Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AO9305

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-04-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
04/470 en 04/424
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwplan heeft betrekking op bouw gebouw voor kinderopvang. Op de betreffende gronden mogen - onder meer - gebouwen worden gebouwd voor scholen. Voorzieningenrechter is van oordeel dat kinderopvang niet kan worden gelijkgesteld met 'school'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nrs.: 04/470 en 04/424

UITSPRAAK

op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de geschillen tussen:

[verzoeker] en [mede-verzoekers], wonende te Doetinchem, verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder, alsmede Stichting Yunio, gevestigd te Terborg, derde-partij.

1. Bestreden besluiten

a. Besluit van verweerder van 6 februari 2004, waarbij aan de derde-partij vergunning is verleend voor de bouw van een gebouw voor kinderopvang aan de Ds. Van Dijkweg 49 te Doetinchem (reg.nr.: 04/470);

b. Besluit van verweerder van 23 februari 2004, waarbij aan de Ds. Van Dijkschool vergunning is verleend voor het kappen van vier esdoorns, een sierkers, een prunus en een conifeer bij het pand Ds. Van Dijkweg 49 te Doetinchem (reg.nr.: 04/424).

2. Procesverloop

Namens verzoekers heeft mr. E.M. Vos, advocaat te Nijmegen, bij afzonderlijke brieven van 18 maart 2004 bezwaarschriften bij verweerder ingediend tegen voormelde besluiten.

Bij brieven van 18 maart 2004 en 29 maart 2004 is verzocht om voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 22 april 2004, waar [verzoeker] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Vos voornoemd. Verweerder werd vertegenwoordigd door K.G.M. van Aken, J.S. Buiting en J.W. Thomassen. Namens de derde-partij was aanwezig M. Melsert, bijgestaan door mr. N. Stommels, advocaat te Nijmegen.

3. Motivering

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2. Bouwvergunning.

3.2.1. Verzoekers zijn van mening dat het bouwplan om diverse redenen in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Voorts zijn zij van mening dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

3.2.2. Ingevolge het vigerende bestemmingsplan "'t Loo 1973" hebben de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Bebouwing voor openbare en bijzondere doeleinden en bijbehorende terreinen".

Volgens artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor kerken, scholen, verenigingsgebouwen en kantoren met de daarvoor nodige bouwwerken, waaronder dienstwoningen en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen.

3.2.3. Verzoekers hebben aangevoerd dat een gebruik ten behoeve van kinderopvang in strijd is met de bestemming, zoals nader omschreven in artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften.

Verweerder heeft er op gewezen dat het begrip "school" in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan niet nader is omschreven en dat hij een brede uitleg aan het begrip "school" geeft. Hij heeft in dit verband gesteld: "Bij een basisschool of middelbare school ligt de nadruk op het overbrengen van informatie, en daarnaast de persoonlijkheidsvorming van de kinderen. Bij kinderopvang ligt het accent op opvoedkundige en verzorgende aspecten en daarnaast op het spelenderwijs overbrengen van informatie. Als we de visuele uitstraling en ruimtelijke effecten van de kinderopvang vergelijken met die van een basisschool of middelbare school, zien we dat deze overeenkomstig zijn. Om deze redenen oordelen wij dat het beoogde bouwplan qua functie overeenkomstig de bedoelde bestemming is."

De derde-partij heeft aangevoerd dat kinderopvang ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan nog geen issue was en dat, gelet op de in artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften gegeven opsomming, kinderopvang daar goed bij past. De derde-partij ondersteunt verweerders ruime uitleg van het begrip "school". Voorts heeft de derde-partij verwezen naar een drietal rechterlijke uitspraken.

3.2.4. De voorzieningenrechter is voorshands met verzoekers van oordeel dat een gebruik ten behoeve van kinderopvang niet past binnen de geldende bestemming.

Voorop moet worden gesteld dat artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften een limitatieve opsomming geeft van toegestane bebouwing en dat daarbij gebouwen ten behoeve van kinderopvang niet zijn vermeld. Deze opsomming betreft geen algemene categorie-omschrijvingen doch specifiek aangeduide categorieën (kerken, scholen, e.d.).

Nu het bestemmingsplan geen definitie bevat van het begrip "school" en niet is gebleken dat de planwetgever op andere wijze duidelijkheid heeft geboden over zijn uitleg van dat begrip, dient te worden aangesloten bij de betekenis daarvan in het normale spraakgebruik. Naar voorlopig oordeel wordt kinderopvang in het normale spraakgebruik niet als een vorm van

onderwijs beschouwd en dan ook niet met de term "school" aangeduid. Dat aan kinderopvang ook educatieve aspecten verbonden kunnen zijn, maakt dit niet anders.

3.2.5. De verwijzingen door de derde-partij naar drie voorbeelden uit de jurisprudentie leiden niet tot een ander oordeel. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat het door de gemachtigde van de derde-partij aangehaalde citaat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 april 2003 (BR 2003/969) geen oordeel betreft van de Afdeling, doch louter de weergave van een standpunt van de appellant in die zaak.

3.2.6. Gelet op het vorenoverwogene is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. Bij de beslissing op bezwaar zal verweerder het bestreden besluit niet zonder meer kunnen handhaven. Slechts na planherziening of verlening van vrijstelling zal opnieuw bouwvergunning verleend kunnen.

worden. Aangezien thans ongewis is wat de uitkomst van een herzienings- dan wel vrijstellingsprocedure zal zijn, is er voldoende aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

3.2.7. Met het oog op verweerders verdere besluitvorming merkt de voorzieningenrechter op dat hij nog niet overtuigd is geraakt van de juistheid van verweerders opvatting van de wijze waarop de maximaal te bebouwen oppervlakte dient te worden berekend. Het standpunt van verzoekers dat de planwetgever het maximale percentage heeft willen relateren aan het

gearceerde gedeelte op de plankaart (het bouwvlak), is alleszins verdedigbaar te achten.

3.2.8. Voorts wijst de voorzieningenrechter er nog op dat, anders dan het door verzoekers overgelegde tegenadvies, de zich onder de gedingstukken bevindende adviezen van de welstandscommissie van 19 juli 2001 en 28 augustus 2003 geen beoordeling bevatten van de relatie tussen de geplande nieuwbouw en de omgeving van het terrein.

3.2.9. Hetgeen overigens is aangevoerd kan thans onbesproken blijven.

3.3. Kapvergunning.

3.3.1. Aangezien verweerder de kapvergunning heeft verleend uitsluitend met het oog op de realisatie van het onderhavige bouwplan, is er reeds in de schorsing van de bouwvergunning voldoende aanleiding gelegen om tevens het besluit tot verlening van kapvergunning te schorsen.

3.4. Er zijn termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van verleende rechtsbijstand 3 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank,

recht doende:

- schorst het besluit van 6 februari 2004 tot verlening van bouwvergunning aan de derde-partij tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- schorst het besluit van 23 februari 2004 tot verlening van kapvergunning aan de Ds. Van Dijkschool tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verweerders gemeente het betaalde griffierecht van totaal EUR€ 272,-- aan verzoekers vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van €EUR 966,-- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door verweerders gemeente.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.