Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AP6840

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
02-09-2004
Zaaknummer
03/1491 WRO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AS3207
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bezwaar tegen bouwvergunning.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AS3207.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 03/1491 WRO

UITSPRAAK

in het geding tussen:

Wijkvereniging Berg & Bos, te Apeldoorn, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn, verweerder,

alsmede EON Dienstverlening Bibliotheca Biographica BV, derde-partij.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 16 september 2003, kenmerk: 3700079/4310.

2. Feiten

Bij besluit van 2 augustus 2000 heeft verweerder aan de derde-partij vergunning verleend (nummer: 3505/2000) voor de oprichting van een beeld in piramide vorm op het perceel, kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie S, nummer 63, plaatselijk bekend J.C. Wilslaan 21 (locatie Bosweide in het park Berg en Bos).

Hiertegen heeft mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, namens eiseres bij brief van 18 augustus 2000, naast een aantal anderen, bezwaar gemaakt.

De onafhankelijke bezwarencommissie heeft bij brief van 8 mei 2001 verweerder geadviseerd de bouwvergunning te herroepen en de bouwvergunningaanvraag wegens strijd met het bestemmingsplan alsnog te weigeren.

Vervolgens heeft verweerder, aan wie door de gemeenteraad van Apeldoorn de bevoegdheid is gedelegeerd tot het verlenen van vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, besloten te starten met voorbereidingen ten behoeve van het verlenen van zodanige vrijstelling. Daartoe heeft de – tevens als een verzoek om vrijstelling te gelden – bouwvergunningaanvraag met de ruimtelijke onderbouwing van het project ter inzage gelegen.

Bij brief van 1 augustus 2002 heeft mr. Robbers, advocaat te Apeldoorn, namens eiseres aan verweerder meegedeeld het bezwaar in te trekken.

Gedeputeerde staten van Gelderland hebben bij besluit van 1 juli 2003 een verklaring van geen bezwaar verleend en ingestemd met de weerlegging door verweerder van de – onder meer door eiseres – ingediende zienswijzen.

Vervolgens heeft verweerder met gebruikmaking van de verklaring van geen bezwaar de bouwvergunning onder vrijstelling van het bestemmingsplan gehandhaafd.

3. Procesverloop

Namens eiseres heeft mr. Robbers beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 maart 2004, alwaar namens eiseres R. Hulstein is verschenen, bijgestaan door mr. S.P.M. Schaap, advocaat te Apeldoorn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schoneveld, ambtenaar bij de gemeente Apeldoorn. Namens de derde-partij is E. Harmsen verschenen, bijgestaan door mr. M.G.J. Cooymans, advocaat te Den Haag.

4. Motivering

4.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – voorzover hier van belang – kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit.

4.2.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het bestreden besluit niet kan worden aangemerkt als een nieuw primair besluit en eiseres haar bezwaarschrift tegen het besluit van 2 augustus 2000 heeft ingetrokken.

4.2.2. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit, aangezien daarbij vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO is verleend, als een nieuw primair besluit moet worden aangemerkt, waartegen alvorens beroep kan worden ingesteld, eerst bezwaar moet worden gemaakt. Eiseres is van mening dat het beroepschrift derhalve aan verweerder had moeten worden doorgezonden teneinde als bezwaarschrift in behandeling te nemen.

4.3. De rechtbank kan eiseres in haar standpunt niet volgen. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging plaats van het bestreden (primaire) besluit. In haar uitspraak van 20 maart 1997 (Gst. 1997, 7070, 7) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat indien burgemeester en wethouders bij het nemen van de beslissing op een bezwaarschrift tegen de verlening van een bouwvergunning bemerken dat een weigeringsgrond zich voordoet die bij het verlenen van de vergunning niet was onderkend, doch die door middel van een vrijstelling kan worden opgeheven, het hen vrij staat om – mits op basis van een deugdelijke belangenafweging – alsnog een dergelijke vrijstelling te verlenen teneinde de vergunning te kunnen handhaven. Het bepaalde in artikel 7:11 vormt hiervoor geen beletsel. In tegendeel, voor het herstellen van dit soort misslagen biedt de bezwaarschriftprocedure, met haar karakter van algehele heroverweging, een gelegenheid bij uitstek. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit in de lijn van deze jurisprudentie bezwaarlijk anders worden aangemerkt dan als een in heroverweging genomen beslissing op bezwaar, waarvan gelet op het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet de vrijstelling een integrerend bestanddeel uitmaakt. In het feit dat het in het onderhavige geval, anders dan in de zaak waarover in de uitspraak van 20 maart 1997 is geoordeeld, gaat om een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO waarop de openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is, ziet de rechtbank anders dan eiseres geen aanleiding voor een ander oordeel.

4.4. Niet in geschil is, en ook de rechtbank gaat er van uit, dat mr. Robbers bij brief van 1 augustus 2002 het bezwaar tegen de bij besluit van 2 augustus 2000 verleende bouwvergunning namens eiseres heeft ingetrokken. Bijgevolg moet eiseres, het feit dat zij haar zienswijze heeft gegeven op de (voorgenomen) vrijstelling van het bestemmingsplan ten spijt, geacht worden tegen het oorspronkelijke besluit geen bezwaar te hebben gemaakt. Nu verder niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan dit niet aan eiseres kan worden verweten, staat het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb er aan in de weg het beroep te ontvangen. De partijen tevens verdeeld houdende vraag of eiseres wel belanghebbende is bij de bouwvergunning behoeft derhalve geen nadere bespreking.

4.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5. Beslissing

De rechtbank, recht doende:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. N.C. van Lookeren Campagne en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: