Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2005:AS5664

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
10-02-2005
Zaaknummer
06/042408-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor poging doodslag danwel poging zware mishandeling. De rechtbank heeft niet de overtuiging dat er sprake is van (voorwaardelijk) opzet op het om het leven komen van het slachoffer danwel dat deze zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte door zijn handelwijze een verkeersongeval had kunnen veroorzaken. Voorts veroordeling terzake meermalen dronken rijden tijdens rijontzegging.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 9
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer: 06/042408-03

Uitspraak d.d.: 9 februari 2005

Tegenspraak / medebrenging

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 oktober 2004 en 26 januari 2005.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 07 augustus 2003 te Nijbroek, gemeente Voorst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], die zich in een dienstvoertuig van de politie bevond, van het leven te beroven, met dat opzet een landbouwtrekker heeft laten stilstaan, althans deze tot stilstand heeft gebracht, midden op de weg, de [straatnaam], op een moment dat voornoemd dienstvoertuig van de politie op zeer korte afstand (met hoge snelheid) was genaderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 07 augustus 2003 te Nijbroek, gemeente Voorst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], die zich in een dienstvoertuig van de politie bevond opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een landbouwtrekker heeft laten stilstaan, althans deze tot stilstand heeft gebracht, midden op de weg, de [straatnaam], op een moment dat voornoemd dienstvoertuig van de politie op zeer korte afstand (met hoge snelheid) was genaderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 07 augustus 2003 te Nijbroek, gemeente Voorst, als eigenaar of houder, althans als bestuurder van een voertuig (landbouwtrekker), deze (opzettelijk) heeft laten stilstaan, althans deze tot stilstand heeft gebracht (midden) op de weg, de [straatnaam], op een moment dat een dienstvoertuig van de politie op (zeer) korte afstand was genaderd, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2. hij op of omstreeks 07 augustus 2003 te Nijbroek, gemeente Voorst, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3. hij op of omstreeks 07 augustus 2003 te Nijbroek, gemeente Voorst, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B en/of BE en/of AL en/of AZ en/of C en/of CE en/of D en/of DE, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Dijkhuizenweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

4. hij op 07 augustus 2003 om ongeveer 06.00 uur te Nijbroek, gemeente Voorst, als degene aan wie een rijverbod als bedoeld in artikel 162, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 was opgelegd, gedurende de tijd waarvoor dat rijverbod gold, een voertuig, (landbouwtrekker), heeft bestuurd;

art 162 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

5. hij op of omstreeks 01 maart 2004 in de gemeente Epe als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 835 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

6. hij op of omstreeks 01 maart 2004 in de gemeente Epe terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten alle categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Brinklaan, althans enige weg, bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Zij overweegt daartoe het volgende.

Verdachte is op 7 augustus 2004 aangehouden terzake rijden onder invloed. Hij is overgebracht naar het politiebureau voor het ondergaan van een ademanalyse. Op grond van de uitkomst van die ademanalyse is aan verdachte een rijverbod opgelegd en is voorts zijn auto in beslag genomen in verband met overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet. Aansluitend is verdachte naar huis gebracht en hebben de verbalisanten uitvoering gegeven aan de inbeslagneming door de auto van verdachte mee te nemen naar het politiebureau. Het was toen omstreeks 06.00 uur.

Verdachte is met zijn tractor de weg opgereden op het moment dat zijn eigen (door verbalisant [naam verbalisant] bestuurde) auto reeds de uitrit van zijn boerderij was gepasseerd, maar de politieauto nog naderde, naar zijn zeggen om die auto te laten stoppen en de verbalisant aan te spreken.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat niet alleen onduidelijkheid over de snelheid waarmee de politieauto heeft gereden op het moment dat er een aanvang werd gemaakt met het remmen, maar ook over de posities waar de tractor en de politieauto tot stilstand zijn gekomen. De verklaringen over de snelheid waarmee is gereden en de exacte posities waar de voertuigen tot stilstand zijn gekomen verschillen. De naderhand door de technische recherche uitgevoerde reconstructie is enkel gebaseerd op de verklaringen van de betrokken verbalisanten. Daarbij is de plaatselijke situatie summier in beeld gebracht met een niet op schaal vervaardigde schets. Op het wegdek aangetroffen remsporen zouden daaromtrent meer duidelijkheid kunnen geven, maar voorzover deze al zijn aangetroffen zijn daar geen foto’s van gemaakt, zijn deze niet op de schets ingetekend en is er geen berekening gemaakt van de gereden snelheid.

Voorts heeft de rechtbank niet de overtuiging gekregen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om een aanrijding te veroorzaken, waarbij [slachtoffer] om het leven zou kunnen komen danwel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Mede gelet op de van de lichte en cabineloze tractor gemaakte foto’s veronderstelt een dergelijke toeleg immers dat verdachte zich ook zelf aan dergelijke gevaren wilde blootstellen, terwijl van een zo uitzonderlijke situatie niet is gebleken.

Verdachte zal daarom van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken worden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1 meer subsidiair:

hij op 07 augustus 2003 te Nijbroek, gemeente Voorst, als bestuurder van een voertuig (landbouwtrekker), deze opzettelijk tot stilstand heeft gebracht op de weg, de [straatnaam], op een moment dat een dienstvoertuig van de politie op korte afstand was genaderd, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd;

2. hij op 07 augustus 2003 te Nijbroek, gemeente Voorst, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 685 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3. hij op 07 augustus 2003 te Nijbroek, gemeente Voorst, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor categorieën van motorrijtuigen, te weten B en BE en AL en AZ en C en CE en D en DE, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op de weg, de Dijkhuizenweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;

4. hij op 07 augustus 2003 om ongeveer 06.00 uur te Nijbroek, gemeente Voorst, als degene aan wie een rijverbod als bedoeld in artikel 162, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 was opgelegd, gedurende de tijd waarvoor dat rijverbod gold, een voertuig, (landbouwtrekker), heeft bestuurd;

5. hij op 01 maart 2004 in de gemeente Epe als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 835 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

6. hij op 01 maart 2004 in de gemeente Epe terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor categorieën van motorrijtuigen, te weten alle categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Brinklaan, althans enige weg, bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op:

- de misdrijven:

2 en 5 telkens:

Overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en sub a van de Wegenverkeerswet 1994;

3 en 6 telkens:

Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

4. Overtreding van artikel 162, derde lid, van de Wegenverkeerstwet 1994;

- de overtreding:

1 meer subsidiair:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf als na te melden - met welke strafmodaliteit verdachte heeft ingestemd – en een voorwaardelijke hechtenis op zijn plaats. Bedoelde taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich in een kort tijdsbestek twee maal schuldig heeft gemaakt aan rijden onder invloed, terwijl zijn rijbewijs terzake eerdere veroordelingen reeds ongeldig was verklaard. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte in het verleden al veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen terzake van dit soort feiten. Blijkens verdachtes houding is hij niet doordrongen van de aanzienlijke gevolgen die alcohol in combinatie met verkeersdeelname kan hebben.

Bovendien heeft de rechtbank ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde in aanmerking genomen dat verdachte door zijn handelwijze een verkeersongeval had kunnen veroorzaken.

De rechtbank is van oordeel dat onvoorwaardelijke ontzeggingen van de rijbevoegdheid op hun plaats zijn teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw dit soort strafbare feiten te plegen.

In beslag genomen voorwerpen

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Gelet op de minimale draagkracht van verdachte en dat de omstandigheid dat de auto van verdachte verbeurd zal worden verklaard zal de rechtbank naast voornoemde straffen geen geldboete opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 18, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 9, 162, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, en het onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor de onder 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde feiten tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Zutphen, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook indien deze aanwijzingen/voorschriften betrekking hebben op veroordeeldes alcoholproblematiek.

Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde(n) hulp en steun te verlenen.

- de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen.

- Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een personenauto, [merk en type], kleur [kleur], kenteken [kenteken].

- terzake van het onder 5 bewezenverklaarde bovendien: ontzegging van de bevoegdheid motorrijtui-gen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Veroordeelt verdachte voor het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit tot:

- een hechtenis voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt, dat de hechtenis niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

- ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

Aldus gewezen door mrs. Elders, voorzitter, Van Harreveld en Van Baaren, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 februari 2005.