Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AP0089

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
57387 HAZA 03-1096
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks sterilisatie van de man door de huisarts zwangerschap. Informatieverplichting van de huisarts. In geschil is of de huisarts aan zijn zorgplicht heeft voldaan bij de nacontrole. Vast staat dat een derde spermacontrole nodig was en dat deze controle niet heeft plaatsgevonden. Bewijsopdrachten over en weer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 57387 HAZA 03-1096

Uitspraak : 12 mei 2004

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, sector Civiel, in de zaak tussen:

1. [eiser1],

2. [eiser2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisende partijen,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat: mr. H. de Ruiter te Zwolle,

en

1. [gedaagde1],

2. [gedaagde2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagde partijen,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. M. Hamer te Utrecht.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eisende partijen] voor eisers gezamenlijk, eiser 1. als [eiser1] en eiseres 2. als [eiser2] enerzijds en [gedaagde1] en [gedaagde2] anderzijds.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ de dagvaarding van 11 juli 2003

­ de conclusie van antwoord

­ het vonnis van 4 februari 2004

­ het proces-verbaal van de op 6 april 2004 gehouden comparitie van partijen.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op 16 december 1998 heeft [gedaagde1] een vasectomie bij [eiser1] verricht. [gedaagde1] en [gedaagde2] voerden toen gezamenlijk een huisartsenpraktijk in [plaatsnaam]. Voorafgaand aan de vasectomie zijn twee informatiegesprekken door [gedaagde1] gevoerd, een op 29 september 1998 met [eiser1] zelf en een op 5 oktober 1998 met [eiser1] en [eiser2] samen. Bij het eerste spermaonderzoek op 12 maart 1999 bleken er nog zeer veel levende zaadcellen in het sperma aanwezig. Bij het tweede spermaonderzoek op 26 april 1999 bleken er nog 10 levende zaadcellen per gezichtsveld aanwezig te zijn.

2.2 [eiser1] en zijn vrouw zijn doorgegaan met het gebruik van voorbehoedmiddelen tot 10 augustus 1999.

2.3 Op 10 november 1999 heeft [eiser2] huisarts [gedaagde2] bezocht in verband met bloedingen. [eiser2] heeft daarvoor medicijnen gekregen. Op 18 november 1999 heeft zij [gedaagde2] opnieuw bezocht en heeft [gedaagde2] inwendig onderzoek verricht. Op 17 april 2000 heeft [eiser2] de huisarts gebeld in verband met het uitblijven van de menstruatie. Na onderzoek op 18 april 2000 en een echo op 27 april 2000, bleek dat [eiser2] op die laatste datum 8 weken zwanger was. Wegens ernstige gewetensbezwaren tegen een abortus heeft [eisende partijen] besloten het kind geboren te laten worden. Op [geboortedatum] is zoon [naam kind] geboren.

2.4 In het Protocol Vasectomie door Huisarts van 12 januari 1994, hierna het protocol, is onder het kopje Voorbereiding bepaald: "(…...) a. Goede voorlichting aan betreffende echtpaar door middel van gesprek en folder/stencil (…...)"

2.5 In de voorlichtingsfolder van de huisartsengroep [naam] is, voor zover hier relevant, vermeld: "(...…) Wij willen u graag de volgende adviezen geven m.b.t. de ingreep:

1. Tevoren thuis de gehele balzak ontdoen van de beharing tot aan de liezen en de basis van de penis middels scheren of ontharingscrème

2. (...…)

3. Een strakke onderbroek of zwembroek meenemen.

(…...)

6. Na de sterilisatie bevinden zich nog een lange tijd zaadcellen in de zaadafvoerwegen; deze zaadcellen kunnen bij de zaadlozing dus nog vrijkomen !!!

7. Na ongeveer 25 zaadlozingen moet u sperma inleveren voor onderzoek. Bij wondcontrole na een week krijgt u een potje mee om het sperma in op te vangen en kunt u het voor controle bij de praktijk inleveren

DE GEMEENSCHAP MOET DUS PLAATSVINDEN MET VOORBEHOEDSMIDDELEN TOT DE UITSLAG VAN HET ZAADONDERZOEK BEKEND IS EN ALS GOED IS AFGEGEVEN !!"

2.6 In het huisartsenjournaal van [eiser1] is onder meer vastgelegd:

"(…...) 29-09-98 S foto gemaakt, sterilisatiewens komt terug met vrouw (…...)

05-10-98 S gesprek met echtgenote, goed gefundeerde wens (…...)

12-03-99 sperma onderzoek: zeer veel levende spermatozoen

26-04-99 sperma onderzoek: gem. 10 spermatozoen p.g.v. (…...)"

In het huisartsenjournaal van [eiser2] is onder meer vastgelegd:

"(...…) 10-11-99 zonder pilgebruik 12 dagen mensis

RIJ R ERGOMETRINEMALEAAT tabl. 0,3 mg 2-4 x daags 1 tabl.

pm vt

18-11-99 totaal 19 dagen gevloeid

RIJ vroeger irregulaire mensis

vt kleine uterus retroflexie adnexa tgb

kalender (…...)"

2.7 De assistente van [gedaagde1] en [gedaagde2], [werkneemster], heeft in een ongedateerde en ongetekende verklaring het volgende vastgelegd: "(...…) De eerste sperma controle is door mij uitgevoerd. Na overleg met [gedaagde1], aangezien er nog veel levende spermatozoen te zien waren, heb ik het advies gegeven nogmaals over 6 weken sperma te brengen. Bij de 2e sperma controle waren er nog ong. 10 spermatozoen per gezichtsveld te zien. Dokter [gedaagde1] heeft microscopisch meegekeken en gaf het advies nogmaals sperma voor controle te brengen. Mocht het dan nog zo zijn dat er spermatozoen te zien waren, dan zou er een verwijzing moeten plaatsvinden naar de uroloog. Dit heb ik telefonisch doorgegeven. Hierna heb ik geen sperma voor controle mogen ontvangen."

2.8 Op verzoek van [eisende partijen] heeft uroloog Prof. Dr. T.A. Boon van het UMC Utrecht op 23 juli 2001 op basis van de hem toen bekende, van de zijde van [eiser1] verstrekte, gegevens geconcludeerd: "(...…) Ad 3. Ik ben van mening dat de maatstaven welke aan een huisarts moeten worden aangelegd bij het uitvoeren van een vasectomie niet verschillen van die van een uroloog. Dit betekent een voorlichtingsfolder en aantekeningen in de kaart van de reden van sterilisatieverzoek. De folder dient o.a. kort iets weer te geven over de gebruikte sterilisatiemethode en de noodzaak van en controle op steriliteit na de ingreep.

Ad 4. Ik ben van mening dat in deze casus gesproken dient te worden van een medische beroepsfout waarbij ten aanzien van de nacontrole niet is voldaan aan de vereiste zorgvuldigheidsnormen. (…...)"

2.9 Nadat de verzekeraar van de huisarts, VVAA, bij brieven van 12 september 2001 en 17 oktober 2001 haar visie had duidelijk gemaakt en nadere stukken had doen toesturen, heeft uroloog Boon een tweede rapport opgesteld op 14 januari 2002 met als conclusie c.q. nieuwe beoordeling: "Een huisarts, met ervaring in kleine chirurgische ingrepen, waar onder vasectomie, verricht een vasectomie bij de heer [eiser1]. Er is een voorlichtingstabel (?) en er is een behandelprotocol. Bij behandeling wordt van dit protocol afgeweken, maar dit hoeft persé niet te leiden tot een complicatie. Betreffende cliënt is van controle van de zaadvloeistof na vasectomie op de hoogte en levert twee keer zaad voor analyse in. Ook na de tweede analyse zijn er nog teveel zaadcellen in het prostaatvocht aanwezig. Alhoewel niet gedocumenteerd wordt cliënt geadviseerd een derde monster in te leveren. Dit vindt niet plaats. Cliënt continueert wel anticonceptuele maatregelen tot in augustus 1999. In ± augustus 2000 blijkt er een zwangerschap ontstaan te zijn. In het licht van het bovenstaande wil uw deskundige zijn brief van 23-07-2001 nuanceren.

Wanneer de nieuwe feiten ten aanzien van nacontrole op waarheid berusten dient de conclusie ad 4 van mijn brief d.d. 23-07-2001 gewijzigd te worden in de zin van dat er in deze casus niet gesproken kan worden van een medische beroepsfout vanwege onvoldoende zorgvuldigheidsnormen ten aanzien van de nacontrole. In dit geval moet wel opgewerkt worden dat de verslaglegging in deze onvoldoende is geweest; met name ontbreekt ook een vraag naar zaadcontrole tijdens een consult vanwege trancheïtis. Wanneer het zinvol geacht wordt ben ik bereid met collega [gedaagde1], maar ook met cliënt, de heer [eiser1], een persoonlijk gesprek te voeren. (…...)"

3. De vordering

3.1 [eisende partijen] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I primair: voor recht zal verklaren dat [gedaagde1] en [gedaagde2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het in de dagvaarding omschreven medisch handelen en uit dien hoofde de schade nader op de te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet zullen moeten vergoeden;

II subsidiair: voor recht zal verklaren dat [gedaagde1] aansprakelijk is voor het in de dagvaarding omschreven medisch handelen ten opzichte van [eiser1] en/of [eiser2] en uit dien hoofde de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet zal moeten vergoeden;

en/of

voor recht zal verklaren dat [gedaagde2] aansprakelijk is voor het in de dagvaarding omschreven medisch handelen ten opzichte van [eiser2] en uit dien hoofde de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet zal moeten vergoeden;

III [gedaagde1] en [gedaagde2] zal veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad EUR 2.490,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2003 tot de dag der algehele voldoening;

IV [gedaagde1] en [gedaagde2] zal veroordelen tot vergoeding van de kosten van de procedure.

3.2 [eisende partijen] legt aan zijn vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag. Door [gedaagde1] is voorafgaand aan de vasectomie onvoldoende informatie / voorlichting gegeven, met name over de kans op mislukking. Bovendien heeft [gedaagde1] onvoldoende zorg besteed ten aanzien van de nacontrole en de voorlichting daarover. [gedaagde1] heeft nimmer de voorlichtingsfolder aan [eisende partijen] verstrekt, hoewel dit op grond van het protocol diende te gebeuren. [gedaagde1] heeft tijdens de tweede spermacontrole aan [eisende partijen] niet meegedeeld dat er nog steeds teveel levende zaadcellen aanwezig waren en dat er nog een derde controle moest plaatsvinden. Integendeel, er werd aan [eisende partijen] meegedeeld dat het al wel veilig was. Zelfs al zou de huisarts hebben gezegd dat nog een derde spermaonderzoek dienden plaats te hebben, had het op de weg van [gedaagde1] gelegen [eiser1] daar bij een volgend consult aan te helpen herinneren, hetgeen [gedaagde1] niet heeft gedaan. [gedaagde1] dient aan te tonen dat de folder wel aan hem zou zijn uitgereikt nu dit niet uit de patiëntenkaart blijkt. Er dient voorts van uit te worden gegaan dat de huisarts niet over een derde zaadcontrole heeft gesproken nu dit ook niet uit de patiëntenkaart blijkt.

Toen [eiser2] in november 1999 last kreeg van bloedingen had [gedaagde2], wetende dat [eiser1] een vasectomie had ondergaan, overleg moeten plegen met [gedaagde1]. Dan had aan het licht moeten komen dat er nog een derde spermacontrole moest plaatsvinden en dan hadden er alsnog maatregelen genomen kunnen worden. Bovendien valt [gedaagde2] te verwijten dat zij niet het vermoeden heeft gekregen van een mogelijke miskraam. [stagiair], toenmalig huisarts in opleiding in de praktijk van [gedaagde1], heeft [eiser2] bij het consult op 18 april 2000 meegedeeld dat de bloeding in november ook heel goed een miskraam kon zijn. [gedaagde2] had [eiser2] direct op 10 november 1999 inwendig moeten onderzoeken.

De hoofdelijke aansprakelijkheid vloeit voort uit het feit dat [gedaagde1] en [gedaagde2], die in de praktijk samenwerken, zowel [eiser1] als [eiser2] behandelden. Door het toerekenbare verwijtbaar handelen van de huisartsen hebben [eiser1] en [eiser2] zowel materiële schade, bestaande uit onder andere de kosten van opvoeding van [naam kind], als immateriële schade geleden. [eisende partijen] heeft buitengerechtelijke kosten moeten maken van in totaal EUR 2.490,05.

4. Het verweer

1.1 [gedaagde1] en [gedaagde2] concluderen dat de rechtbank [eisende partijen] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen met zijn uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na het te wijzen vonnis.

1.2 [gedaagde1] en [gedaagde2] voeren de navolgende verweren aan. Tijdens de twee informatiegesprekken voorafgaand aan de vasectomie heeft [gedaagde1] onder meer de (in beginsel) onomkeerbaarheid van de ingreep besproken en het feit dat een vasectomie nooit 100% zekerheid geeft voor onvruchtbaarheid. Voorts heeft hij erop gewezen dat er na de ingreep spermacontroles moesten plaatsvinden en dat, totdat een controle had uitgewezen dat zich geen zaadcellen meer in het sperma bevonden, aanvullende anticonceptuele maatregelen genomen diende te worden. [gedaagde1] heeft de voorlichtingsfolder meegegeven. Daarmee heeft [gedaagde1] voldaan aan de informatieverplichting.

De uitslag van de tweede spermacontrole is door de assistente tezamen met [gedaagde1] bekeken en is vervolgens telefonisch door de assistente aan [eiser1] doorgegeven. Zij heeft [eiser1] meegedeeld dat hij nog niet steriel was, dat er nogmaals een controle diende plaats te vinden en dat hij naar de uroloog zou worden verwezen indien bij de derde controle nog zaadcellen gezien zouden worden. Dat [eiser1] na een zorgvuldige voorlichting, uitgevoerde vasectomie en controles niet terugkomt voor een derde controle (en eventuele doorverwijzing) komt voor zijn rekening en risico.

[gedaagde2] zou in geval van heftige overtijdbloeding(en) bij [eiser2] direct een inwendig onderzoek hebben verricht, maar daarvan was geen sprake. Een week later heeft [gedaagde2] haar alsnog inwendig onderzocht en geen bijzonderheden geconstateerd. In november 1999 was dus noch subjectief noch objectief sprake van een (vroege) miskraam.

Zelfs al zouden [gedaagde1] en/of [gedaagde2] tekort zijn geschoten, dan nog bestaat er geen causaal verband tussen dit tekortschieten en de opgetreden schade. Dat schade is geleden, wordt betwist en overigens zou die schade al te begroten zijn. De buitengerechtelijke kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu deze niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In het proces-verbaal van comparitie van partijen is abusievelijk opgenomen dat mr. J.A.M. Strens-Meulemeester de comparitie heeft geleid, terwijl mr. K.H.A. Heenk de comparitie heeft geleid.

5.2 Tussen partijen is allereerst in geschil of [gedaagde1] in het kader van een behoorlijke uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst aan [eisende partijen] voorafgaand aan de ingreep voldoende en zorgvuldige informatie heeft gegeven.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:447 van het Burgerlijk Wetboek, hierna BW, licht de hulpverlener de patiënt op duidelijke wijze en desgevraagd schriftelijk in over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt.

5.3 Vast staat dat [gedaagde1] voorafgaand aan de vasectomie tot tweemaal toe met [eiser1] heeft gesproken over de ingreep, de laatste maal in het bijzijn van [eiser2]. Vast staat tevens dat [gedaagde1] [eiser1] tijdens die gesprekken lichamelijk heeft onderzocht en met [eiser1] de vasectomie zelf en de procedure daarom heen heeft besproken. [eiser1] heeft tijdens de comparitie van partijen bovendien verklaard dat tijdens de voorlichtingsgesprekken over nacontrole is gesproken: "Er is tijdens die gesprekken wel gesproken over nacontrole. [gedaagde1] zou mij vertellen aan de hand van die nacontroles wanneer het wel of niet goed was. Dat wisselde ook per persoon." Daarmee staat vast dat [gedaagde1] heeft gewezen op de risico's van een mogelijke zwangerschap ondanks de vasectomie en de noodzaak om nadien het sperma te controleren op levende zaadcellen. [eiser1] was ook doordrongen van de noodzaak tot controle van het sperma; hij heeft immers tot tweemaal toe sperma ter controle ingeleverd. Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat [gedaagde1] de sterilisatie lege artis heeft verricht.

5.4 Partijen verschillen van mening of [gedaagde1] in dat kader de voorlichtingsfolder aan [eiser1] heeft overhandigd. De vraag of [gedaagde1] de voorlichtingsfolder aan [eiser1] en/of zijn echtgenote heeft meegegeven, behoeft echter geen beantwoording. De arts is immers niet verplicht de door hem verstrekte informatie schriftelijk te bevestigen, maar is slechts verplicht de patiënt duidelijk in te lichten. Het enkele feit dat in het protocol is vastgelegd dat goede voorlichting mede geschiedt door middel van een folder, maakt dit niet anders. Slechts indien de patiënt schriftelijke informatie vraagt, dient hij die ook te krijgen. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser1] en/of [eiser2] aan [gedaagde1] heeft verzocht de informatie op schrift te krijgen. Overigens is door [eisende partijen] ook niet gesteld dat als hij de voorlichtingsfolder wel zou hebben ontvangen - en hij dus in zijn visie voldoende en zorgvuldig zou zijn geïnformeerd - hij geen toestemming zou hebben gegeven tot de ingreep. [eisende partijen] wordt in zijn stelling, dat [gedaagde1] niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, dan ook niet gevolgd.

5.5 Vervolgens is tussen partijen in geschil of [gedaagde1] aan zijn zorgplicht heeft voldaan bij de nacontrole. De stelling van [eisende partijen] dat [gedaagde1] hem tijdens de tweede spermacontrole, op 26 april 1999, niet heeft meegedeeld dat er nog steeds teveel levende zaadcellen aanwezig waren en dat nog een derde controle moest plaatsvinden, sterker nog, dat [gedaagde1] hem zou hebben meegedeeld dat alles veilig was, wordt door [gedaagde1] gemotiveerd betwist. Ten tijde van de comparitie van partijen heeft [gedaagde1] verklaard dat het criterium is dat er geen enkele levende zaadcel meer in het sperma mag zitten en dat hij, toen dat tijdens de tweede spermacontrole wel het geval bleek te zijn, aan zijn assistente heeft gevraagd aan [eiser1] door te geven dat het niet goed was, dat er nog een controle moest plaatsvinden en dat als het dan nog niet goed zou zijn, verwijzing naar een uroloog plaats moest vinden. De assistente heeft schriftelijk verklaard dat zij zulks van [gedaagde1] te horen heeft gekregen en dat zij dit telefonisch heeft doorgegeven.

5.6 [eiser2] heeft ten tijde van de comparitie verklaard dat zij de uitslag van de tweede spermacontrole te horen heeft gekregen, maar dat "er zo weinig in zat dat alles veilig was". Vast staat derhalve tussen partijen dat de uitslag van de tweede spermacontrole aan [eiser1] en/of zijn echtgenote is doorgegeven en ook dat die uitslag niet was dat er geen enkele levende zaadcel meer in het sperma voorkwam. Dat [gedaagde1] aan [eisende partijen] zou hebben doorgegeven dat alles veilig was, met andere woorden dat geen voorbehoedsmiddelen meer gebruikt zouden hoeven worden, lijkt onder die omstandigheden weinig aannemelijk. [eisende partijen] heeft echter gesteld dat [gedaagde1] zulks heeft meegedeeld, zodat hij gelet op de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegelaten wordt tot het bewijs van die stelling. Tegelijkertijd wordt [gedaagde1] toegelaten tot het leveren van het bewijs van zijn stelling dat bij de tweede spermacontrole in zijn opdracht door zijn assistente aan [eiser1] dan wel aan [eiser2] is doorgegeven dat er nogmaals controle diende plaats te vinden en dat [eiser1] naar de uroloog zou worden verwezen indien bij de derde spermacontrole nog levende zaadcellen gezien zouden worden. Gestreefd zal worden de beide enquêtes (en contra-enquêtes) op één dag dan wel één dagdeel te laten plaatsvinden.

5.7 [eisende partijen] heeft nog aangevoerd dat ervan uit dient te worden gegaan dat de derde spermacontrole niet aan de orde is gesteld nu hiervan geen melding is gemaakt in het huisartsenjournaal. [gedaagde1] heeft hieromtrent tijdens de comparitie van partijen verklaard dat het niet gebruikelijk is om de uitleg die de assistente geeft daarin te noteren.

5.8 Op grond van het bepaalde in artikel 7:454 lid 1 BW moet de arts aantekening houden van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen, voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de patiënt noodzakelijk is, de zogenaamde dossierplicht. Vast staat dat de uitslag van de beide spermacontroles is opgenomen in het huisartsenjournaal, zodat daarmee voldaan is aan die dossierplicht. Een verderstrekkende verplichting tot het noteren van de uitleg bij de uitslag en de in dat kader verstrekte adviezen volgt immers niet uit die wetsbepaling. Daar komt bij dat ook naar aanleiding van de eerste spermacontrole niet in het journaal is aangetekend dat een tweede spermacontrole was afgesproken. [eiser2] heeft echter verklaard dat destijds wel door de assistente telefonisch was doorgegeven dat de controle nog een keer moest plaatsvinden. Het enkele feit dat niet in het huisartsenjournaal is aangetekend dat een derde spermacontrole is afgesproken is dan ook onvoldoende om ervan uit te gaan dat die derde controle niet aan de orde is geweest.

5.9 [eisende partijen] wordt evenmin gevolgd in zijn stelling dat [gedaagde1] [eiser1] tijdens een volgend consult had behoren te herinneren aan het ondergaan van een derde spermacontrole. Vast staat dat [gedaagde1], die [eiser1] naderhand nog op consult heeft gehad, de derde spermacontrole niet aan de orde heeft gesteld. [eisende partijen] heeft echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de huisarts door het niet aan de orde stellen van de derde spermacontrole de op hem rustende, uit de wet voortvloeiende zorgplicht heeft geschonden of anderszins onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

5.10 Vervolgens is tussen partijen in geschil of [gedaagde2] in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiser2] toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. [eisende partijen] stelt dat [gedaagde2] valt te verwijten dat zij na de vloeiingen van [eiser2] in november 1999 niet het vermoeden heeft gekregen van een mogelijke miskraam, terwijl zij op de hoogte moest zijn van de vasectomie en het niet hebben plaatsvinden van de derde spermacontrole. [gedaagde2] had [eiser2], aldus [eisende partijen], meteen op 10 november 1999 inwendig moeten onderzoeken om een miskraam uit te sluiten. [gedaagde2] heeft die stelling gemotiveerd betwist. Ten tijde van de comparitie van partijen heeft zij verklaard dat inwendig onderzoek niet nodig was omdat het niet ging om een heftige overtijdbloeding. Desalniettemin heeft zij, aldus [gedaagde2], een week later [eiser2] alsnog inwendig onderzocht en toen geen bijzonderheden geconstateerd.

5.11 Tegenover die gemotiveerde betwisting door [gedaagde2] heeft [eisende partijen] zijn stellingen op dit punt niet nader onderbouwd, hetgeen op zijn weg had gelegen. Niet is komen vast te staan dat [eiser2] daadwerkelijk een miskraam had in november 1999. De enkele stelling dat de huisarts in opleiding in de praktijk van [gedaagde1] en [gedaagde2], [stagiair], achteraf zou hebben meegedeeld dat de vloeiingen in november heel goed een miskraam kon zijn geweest, is daartoe onvoldoende. Het feit dat door [gedaagde2] slechts één week later bij het inwendig onderzoek geen bijzonderheden zijn vastgesteld, duidt er juist op dat het waarschijnlijker is dat geen sprake is geweest van een miskraam.

5.12 Voor zover [eisende partijen] betoogt dat [gedaagde2] [eiser2] in november 1999 had behoren te wijzen op de noodzaak van het ondergaan van een derde spermacontrole door haar echtgenoot, dient ook dit betoog verworpen te worden. Nog afgezien van het feit dat [gedaagde2] onbetwist heeft gesteld dat zij niet op de hoogte was van de verrichte vasectomie bij [eiser1], is het de arts op grond van het bepaalde in artikel 7:457 lid 1 BW niet toegestaan zonder toestemming van de patiënt, in dit geval [eiser1], inlichtingen over die patiënt te verstrekken aan anderen. Zelfs al zou [gedaagde2] op de hoogte zijn geweest van de vasectomie en het feit dat [eiser1] niet voor de derde maal zijn sperma had laten controleren, dan was het haar niet toegestaan [eiser2] daaraan te helpen herinneren. Geoordeeld wordt dan ook dat van enig tekortschieten door [gedaagde2] in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiser2] dan wel enig onrechtmatig handelen jegens haar niet is gebleken, zodat de vordering voor zover op [gedaagde2] betrekking hebbend voor afwijzing gereed ligt.

5.13 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank, recht doende,

draagt [eisende partijen] op te bewijzen dat hem tijdens de tweede spermacontrole is medegedeeld dat alles veilig was;

draagt [gedaagde1] op te bewijzen dat bij de tweede spermacontrole in zijn opdracht door zijn assistente aan [eiser1] dan wel aan [eiser2] is doorgegeven dat er nogmaals controle diende plaats te vinden en dat [eiser1] naar de uroloog zou worden verwezen indien bij de derde spermacontrole nog levende zaadcellen gezien zouden worden;

bepaalt dat, zo [eisende partijen] en/of [gedaagde1] het bewijs door middel van getuigen wensen te leveren, vooreerst aan de zijde van [eisende partijen], getuigen zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank, Martinetsingel 2 in Zutphen voor mr. K.H.A. Heenk, hierdoor benoemd tot rechter-commissaris op een nader te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de enquêterol van 26 mei 2004 om partijen in de gelegenheid te stellen opgave te doen van het aantal en de personalia van de te horen getuigen bij (tegen)getuigenverhoor alsmede om de verhinderdata over de periode van juli tot oktober 2004 over te leggen, voor welk overleggen geen uitstel zal worden verleend, derhalve ambtshalve peremptoir;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2004.