Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AR5012

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-10-2004
Datum publicatie
02-11-2004
Zaaknummer
210814BR04-65
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbod handmatig te telefoneren. Het klemmen van een mobiele telefoon tussen oor en hand.

Wetsverwijzingen
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 61a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2005, 16
JWR 2005/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton, Locatie Terborg

Beslissing inzake wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

op het beroep van: [appellant], wonende te [adres], appellant.

CJIB-nr. : 68975585

KTG-nr. : 27/2004

Reg-nr. : 61723

Zitting d.d. : 4 oktober 2004

Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie te Zutphen, met bovenvermeld CJIB-nummer.

Gronden voor de beslissing:

Het beroep is tijdig ingesteld.

Aan appellant is bij initiële beschikking een sanctie opgelegd vanwege het als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden op 15 januari 2004 te Heelweg, gemeente Wisch.

Appellant heeft in zijn beroep bij de officier van justitie aangevoerd dat hij geen mobiele telefoon heeft vastgehouden, omdat hij zijn mobiele telefoon tussen zijn oor en schouder had geklemd.

Zijn beroep is afgewezen op grond van een algemene (standaard)overweging.

In zijn beroep op de kantonrechter heeft appellant vooreerst aangevoerd dat die motivering geen recht doet aan zijn beroepsgrond, nu daarop in het geheel niet is ingegaan. Voorts heeft hij zijn initiële grief herhaald.

Het materiele verweer van appellant snijdt geen hout. In de Nota van Toelichting, behorende bij het besluit van 4 februari 2002 tot wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (verbod handmatig telefoneren), is expliciet opgenomen dat onder ‘vasthouden’ tevens wordt verstaan het tussen oor en schouder geklemd houden.

Ter zitting geconfronteerd met deze Nota van Toelichting heeft appellant ruiterlijk zijn ongelijk erkend, maar wel (nogmaals) benadrukt dat de motivering van het bestreden besluit hiervan geen melding maakt en dat bij een betere motivering een beroep en een gang naar de zitting voorkomen had kunnen worden.

De kantonrechter is met appellant van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit, in het licht van diens concrete en niet op voorhand ongegronde grief, onvoldoende draagkrachtig was. Nu voorts aannemelijk is dat appellant om die reden in beroep en naar de zitting is gekomen, is er plaats voor een proceskostenvergoeding voor wat betreft de reiskosten van appellant, terwijl met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het bestreden besluit in stand blijft.

Er zijn termen de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Beslissing:

Het beroep wordt ongegrond verklaard.

De officier van justitie te Zutphen wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant, begroot op € 23,50 aan reiskosten, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.A.M. Smulders en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2004 in tegenwoor-digheid van de griffier.