Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AQ1734

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-01-2004
Datum publicatie
15-07-2004
Zaaknummer
04/27 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

monumentenvergunning en bouwvergunning van rechtswege verleend. beroep daartegen ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/4374

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 04/27 WRO

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eibergen, verweerder,

alsmede Stichting de Mallumsche Molen te Eibergen, derde-partij.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 2 december 2003, waarbij aan de derde-partij met gebruikmaking van een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten van Gelderland (GS) vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het verbouwen van het Muldershuis en waarbij verweerder te kennen heeft gegeven dat de bouwvergunning en de monumentenvergunning van rechtswege zijn verleend.

2. Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 7 januari 2004 bezwaar gemaakt tegen het vrijstellingsbesluit, de van rechtswege verleende bouwvergunning en de van rechtswege verleende monumentenvergunning. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 januari 2004, alwaar verzoeker wegens ziekte verhinderd was te verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door K.I.M. Boone, ambtenaar bij de gemeente Eibergen. De derde-partij is verschenen bij A.G.J. Esman, secretaris.

Daarna heeft de voorzieningenrechter het onderzoek met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, in verbinding met artikel 8:68, eerste lid, van de Awb heropend, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nader uiteen te zetten waarom de bouwvergunning van rechtswege is verleend en teneinde verzoeker op het verhandelde ter zitting te laten repliceren.

Op 12 februari 2004 heeft een hernieuwd onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar verzoeker in persoon is verschenen. Verder zijn Boone en Esman namens respectievelijk verweerder en de derde-partij verschenen.

3. Motivering

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2.1. De derde-partij heeft op 30 september 2002 een bouwvergunning aangevraagd voor het intern verbouwen van het Muldershuis, bestaande uit bouwwerkzaamheden voor de inrichting van een schipperscafé van circa 34 m2 en ter aanpassing van de bestaande zaal van circa 140 m2 en de keuken. Verweerder heeft deze aanvraag, omdat het Muldershuis een beschermd monument is in de zin van de Monumentenwet 1988, in overleg met de derde-partij tevens aangemerkt als een verzoek om een vergunning als bedoeld in artikel 11 van die wet. Op 10 oktober 2002 heeft verweerder, door publicatie in een plaatselijke krant, bekendgemaakt dat een bouwvergunningaanvraag was ingediend. Verweerder heeft daarbij niet aangegeven dat hij de bouwvergunningaanvraag tevens als een aanvraag om een monumentenvergunning heeft aangemerkt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan, vanwege het beoogde (mede)gebruik van het Muldershuis voor horecadoeleinden, in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, op grond waarvan op de locatie de bestemming ‘Bijzondere bebouwing – categorie Si-sociaal-culturele instelling’ rust.

3.2.2. Verweerder, aan wie voor het in geding zijnde project door de gemeenteraad bij besluit van 25 juni 2002 de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO is gedelegeerd, heeft ingestemd met het starten van voorbereidingen als bedoeld in artikel 19a, vierde lid, van de WRO ten behoeve van het

verlenen van vrijstelling voor het bouwplan en ten behoeve van de legalisering van het horecagebruik. De aanvraag om vrijstelling heeft met de ruimtelijke onderbouwing (‘Bestemmingsplan buitengebied. Ruimtelijke onderbouwing (artikel 19, lid 1 WRO) (horecagebruik en verbouwingsplan Muldershuis)’ met bijlagen) ter inzage gelegen.

Vervolgens heeft verweerder voor het project bij GS de vereiste verklaring van geen bezwaar aangevraagd.

3.2.3. GS hebben bij besluit van 24 juni 2003 in overeenstemming met het advies van de inspecteur van de ruimtelijke ordening de verzochte verklaring van geen bezwaar afgegeven en tevens ingestemd met de weerlegging door verweerder van de ingediende zienswijzen.

GS hebben daarbij onder meer overwogen dat realisering van een beperkte horecafunctie bijdraagt aan de versterking van het toeristisch-recreatieve aanbod, dat het project, dat mede is ingegeven door de wens het bestaande gebruik van het Muldershuis uit te breiden met diverse culturele evenementen, past binnen het provinciale ruimtelijke beleid gericht op de instandhouding van het cultuurhistorisch en landschappelijk erfgoed van de Achterhoek en het gebruik daarvan voor toeristische doeleinden.

Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3.3. Verzoeker is eigenaar en exploitant van het Reirinck, gelegen op een afstand van ongeveer 8,5 km van het Muldershuis. Naar door verzoeker is aangevoerd maken het Reirinck en het Muldershuis hun omzet (deels) in hetzelfde marktsegment, te weten horeca-activiteiten op het gebied van feesten en partijen. Verzoeker verzet zich tegen het gebruik van het Muldershuis voor horeca-activiteiten, omdat er zijns inziens sprake is van oneerlijke concurrentie. Van de zijde van de gemeente worden aan de derde-partij, die het Muldershuis beheert, subsidies verstrekt en een eventueel negatief exploitatietekort van de derde-partij wordt afgedekt. Dit klemt volgens verzoeker temeer omdat met de exploitant van het Muldershuis geen marktconforme huur is overeengekomen en omdat de burgemeester van Eibergen voorzitter is van het bestuur van de derde-partij en bovendien twee gemeenteambtenaren van dat bestuur lid zijn.

Verzoeker heeft in een eerder stadium verzocht om handhavend op te treden tegen de horeca-activiteiten (van de derde-partij) in het Muldershuis. Het beroep van verzoeker tegen de gehandhaafde weigering door verweerder van dit verzoek – op de grond dat concreet zicht op legalisering bestond – heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 19 december 2003 (03/1582 en 03/1584) ongegrond verklaard.

3.4. Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek zijn onder meer de volgende bepalingen uit de WRO, de Woningwet en de Monumentenwet 1988 van belang, waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat, gelet op het overgangsrecht bij de op 1 januari 2003 in werking getreden gewijzigde Woningwet, de tot 1 januari 2003 geldende Woningwet van toepassing is.

3.4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

3.4.2. Ingevolge artikel 46, eerste lid, van de Woningwet, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om bouwvergunning binnen dertien weken na de dag waarop zij de aanvraag hebben ontvangen.

In artikel 46, derde lid, van de Woningwet is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in artikelen 15, 17 en 19 van de WRO.

3.4.3. Ingevolge artikel 49, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders, indien artikel 46, derde lid, van toepassing is en de aanvraag om bouwvergunning slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO, omtrent die aanvraag indien een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten is vereist, binnen dertien weken na ontvangst van die verklaring.

In artikel 49, derde lid, van de Woningwet is bepaald dat indien burgemeester en wethouders of in voorkomend geval de gemeenteraad de vrijstelling hebben onderscheidenlijk heeft verleend en niet wordt voldaan aan het eerste of tweede lid, de bouwvergunning van rechtswege is verleend.

3.4.4. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Woningwet, houden burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 46, eerste lid, van de Woningwet, de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eveneens aan, indien voor het bouwwerk een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is vereist.

In artikel 54, tweede lid, van de Woningwet is bepaald dat de in het eerste lid, bedoelde aanhouding eindigt:

a. indien tegen het besluit, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988, geen beroep is ingesteld, met ingang van de dag waarop zes weken zijn verstreken na de bekendmaking van dat besluit, of

b. indien tegen het besluit, bedoeld onder a, binnen zes weken na bekendmaking ervan beroep is ingesteld, met ingang van de dag na de dag waarop het verzoek van vergunninghouder om de opschorting [ingevolge artikel 16, zevende lid, van de

Monumentenwet 1988] van dat besluit op te heffen, is toegewezen.

3.4.5. Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Monumentenwet 1988 – voorzover hier van belang – beslissen burgemeester en wethouders in ieder geval binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag.

Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Monumentenwet 1988 wordt de vergunning, indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het derde of vierde lid, geacht te zijn verleend.

3.5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de toepasselijke wettelijke voorschriften, bij het bestreden besluit met de verlening van de vrijstelling tevens de bouwvergunning van rechtswege is verleend en dat de monumentenvergunning reeds eerder van rechtswege was verleend.

3.6. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 16, derde lid, van de Monumentenwet 1988 en dat evenmin op grond van het bepaalde in het vierde artikellid de beslistermijn is verlengd, zodat verweerder uiterlijk binnen zes maanden na indiening van de aanvraag voor een monumentenvergunning – dat is vóór 1 april 2003 – had moeten beslissen. Nu verweerder dit heeft nagelaten, moet de monumentenvergunning, gelet op het bepaalde in artikel 16, vijfde lid, van de Monumentenwet 1988, geacht worden op 1 april 2003 van rechtswege te zijn verleend.

3.7. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gold ten tijde van het bestreden besluit niet langer de plicht, ingevolge artikel 54 van de Woningwet, om een beslissing omtrent de bouwvergunningaanvraag aan te houden. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

3.7.1. Naar voorlopig oordeel brengt een redelijke uitleg van artikel 54, tweede lid, van de Woningwet mee dat de in het eerste lid van artikel 54 bedoelde aanhouding eindigt indien tegen de fictieve monumentenvergunning niet binnen zes weken bezwaar is gemaakt. Nu in het onderhavige geval door verzoeker niet binnen een termijn van zes weken nadat zij geacht wordt van rechtswege te zijn verleend tegen de fictieve monumentenvergunning bezwaar is gemaakt, was de aanhoudingsplicht derhalve na het verstrijken van die termijn geëindigd. Dat er goede redenen zijn om er van uit te gaan dat verzoeker niet eerder heeft kunnen bevroeden dat er sprake was van een fictieve vergunningverlening – verweerder heeft de aanvraag om een monumentenvergunning niet ter inzage gelegd en evenmin anderszins bekendgemaakt, niet eerder dan thans met het bestreden besluit is (aan verzoeker) bekend gemaakt dat de monumentenvergunning geacht wordt van rechtswege te zijn verleend en het bepaalde in artikel 20 van de Monumentenwet 1988 over het vergunningenregister is niet in acht genomen – vormt, mede in aanmerking genomen dat zowel in de Monumentenwet 1988 als in de Woningwet in het belang van de aanvrager van een vergunning is gekozen voor een positief fatale termijnstelling, geen aanleiding voor een ander oordeel.

3.8. Gelet op het voorgaande alsmede in aanmerking genomen dat ten tijde van het bestreden besluit de termijn van dertien weken na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar van GS was verstreken, is, ook gezien het bepaalde in artikel 49, derde lid, van de Woningwet, met verlening van de vrijstelling (inderdaad) tevens de bouwvergunning van rechtswege verleend.

3.9. Vervolgens rijst de vraag of er sprake is van een situatie waarin onverwijlde spoed noopt tot schorsing van de onder vrijstelling van het bestemmingsplan verleende bouwvergunning van rechtswege. Daaromtrent overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.10. In dit verband moet allereerst beoordeeld worden of er sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing van de verleende vrijstelling. Hieronder wordt volgens het bepaalde bij artikel 19, eerste lid, van de WRO bij voorkeur verstaan een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

3.10.1. In het onderhavige geval ontbreekt een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ruimtelijke onderbouwing van het project is gebaseerd op de hiervoor genoemde projectbeschrijving, waarin de relatie is gelegd met het bestemmingsplan en waarin de inpasbaarheid van het project in de bestaande omgeving en in de plannen voor de toeristisch-recreatieve ontwikkeling in relatie tot de aanwezige cultuurhistorische elementen in de gemeente Eibergen (‘Eibergen in verband’) is verantwoord.

3.10.2. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel, ook nu verzoeker niet heeft betwist dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan, dat er sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing van het project en dat verweerder in beginsel gerechtigd was toepassing te geven aan de in artikel 19, eerste lid, van de WRO neergelegde vrijstellingsprocedure. Hierbij is tevens in ogenschouw genomen dat, gelet op de totstandkoming van het bestreden besluit, er geen grond bestaat voor het oordeel dat wat de positie van de burgemeester en de twee gemeentelijke ambtenaren betreft de vrijstelling strijdig is met artikel 2:4, tweede lid, van de Awb, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan ertegen waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang hebben bij een besluit de besluitvorming beïnvloeden. De voorzieningenrechter volstaat in dit verband verder met verwijzing naar hetgeen in de uitspraak van 19 december 2003 omtrent de door eiser ook reeds bij de weigering om handhavend op te treden geconstateerde belangenverstrengeling is overwogen, welke overwegingen van overeenkomstige toepassing zijn op de onderhavige zaak, waarin de besluitvorming op dezelfde wijze is totstandgekomen.

3.11. Er is voorshands evenmin grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen. Niet is gebleken dat door het project de belangen van verzoeker onevenredig worden geschaad. Hierbij is in de eerste plaats van belang dat naar vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 1998, BR 1998 p. 663) verweerder in het kader van de hem door de WRO opgedragen taak niet geroepen is tot het reguleren van concurrentieverhoudingen. Eerst indien het waarschijnlijk is dat een extra vestiging leidt tot duurzame ontwrichting van het in het verzorgingsgebied aanwezige voorzieningenpatroon in de betrokken sector komt het onthouden van medewerking aan de orde. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd – dat toch in de eerste plaats in de sleutel van artikel 4 van de Drank- en Horecawet, welke bepaling ziet op bestrijding van het zogeheten paracommercialisme in de horecasector, moet worden geplaatst – biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat een zodanige ontwrichting van de betrokken horecamarkt zich hier dreigt voor te doen.

Daarnaast is van belang dat verzoeker zich niet zonder meer verzet tegen horeca-activiteiten in het Muldershuis maar dat het hem er – met name – om gaat dat de derde-partij met de exploitant van het Muldershuis geen marktconforme huur zou zijn overeengekomen. De beoordeling van de rechtmatigheid jegens verzoeker van die gestelde omstandigheid, overstijgt naar voorlopig oordeel echter (evenzeer) de reikwijdte van de onderhavige procedure.

3.12. Al met al is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een situatie waarin onverwijlde spoed schorsing van het vrijstellingsbesluit en/of de van rechtswege verleende bouwvergunning vereist.

3.13. Ten aanzien van de (fictieve) monumentenvergunning overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers bezwaar daartegen, ook als de overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken na 1 april 2003 voor het maken van bezwaar verschoonbaar is te achten, niet-ontvankelijk moet worden geoordeeld, aangezien verzoeker geen eigenaar van het Muldershuis is of anderszins zakelijk gerechtigde, zodat zijn belang niet rechtstreeks bij de monumentenvergunning betrokken. Bijgevolg zijn er evenmin termen voor het treffen van een met die vergunning verband houdende voorlopige voorziening en daarom kan verdere bespreking van de rechtmatigheid van de (fictieve) monumentenvergunning thans achterwege blijven.

3.14. Het verzoek zal worden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank,

recht doende:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. N.C. van Lookeren Campagne en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.