 november 2004 is bij de politie te Heerde tegen [gedaagde 1] aangifte gedaan door [slachtoffer 1], verblijvende op het AZC Wapenveld, omdat zij op 22 november 2004 om 21.00 en 21.15 uur door [gedaagde 1] werd mishandeld. In het proces-verbaal van aangifte is als letselomschrijving opgenomen: buil voorhoofd, beschadigde kin, pijn rechterzijde rug. Door C.P. Moojen, hulpofficier van justitie te Heerde, is op 2 december 2004 schriftelijk aan [gedaagde 1] bericht, dat hij besloten heeft het proces-verbaal van deze zaak niet aan de officier van justitie te zenden wegens het ontbreken van wettelijk bewijs.

2.8 Bij op 7 december 2004 schriftelijk meegedeeld besluit heeft het COA [gedaagde 1] voor de periode van 23 tot en met 30 november 2004 uitgesloten van alle Rva-verstrekkingen. Door [gedaagde 1] is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna mede te noemen: Awb) bezwaar te maken tegen dit besluit.

2.9 Op 30 november 2004 is aan het gezin [gedaagden] mondeling meegedeeld dat het gezin met ingang van 1 december 2004 wordt overgeplaatst naar het AZC Rheden in verband met de ernstige overlast die [gedaagde 1] op het AZC Wapenveld heeft veroorzaakt.

2.10 Een verslag van het gesprek op 1 december 2004 van [gedaagde 2] samen met haar dochter [gedaagde 3] met [naam 2], team wonen AZC Wapenveld, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“(...)

Vanmorgen trof ik [gedaagde 2] samen met haar dochter [gedaagde 3] bij de balie van team Wonen. [gedaagde 3] gaf aan dat zij niet gaan verhuizen naar azc Rheden. (...). De situatie nogmaals kort uitgelegd en gezegd dat het besluit vast staat en zij moeten vertrekken.

(...)”.

2.11 Het gezin [gedaagden] heeft geweigerd te verhuizen naar het AZC Rheden en het gezin heeft het AZC Wapenveld niet verlaten.

2.12 Bij brief van 9 december 2004 heeft het COA het gezin [gedaagden] in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven op het voorgenomen besluit tot overplaatsing naar het AZC Winterswijk. Op 10 december 2004 heeft het gezin [gedaagden] aangegeven niet te willen verhuizen naar het AZC Winterswijk.

2.13 Bij aan alle gezinsleden afzonderlijk gerichte brieven van 16 december 2004 heeft het COA aan het gezin [gedaagden] – voor zover hier van belang – het volgende meegedeeld:

“(...)

Het zienswijzegesprek vormt naar het oordeel van het COA echter geen aanleiding om van de voorgenomen overplaatsing naar AZC Winterswijk af te zien. Hoewel het OM heeft besloten [gedaagde 1] niet verder te vervolgen, staat voor het COA nog steeds vast dat hij ernstige overlast heeft veroorzaakt op het AZC Wapenveld waardoor de leefbaarheid en beheersbaarheid op dit centrum in het geding zijn gebracht. Ik baseer mij hier op de stukken in uw dossier. Hieruit blijkt dat [gedaagde 1] een medebewoonster op AZC Wapenveld fysiek heeft belaagd waardoor zij gewond is geraakt.

(...)

Aangezien vaststaat dat uw gezin al enige tijd in onmin leeft met het gezin van de betrokken medebewoonster, ben ik van mening dat incidenten als het bovenstaande in de toekomst niet uitgesloten zijn en dat er derhalve een noodzaak bestaat u over te plaatsen naar een ander centrum. Met de overplaatsing beoogt het COA dus dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen en niet u te straffen.

(...)

Tot op heden weigert u naar AZC Winterswijk te vertrekken. Daardoor is het COA genoodzaakt u op grond van artikel 7, eerste lid Regeling verstrekkingen asielzoeker 1997 (Rva 1997) over te plaatsen naar AZC Winterswijk. Met onmiddellijke ingang zullen aan u geen verstrekkingen in het kader van de Rva 1997 meer worden toegekend op AZC Wapenveld. U ontvangt deze verstrekkingen alleen nog op AZC Winterswijk.

Indien u zich niet uiterlijk binnen 48 uur na uitreiking van dit besluit op AZC Winterswijk meldt, impliceert dit dat u geen gebruik maakt van het geboden onderdak. De opvangvoorzieningen zullen dan conform artikel 10, eerste lid Rva 1997, niet plaatsvinden.

(...)

Ik wijs u er tevens op dat, indien u binnen de gestelde termijn AZC Wapenveld niet verlaten heeft, u daarmee jegens het COA onrechtmatig handelt. U verblijft vanaf dat moment immers zonder recht of titel op dit AZC.

(...)

U kunt tegen dit besluit binnen 4 weken na de dag van uitreiking in beroep gaan bij de rechtbank te ’s-Gravenhage.

(...)”.

2.14 Een verslaglegging van [naam 2], team wonen AZC Wapenveld, houdt in, dat de hiervoor onder 2.13 bedoelde brieven op 16 december 2004 zijn uitgereikt aan [gedaagde 2].

2.15 Door het gezin [gedaagden] is geen beroep ingesteld tegen dit besluit tot overplaatsing en het gezin [gedaagden] heeft het AZC Wapenveld niet verlaten.

2.16 Bij aangetekende brief van 5 januari 2005 heeft de advocaat van het COA het gezin [gedaagden] gesommeerd om het AZC Wapenveld binnen drie dagen na dagtekening van die brief te verlaten en te ontruimen. Ook aan deze sommatie heeft het gezin [gedaagden] geen gevolg gegeven.

3. DE VORDERING, DE GRONDEN EN HET VERWEER

3.1 Het COA vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis het gezin [gedaagden] zal veroordelen het AZC Wapenveld te Wapenveld aan de Molenweg nr. 1-3 (8191 KA) binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden met al het hunne en de hunnen, met machtiging van het COA om dit vonnis, na betekening, ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm indien het gezin [gedaagden] aan deze veroordeling niet voldoet, alsmede het gezin [gedaagden] zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 Aan deze vordering heeft het COA tegen de achtergrond van de vaststaande feiten het volgende ten grondslag gelegd.

Het gezin [gedaagden] verblijft thans zonder recht of titel in het AZC Wapenveld. Daarnaast voelt [slachtoffer 1] zich onveilig en bedreigd zolang [gedaagde 1] daar verblijft en wordt iedere dag dat [gedaagde 1] nog langer daar verblijft het risico in het leven geroepen dat hij wederom gewelddadig wordt.

Het COA heeft daarom een spoedeisend belang bij de gevorderde voorlopige voorziening.

3.3 Het gezin [gedaagden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop in het hierna volgende zo nodig zal worden ingegaan.

4. DE BEOORDELING

4.1 Het COA heeft aangevoerd, dat het besluit van 16 december 2004 een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb en dat het gezin [gedaagden] tegen dit besluit geen beroep heeft ingesteld, zodat door de burgerlijke rechter uitgegaan dient te worden van de regelmatigheid en de rechtmatigheid van dat besluit. Deze stelling is door het gezin [gedaagden] gemotiveerd betwist.

4.2 Artikel 7 van het Rva 1997 luidt:

“1. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers bepaalt in welk centrum een asielzoeker wordt geplaatst en is bevoegd een asielzoeker naar een ander centrum over te plaatsen.

2. Na overplaatsing van een asielzoeker naar een ander centrum worden de in artikel 5, eerste lid, bedoelde verstrekkingen in dit andere centrum aangeboden.”

Artikel 10 van het Rva 1997 luidt:

“1. De verstrekkingen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b tot en met g, vinden niet plaats indien de bewoner van het centrum geen gebruik maakt van het in het desbetreffende centrum geboden onderdak.

2. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepaling in het eerste lid.”

Dienaangaande is in de nota van toelichting op de Rva (Staatscourant 1997, nr. 246) in het algemene gedeelte het volgende vermeld:

“(...)

In artikel 7 is onderscheid aangebracht tussen de plaatsing van een asielzoeker in een centrum en de overplaatsing van de asielzoeker van het ene naar het andere centrum. De mededeling (aanzegging) aan de asielzoeker dat hij de opvangvoorzieningen in een ander opvangcentrum krijgt aangeboden, en aldus wordt overgeplaatst wordt niet als een beschikking in de zin van de Awb aangemerkt aangezien de aanzegging slechts tot gevolg heeft dat de opvangvoorzieningen op een andere plaats worden aangeboden. Aan de plaatsing in een centrum vanuit een Aanmeldcentrum ligt wel een beschikking ten grondslag.”

De toelichting op artikel 7 van de Rva vermeldt onder meer het volgende:

“(...)

Een plaatsingsbesluit is een beschikking in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld conform de artikelen 8:1 en 7:1 van de Awb. Het beschikkingkarakter van het besluit vloeit mede voort uit het feit dat het besluit beoogt het recht op de verstrekkingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, in te laten gaan, dit ongeacht de plaats (het centrum) waar de verstrekkingen worden aangeboden.

De beslissing van het COA tot plaatsing in een centrum moet worden onderscheiden van de beslissing tot overplaatsing van de asielzoeker van het ene centrum naar een ander centrum. De beslissing van het COA tot overplaatsing (met andere woorden, de aanzegging aan de asielzoeker om naar een ander opvangcentrum te gaan) brengt mee dat vanaf de in deze beslissing genoemde datum de in artikel 5 bedoelde verstrekkingen niet meer in het eerste centrum worden aangeboden maar in het andere. Alleen in dit andere centrum zal de betrokken asielzoeker de verstrekkingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, kunnen ontvangen. Feitelijk betekent de beslissing tot overplaatsing niet meer dan dat de asielzoeker de verstrekkingen niet meer in het eerste centrum toegekend krijgt. De opvangvoorzieningen worden aldus niet stopgezet en zijn aanspraak op de voorzieningen blijft in volle omvang bestaan. Een afzonderlijke beslissing tot beëindiging behoeft hier dan ook niet aan ten grondslag te liggen.

(...)”.

Aan het voorgaande doet niet af – zoals door het COA betoogd – dat in het besluit is vermeld, dat conform artikel 10 lid 1 Rva 1997 de opvangvoorzieningen niet zullen plaatsvinden indien het gezin [gedaagden] zich niet uiterlijk binnen 48 uur na uitreiking van het besluit op het AZC Winterswijk meldt. Immers, het besluit tot overplaatsing is niet tevens een besluit tot beëindiging van de opvangvoorzieningen, omdat die door het AZC Winterswijk zouden worden voortgezet. De uiteindelijke beëindiging van de opvangvoorzieningen is derhalve geen gevolg van het overplaatsingsbesluit – welk besluit ook niet op dat gevolg was gericht - maar is op grond van artikel 10 Rva 1997 een gevolg van rechtswege van het feit dat het gezin [gedaagden] zich niet binnen de gestelde termijn in Winterswijk heeft gemeld.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de beslissing tot overplaatsing van het gezin [gedaagden] van het AZC Wapenveld naar het AZC Winterswijk niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb kan worden aangemerkt.

4.3 Nu het Rva 1997 geen voorwaarden noemt waaraan moet zijn voldaan alvorens van de in artikel 7 Rva 1997 gegeven bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt en evenmin aangeeft op welke wijze van die bevoegdheid gebruik dient te worden gemaakt, komt het COA in beginsel een discretionaire bevoegdheid tot overplaatsing toe. Dat brengt met zich dat het COA kan vasthouden aan zijn beslissing om de opvangvoorzieningen voor het gezin [gedaagden] voortaan niet meer in Wapenveld maar in Winterswijk aan te bieden, tenzij het COA, gezien de belangen van het gezin [gedaagden], in redelijkheid niet tot haar beslissing heeft kunnen komen.

4.4 Aan het besluit van 16 december 2004 heeft het COA – zoals hiervoor onder 2.13 weergegeven - ten grondslag gelegd, dat het met de overplaatsing van het gezin [gedaagden] beoogt incidenten als op 22 november 2004 tussen [gedaagde 1] en [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden, in de toekomst te voorkomen.

Dienaangaande staat vast, dat bij dat incident geen getuigen aanwezig zijn geweest en dat de lezing van beide betrokken personen over het gebeuren en de aanleiding daartoe diametraal tegenover elkaar staan. [slachtoffer 1] stelt dat [gedaagde 1] haar eerst heeft bedreigd en vervolgens heeft geschopt en geslagen, terwijl [gedaagde 1] stelt dat zij hem zonder enige aanleiding aanviel met een bezemsteel en dat hij die bezemsteel slechts heeft afgeweerd waarbij zij is komen te vallen.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 tot en met 2.8 is weergegeven, is voorshands evenwel niet onbegrijpelijk het standpunt van het COA dat de oorzaak van de problemen tussen de beide families en het incident op 22 november 2004 in hoofdzaak aan [gedaagde 1] zijn te wijten.

4.5 Het gezin [gedaagden] heeft aangevoerd, dat de belangen van het gezin bij voortzetting van de opvang in het AZC Wapenveld zwaarder dienen te wegen dan de belangen van het COA bij overplaatsing van het gezin naar Winterswijk. Ter ondersteuning van deze stelling heeft het gezin [gedaagden] ter zitting aangevoerd, dat [gedaagde 1] onder medische behandeling staat van [dokter 1], neuroloog, en [dokter 2], uroloog, beiden verbonden aan de Isala klinieken te Zwolle, en dat [gedaagde 3] sedert 1 september 2004 het schakeljaar voor de opleiding Commerciële Economie volgt aan de Hogeschool Windesheim te Zwolle. Verhuizing naar Winterswijk brengt met zich, dat als gevolg van de sterk gestegen reistijd per openbaar vervoer [gedaagde 1] de noodzakelijke medische behandeling niet meer kan krijgen en het voor [gedaagde 3] welhaast onmogelijk wordt haar opleiding met goed gevolg voort te zetten.

Door [gedaagde 1] is niet betwist, dat hij slechts eenmaal per halfjaar poliklinisch wordt gevolgd door de medische specialisten en dat deze medische begeleiding ook in de Achterhoek mogelijk is.

Voorts is het op zich juist, dat de overplaatsing van Wapenveld naar Winterswijk voor [gedaagde 3] een verlenging van de reistijd naar Zwolle met zich brengt, te weten van 20 minuten per bus naar 85 minuten per trein. Een dagelijkse reistijd van tweemaal 85 minuten per trein kan echter voor een negentienjarige vrouw – behoudens bijzondere omstandigheden waarvan echter niet is gebleken - niet als zodanig bezwarend worden aangemerkt dat zij daardoor haar opleiding zou moeten staken. Dit klemt te meer waar door het gezin [gedaagden] niet is gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat [gedaagde 3] haar opleiding niet aan de Hogeschool in Deventer of Arnhem kan voortzetten, hetgeen in beide gevallen een aanmerkelijke verkorting van de dagelijkse reistijd oplevert. Daarnaast had de dagelijkse reistijd voor [gedaagde 3] kunnen worden beperkt tot tweemaal 60 minuten, als het gezin [gedaagden] niet had geweigerd aan de overplaatsing naar Rheden gevolg te geven. Daar komt nog bij, dat het COA heeft aangeboden de opvangvoorzieningen ten aanzien van [gedaagde 3] voort te zetten op het AZC te Wapenveld, van welk aanbod zij geen gebruik wenst te maken, omdat zij niet zonder haar ouders alleen op het AZC Wapenveld wil achterblijven.

4.6 Door [gedaagde 2] is ter zitting niet meer, zoals eerder in correspondentie met het COA, een beroep gedaan op de omstandigheid dat zij als gevolg van de overplaatsing haar werk zal verliezen, zodat hieraan voorbij kan worden gegaan. Los hiervan, is door haar ook niet weersproken dat zij het maximum aantal dagen dat zij mag werken inmiddels heeft bereikt.

4.7 Op grond van vorenvermelde feiten en omstandigheden is voorshands voldoende aannemelijk, dat de bodemrechter tot de conclusie zal komen, dat het COA – na afweging van de alle in het geding zijnde belangen - in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om het gezin [gedaagden] en niet de familie [slachtoffer 1] over te plaatsen teneinde problemen als hiervoor bedoeld in de toekomst te voorkomen.

4.8 Aangezien het gezin [gedaagden] zich niet binnen de gestelde termijn van 48 uur na 16 december 2004 heeft gemeld op het AZC Winterswijk vinden krachtens het bepaalde in artikel 10 lid 1 de verstrekkingen, bedoeld in artikel 5 eerste lid onderdeel b tot en met g van het Rva 1997, niet meer plaats, zodat het gezin [gedaagden] thans geen recht meer heeft op opvang in een AZC. Dit betekent, dat het gezin [gedaagden] thans zonder recht of titel in het AZC Wapenveld verblijft, zodat de vordering van het COA toewijsbaar is.

4.9 De mede gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal evenwel worden afgewezen, omdat zij strikt genomen overbodig is. Artikel 556 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft al voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. De deurwaarder behoeft geen rechterlijke machtiging om de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

4.10 Het gezin [gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. BESLISSING

De voorzieningenrechter, recht doende in kort geding:

1. veroordeelt [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om het AZC Wapenveld te Wapenveld aan de Molenweg

nr. 1-3 (8191 KA) binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden met al het hunne en de hunnen;

1. veroordeelt [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de kosten van het geding die, voor zover gevallen aan de zijde van het COA tot op deze uitspraak worden begroot op € 329,60,-- wegens verschotten en € 816,-- wegens salaris advocaat;

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. D. Vergunst, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2004 in tegenwoordigheid van Chr.D.W. van Meurs, griffier.