Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AR6683

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-11-2004
Datum publicatie
30-11-2004
Zaaknummer
06/080293-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoerders en dealers cocaïne (Apeldoorn) gestraft tot verschillende gevangenisstraffen; en indien ten laste gelegd vrijspraken voor de criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer: 06/080293-03

Uitspraak d.d.: 29 november 2004

tegenspraak / oip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in huis van bewaring te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 juli, 14 juli, 1 oktober en 17 november 2004.

Ter terechtzitting gegeven voornemen ovj ontnemingsvordering

Ter terechtzitting van 14 april 2004 heeft de officier van justitie conform artikel 311, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering het voornemen kenbaar gemaakt in een later stadium een afzonderlijke ontnemingsvordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2001

tot en met 12 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of

Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het

grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2001 tot

en met 12 januari 2004 in de gemeente Apeldoorn, althans elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft

gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2003 tot en met 1 maart 2003 in

de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Apeldoorn en/of elders in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland een hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaine (500 gram), zijnde cocaine, een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, te brengen terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 2 lid 1 ahf/ond B Opiumwet

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari

2001 tot en met 12 januari 2004 in de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol)

en/of Apeldoorn, althans elders in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met een ander of anderen (telkens) heeft deelgenomen aan een

organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van [naam 1] en/of

[naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of

een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk

had het plegen van misdrijven namelijk:

- het opzettelijk brengen binnen het grondgebied van Nederland een hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine, een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren,

in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine, zijnde cocaine, een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Verweer nietige dagvaarding

Namens verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van de feiten onder 1 en 2 nietig verklaard dient te worden, nu deze in zoverre te weinig specifiek is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij is van oordeel dat het tenlastegelegde de toets der kritiek kan doorstaan, voldoende feitelijk is omschreven en derhalve voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Nietigheid van de dagvaarding

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding wat betreft het onder 3 tenlastegelegde nietig moet worden verklaard, aangezien de uitvoeringshandelingen van de poging een feitelijke omschrijving ontberen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld, dat een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht heeft bestaan. Voor een organisatie in de zin van dit wetsartikel is vereist dat personen binnen een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband handelen, alsmede dat dit handelen volgens gemeenschappelijke regels met het oog op een gemeenschappelijk doelstelling plaatsvindt. In dit geval wordt aan deze vereisten niet voldaan.

Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen voor bepaalde vaste patronen, zoals op het vlak van het regelen van importen van cocaïne vanuit de Antillen naar Nederland of op het vlak van het verkopen van cocaïne in Nederland, doch daartegenover staan evenzoveel ingevolge de Opiumwet strafbare feiten, gestaafd door wettige bewijsmiddelen, die door één of meer verdachten uit het onderzoek van het Valcoteam op ad-hoc-basis afzonderlijk dan wel in wisselende samenstelling en met steeds wisselende initiatiefnemers zijn begaan. De in het dossier doorklinkende suggestie, dat deze bewijsbare handelingen tegen de achtergrond van de ten laste gelegde organisatie moeten worden bezien en dat één en ander in samenhang behoort te leiden tot de conclusie, dat wettig en overtuigend bewijs bestaat voor de organisatie, is naar het oordeel van de rechtbank niet juist.

Nog afgezien van de in het dossier aangetroffen vage, weinig diepgaande, verklaringen van enige verdachten over het bestaan van een organisatie, merkt de rechtbank ten slotte op, dat de opgevoerde verbanden tussen geldstromen, leveringen van drugs en contacten tussen verdachten te weinig concreet en specifiek zijn om op grond daarvan tot het bewijs van een organisatie te komen.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweer bewijsuitsluiting

Met verwijzing naar het verhoor van R.N. Trinidad op 11 juni 2003 en het tonen bij die gelegenheid van een foto van verdachte aan die Trinidad door de politie, heeft de raadsman van verdachte bepleit dat niet naar behoren kan worden vastgesteld hoe de verdenking tegen verdachte is opgekomen en dat – kort gezegd - integrale bewijsuitsluiting daarvan het gevolg dient te zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit het procesdossier is gebleken dat er reeds een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte was toen W.B.D. Manuela op 20 mei 2003 een verklaring aflegde, inhoudende onder meer een beschrijving van zijn toeleverancier – door hem “buurman” genoemd – met opgave van het woonadres van die toeleverancier. De rechtbank is tevens gebleken dat Trinidad in zijn verhoor op 11 juni 2003 eerst de naam van verdachte en zijn bijnaam “buurman” noemt, alvorens hem de foto van verdachte wordt getoond. De verklaring van Manuela in combinatie met die van Trinidad leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe, dat een vermoeden van schuld jegens verdachte was gerezen op het moment dat de foto van verdachte aan Trinidad werd getoond en dat (integrale) bewijsuitsluiting reeds daarom niet aan de orde is.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2003 tot en met 12 januari 2004 in

de gemeente(n) Haarlemmermeer (Schiphol) en/of Apeldoorn en/of elders in

Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het

grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op tijdstippen in de periode 1 januari 2002 tot en met 12 januari 2004 in de

gemeente Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen

telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of eenmaal opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en/of

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Namens verdachte is aangevoerd dat de invoer van en de handel in cocaïne moeten worden aangemerkt als voortgezette handelingen. De rechtbank is echter van oordeel dat, afgezien van de omstandigheid dat de hoeveelheden verschillen, het tenlastegelegde onder 2 een nieuw wilsbesluit vergt, nu verdachte niet heeft volstaan met het louter en alleen ter beschikking stellen van de ingevoerde cocaïne in Nederland aan en ander, zodat de rechtbank artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing acht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich meermalen heeft schuldig gemaakt aan de invoer van en handel in cocaïne, een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen de ingevoerde hoeveelheid van ongeveer 1.700 gram, de initiërende rol die verdachte op de Antillen bij die invoeren heeft vervuld en de straffen die doorgaans in soortgelijke gevallen van invoer en handel worden opgelegd. Anderzijds heeft de rekening er rekening mee gehouden dat een deel van de verkochte cocaïne mede door de verdachte zelf is ingevoerd en ten slotte dat hij niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart de dagvaarding wat betreft feit 3 nietig.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. Van Hoorn, voorzitter, mrs. Van Lookeren Campagne en Feunekes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Bruijn-van der Sluijs, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 november 2004.