Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AO9280

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
36847 / HA ZA 00-1272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Reïntegratie en resterende verdiencapaciteit.

Indien na het reïntegratietraject mocht blijken dat [eisende partij] ondanks voldoende inspanningen van zijn kant niet in staat is de resterende verdiencapaciteit geheel of gedeeltelijk te realiseren, zal dit voor risico van Sterpolis worden gebracht. Dit betekent dat de resterende verdiencapaciteit -voor zover niet gerealiseerd- bij het bepalen van het verlies van verdienvermogen niet ten nadele van [eisende partij] in aanmerking zal worden genomen. Indien [eisende partij] tijdens het reïntegratietraject niet de inzet toont die redelijkerwijs van hem verwacht mag worden, zal de resterende verdiencapaciteit wel ten nadele van [eisende partij] in de berekening kunnen worden meegenomen. Sterpolis zal te zijner tijd, zo dit aan de orde komt, worden belast met het bewijs dat [eisende partij] zich niet voldoende heeft ingespannen tijdens het reïntegratietraject. Een goede verslaglegging van het reïntegratietraject is derhalve van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 36847 / HA ZA 00-1272

Uitspraak : 12 mei 2004

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

[eisende partij],

wonende te [adres],

eisende partij,

procureur: mr. J.H. van den Sigtenhorst,

advocaat: mr. J.F. Heerze,

en

de naamloze vennootschap

STERPOLIS SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde partij,

procureur: mr. E.G.M. Wiggers.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eisende partij] en Sterpolis.

1. Het verdere verloop van de procedure

Dit verdere verloop blijkt uit:

­ het vonnis van 20 augustus 2003

­ de akte van de zijde [eisende partij], houdende vermeerdering eis, tevens inbrenging producties

­ de akte uitlating wijziging eis

­ de antwoordakte van de zijde van Sterpolis.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1 Overgenomen en volhard wordt bij hetgeen in voornoemd vonnis is overwogen.

2.2 Nu Sterpolis zich omtrent de vermeerdering van eis refereert aan het oordeel van de rechtbank, zal op de vermeerderde eis worden recht gedaan.

2.3 Bij voormeld tussenvonnis is [eisende partij] verzocht zich op een aantal punten nader uit te laten.

Verlies van verdienvermogen

2.4 In rechtsoverweging 2.11 is geoordeeld dat van [eisende partij] in redelijkheid kan worden gevergd dat hij zich laat omscholen en na omscholing ander werk aanvaardt. In verband met de reïntegratie diende hij zich uit te laten over de mogelijkheden die de Wet REA in dit kader zou kunnen bieden. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat van hem niet langer gevergd kan worden dat hij zich onderwerpt aan reïntegratie een vooraankondiging van de herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO overgelegd, samen met het arbeidsdeskundige rapport d.d. 10 november 2003. De rechtbank heeft evenwel op dit punt een bindende eindbeslissing gegeven. Bovendien ziet [eisende partij] over het hoofd dat een herbeoordeling in het kader van de WAO niet kan afdoen aan de conclusies die de rechtbank heeft verbonden aan het deskundigenrapport van Lanting, zodat dit het uitgangspunt dient te zijn voor de verplichting van [eisende partij] om zich in te spannen voor reïntegratie. Wel lijkt de kans dat het UWV positief zal beslissen op de vraag of [eisende partij] in aanmerking komt voor de subsidiemogelijkheden die de Wet REA biedt, uiterst klein, nu zij in de herbeoordeling d.d. 10 november 2003 heeft opgenomen: "Op grond van uw thans uiterst marginale belastbaarheid is de inzet van arbeidstoeleiding/ reïntegratie evenmin een reële optie." Derhalve zal, mede teneinde verdere vertraging in de reïntegratie van [eisende partij] te voorkomen, van een verder onderzoek naar mogelijkheden op grond van de Wet Rea worden afgezien. Nu het aan de verzekerde van Sterpolis is te wijten dat [eisende partij] in de situatie terecht is gekomen dat hij zal moeten omscholen en reïntegreren, mag van Sterpolis gevraagd worden dat zij haar aanbod inzake hulp van een arbeidsdeskundige en/of reïntegrator van Terzet gestand zal doen.

2.5 Omtrent het reïntegratietraject overweegt de rechtbank als volgt. Lanting heeft geoordeeld dat reïntegratie een periode van 1 tot maximaal 2 jaar zal vergen, nog afgezien van de persoonlijke belemmeringen van betrokkene. Lanting heeft aangegeven dat de termijn waarop kan worden begonnen niet is aan te geven, zolang betrokkene zichzelf nauwelijks meer een betaalde baan ziet verrichten. Tot nu toe werd [eisende partij] gesteund in zijn stelling dat hij niet meer tot betaalde arbeid in staat is/was door de (her)beoordelingen in het kader van de WAO. Inmiddels heeft het deskundigenrapport van Lanting uitgewezen dat er sprake is van resterende verdiencapaciteit. Aan [eisende partij] zal een periode worden gegund om aan dit nieuwe uitgangspunt te wennen en vervolgens zijn omscholing en reïntegratie ter hand te nemen. In redelijkheid mag van [eisende partij] worden verwacht dat het reïntegratietraject uiterlijk 1 oktober 2004 een aanvang neemt. Gezien de problematiek wordt de duur bepaald op een termijn van 2 jaar. De kosten van de reïntegratie komen voor rekening van Sterpolis. Voor zover er tijdens de periode van reïntegratie verlies van verdienvermogen is, komt dit voor rekening van Sterpolis. De stelling van Sterpolis dat [eisende partij] allang in staat moet worden geacht zelfstandig loonvormende werkzaamheden te verrichten, worden weersproken door de conclusie van Lanting waar hij aangeeft dat betrokkene op dit moment een afstand heeft tot de arbeidsmarkt en niet goed bemiddelbaar is voor passende functies.

2.6 Het voorgaande brengt mee dat bij het bepalen van het inkomen met ongeval tot de datum dat het reïntegratietraject is afgesloten, de resterende verdiencapaciteit te behalen met omscholing en reïntegratie buiten beschouwing kan worden gelaten. Het feitelijk ontvangen inkomen in die periode zal uitgangspunt bij de berekening van het verlies verdienvermogen moeten zijn. Met de in het tussenvonnis d.d. 20 augustus 2003 vastgelegde uitgangspunten kan de reeds geleden en de te lijden schade inzake verlies van verdiencapaciteit worden berekend tot het moment dat het reïntegratietraject ten einde zal zijn.

2.7 Met betrekking tot de situatie na het reïntegratietraject heeft het volgende te gelden. Indien na het reïntegratietraject mocht blijken dat [eisende partij] ondanks voldoende inspanningen van zijn kant niet in staat is de resterende verdiencapaciteit geheel of gedeeltelijk te realiseren, zal dit voor risico van Sterpolis worden gebracht. Dit betekent dat de resterende verdiencapaciteit -voor zover niet gerealiseerd- bij het bepalen van het verlies van verdienvermogen niet ten nadele van [eisende partij] in aanmerking zal worden genomen. Indien [eisende partij] tijdens het reïntegratietraject niet de inzet toont die redelijkerwijs van hem verwacht mag worden, zal de resterende verdiencapaciteit wel ten nadele van [eisende partij] in de berekening kunnen worden meegenomen. Sterpolis zal te zijner tijd, zo dit aan de orde komt, worden belast met het bewijs dat [eisende partij] zich niet voldoende heeft ingespannen tijdens het reïntegratietraject. Een goede verslaglegging van het reïntegratietraject is derhalve van belang.

Overwerk

2.8 Met zijn stelling dat in de procedure uitgegaan dient te worden van een 5,34 uur overwerk per week, miskent [eisende partij] dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.16 in het tussenvonnis van 20 augustus 2003 heeft geoordeeld dat op [eisende partij] bewijs van zijn stelling rust. Dit bewijs zal [eisende partij] nog moeten bijbrengen. Vooralsnog zal [eisende partij] in de gelegenheid worden gesteld om bij een akte een verklaring van zijn laatste werkgever over te leggen waaruit blijkt dat sinds april 1995 in het bedrijf op dezelfde wijze als voorheen gebruik is gemaakt van overuren en dat zich dat tot op heden heeft voortgezet.

Naar aanleiding van rechtsoverweging 2.16 van voornoemd tussenvonnis heeft Sterpolis de stelling verdedigd dat uitgegaan moet worden van 5,34 uur overwerk per maand. Door de stellingen van Sterpolis in de conclusie van antwoord over dit punt is er een misverstand ontstaan over de vraag of het gaat om het aantal overuren per week of per maand. Dit aantal overuren is gebaseerd op het door Lanting opgestelde schema van gewerkte overuren in het rapport d.d. 21 mei 1999. Hieruit blijkt dat het gaat om in totaal 186,75 overuren in 35 weken. Het aantal overuren is derhalve vastgesteld op gemiddeld 5,34 uur per week. Het is in strijd met de tussen partijen in acht te nemen redelijkheid in het processuele debat dat Sterpolis 'gebruik' probeert te maken van een kennelijke verschrijving die ze zelf in de hand heeft gewerkt en waar [eisende partij] terecht de vinger op legt.

Huishoudelijke hulp

2.9 Over de behoefte aan huishoudelijke hulp is een bindende eindbeslissing gegeven in het tussenvonnis van 20 augustus 2003, zodat het verweer van Sterpolis dat de inzet van de alfahulp niet in causaal verband met het ongeval staat, als niet meer relevant zal worden gepasseerd. [eisende partij] mocht zich uitlaten over het verweer van Sterpolis dat de kosten van de alfahulp via het regresrecht al voor haar rekening komen. Daarop heeft [eisende partij] gesteld dat hij de eigen bijdrage vordert die te zijnen laste komt. Hiertegen heeft Sterpolis geen gemotiveerd verweer gevoerd, zodat de eigen bijdrage ad €EUR 11,80 per uur voor vergoeding in aanmerking komt. Hierbij dient wel te worden aangetekend dat op basis van het rapport van Lanting de behoefte aan huishoudelijke hulp is vastgesteld op 0,6 uur, zodat slechts gerelateerd aan deze omvang de eigen bijdrage voor vergoeding in aanmerking komt. De bij vermeerdering van eis gevorderde kosten van aanschaf en aanleg van een afwasmachine zullen worden afgewezen. Terecht voert Sterpolis aan dat niet valt in te zien dat alleen [eisende partij] de afwas zou kunnen doen en niet de andere gezinsleden.

Gemiste zelfwerkzaamheid

2.10 De rechtbank heeft op basis van het deskundigenbericht geoordeeld dat als uitgangspunt voor de zelfwerkzaamheid 30 uren voor onderhoudswerk in en om huis, 125 uren voor tuinieren en 30 uren voor schilderen/witten/beitsen op jaarbasis in aanmerking genomen kunnen worden. Omdat [eisende partij] slechts een begroting van de schilderwerkzaamheden had overgelegd, werd hij in de gelegenheid gesteld de door hem gestelde werkzaamheden door een derde nader te specificeren.

Tuinieren

2.11 Voor tuinieren geldt dat 125 uren in aanmerking komen voor vergoeding. Ten bewijze van de daarvoor betaalde bedragen heeft [eisende partij], naast een schriftelijke verklaring van [betrokkene1], een afschrift van het bureau heffingen overgelegd waaruit blijkt dat [betrokkene1] gebruiker van de grond is, die in eigendom toebehoort aan de maatschap [eisende partij] en [eisende partij/betrokkene1]. De door [betrokkene1] verschuldigde pachtsom wordt volgens [eisende partij] verrekend met het bedrag dat hij inzake tuinwerkzaamheden aan [betrokkene1] is verschuldigd. Uit de overgelegde productie blijkt niet dat het recht op gebruik van de grond is gebaseerd op een pachtovereenkomst en evenmin de hoogte van de pachtsom zoals door [eisende partij] gesteld en door Sterpolis wordt betwist. Nu evenwel het voor het aantal uren in aanmerking genomen bedrag van in totaal €EUR 625,00 de rechtbank alleszins redelijk voorkomt en wel vaststaat dat [betrokkene1] de grond in gebruik heeft, acht de rechtbank dit deel van de vordering voldoende onderbouwd. Dat [betrokkene1] op 1 januari 2005 gezien de leeftijd stopt met de tuinwerkzaamheden is voldoende aannemelijk.

De argumenten van Sterpolis dat [eisende partij] zijn gazons had kunnen betegelen in het kader van zijn schadebeperkingsverplichting en dat ook van de andere huisgenoten verwacht mag worden dat zij grasmaaien, zijn na de bindende eindbeslissing van de rechtbank over het in aanmerking te nemen aantal uren voor tuinieren niet relevant meer. Ze zullen derhalve worden gepasseerd.

De overgelegde facturen inzake tuinwerkzaamheden in 2000 en 2001 van v.o.f. G.J. Olden ten bedrage van NLG 4.603,00 en NLG 3.988,00 onderbouwen de vordering van [eisende partij] voldoende. Nu de in rekening gebrachte bedragen gerelateerd aan het in aanmerking te nemen aantal uren van 125 resulteren in een uurloon van NLG 36,82 en NLG 31,90 komt deze vordering niet bovenmatig voor. De door [eisende partij] gestelde kosten voor tuinwerkzaamheden op basis van de door Olden opgestelde begroting ten bedrage van NLG 5.945,50 berekend naar het prijspeil van 2001, dienen niet als uitgangspunt te worden genomen voor de kapitalisatie van deze schadepost. Nu inmiddels de concrete schade ten aanzien van de tuinwerkzaamheden bekend is in twee opeenvolgende jaren zal de jaarschade ten aanzien van deze post ex aequo et bono worden vastgesteld opEUR€ 2.000,00, naar het prijspeil van 2001.

2.12 Wat betreft de aanschaf van een tweedehands zitmaaier door [eisende partij] heeft het volgende te gelden. In het deskundigenrapport van Lanting is de behoefte aan uren voor tuinieren bepaald aan de hand van de feitelijke uitvoering van die werkzaamheden op dat moment. Er is uitgegaan van een aantal uren grasmaaien met de maaier die [eisende partij] toen ter beschikking had. Indien [eisende partij] vervolgens de keuze maakt om ter vermindering van het aantal uren maaien een duurdere maaier te kopen dan hij tot dan toe had, komt deze keuze geheel voor eigen rekening. Dit is mede gerechtvaardigd omdat door het mindere aantal uren dat hij nu voor door derde te verrichten arbeid nodig heeft in vergelijking met het aantal uren met de oude grasmachine, dit bedrag vrijkomt om de meerkosten van de zitmaaier te dekken. Vergoeding van deze kosten zal derhalve worden afgewezen.

Onderhoudswerkzaamheden in en om huis

In totaal is in het rapport van Lanting de behoefte voor deze werkzaamheden op jaarbasis vastgesteld op 60 uren. De rechtbank heeft dit uitgangspunt overgenomen. Met betrekking tot de reeds geleden schade heeft [eisende partij] een schriftelijke verklaring van [betrokkene2] overgelegd, waarin deze verklaart dat hij vanaf datum ongeval tot heden op jaarbasis minimaal ongeveer 84 uur werkzaamheden verricht voor [eisende partij] voor een bedrag van €EUR 4,55 per uur. Ten bewijze van de door [betrokkene2] uitgevoerde werkzaamheden heeft [eisende partij], behalve de eerder genoemde schriftelijke verklaring, nota's overgelegd van de voor deze werkzaamheden benodigde materialen. Hiermee acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat door [betrokkene2] werkzaamheden in dit kader zijn uitgevoerd. Daarnaast heeft [eisende partij] nota's overgelegd inzake buitenschilderwerk, loodgieterswerkzaamheden, ongediertebestrijding en een opdrachtbevestiging inzake keukenmontage. Met deze nota's acht de rechtbank de vordering voldoende gespecificeerd.

Voor de jaren na het ongeval kan de schade als volgt worden berekend. Voor de jaren dat er rekeningen zijn overgelegd van deze werkzaamheden zal het op deze rekeningen vermelde aantal uren in aanmerking genomen worden met het daarvoor in rekening gebrachte tarief. Dit aantal uren wordt in mindering gebracht op het totaal van 60 uren. Mochten er dan nog uren voor het betreffende jaar resteren, dan worden deze toegerekend aan de werkzaamheden die [betrokkene2] heeft uitgevoerd. Voor 2003 impliceert dit een vergoeding van 47 uur conform rekening van [betrokkene3] voor een bedrag van €EUR 1.843,34 inclusief 6% BTW, en 13 uur '[betrokkene2]' ten bedrage van EUR€ 59,15. Aan de hand van deze systematiek kunnen partijen de reeds geleden schade berekenen, waarbij het aantal uren voor de ongediertebestrijding, waarvan de kosten op zich voldoende aannemelijk zijn geworden, nog vastgesteld dient te worden.

Wat betreft de toekomstige schade heeft [eisende partij] gesteld dat het uurtarief gesteld moet worden op €EUR 25,00, hetgeen volgens Sterpolis buitensporig hoog is. De stelling van [eisende partij] dat ervan moet worden uitgegaan dat per 1 januari 2005 [betrokkene2] niet meer bereid zou zijn om de bedoelde werkzaamheden te verrichten, kan niet worden afgeleid uit de overgelegde verklaring van [betrokkene2]. Wel blijkt uit deze verklaring dat het overeengekomen uurtarief samenhangt met de omstandigheid dat [eisende partij] moet rondkomen van een uitkering. Op zichzelf is het uurtarief van [betrokkene2] als laag aan te merken en de omstandigheid dat op Sterpolis de verplichting rust om 60 uur te vergoeden voor deze werkzaamheden zou kunnen betekenen dat het overeengekomen uurtarief bijstelling behoeft. Daarnaast is uit de kosten van de afgelopen jaren gebleken dat de werkzaamheden deels tegen een commercieel tarief en deels tegen een voordelig tarief zijn uitgevoerd. Een en ander afwegend zal de rechtbank het uurtarief voor onderhavige werkzaamheden ex aequo et bono vaststellen op €EUR 22,50.

Reiskosten

2.13 Met betrekking tot de reiskosten voor de WAO heeft het volgende te gelden. De reden dat [eisende partij] een beroep heeft gedaan op de WAO houdt rechtstreeks verband met het hem overkomen ongeval, waarvoor de verzekerde van Sterpolis aansprakelijk is. In die zin staan de reiskosten niet in een zo verwijderd verband met het schadevoorval dat zij gezien de aard van de schade en de aard van de aansprakelijkheid niet kunnen worden toegerekend als een gevolg van dit schadevoorval.

Daarnaast geldt dat, indien [eisende partij] geen gebruik zou maken van de wettelijke mogelijkheden die de WAO biedt, de schade die Sterpolis rechtstreeks aan [eisende partij] zou moeten voldoen wellicht hoger zou zijn. Door een beroep te doen op de WAO wordt een deel van de schade inzake verlies van verdienvermogen via de sociale verzekeringswetgeving gecompenseerd. Gesteld noch gebleken is dat het in artikel 90 WAO opgenomen regresrecht niet is afgekocht krachtens het Convenant, hetgeen per saldo tot een voordeel voor Sterpolis leidt.

Bij voornoemd tussenvonnis is geoordeeld dat de vordering inzake de parkeerkaart als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen. Dit betekent dat de daarmee samenhangende reiskosten hetzelfde lot treffen. De overige reiskosten komen voor vergoeding in aanmerking.

Aangepaste autostoel

2.14 Uit de stellingen en overgelegde producties van [eisende partij] is af te leiden dat hij ziekenfondsverzekerd is, hetgeen door Sterpolis niet is betwist. Strikt genomen heeft Sterpolis niet betwist dat [eisende partij] mondeling contact heeft gehad met het ziekenfonds en dat hem van die zijde is medegedeeld dat een aangepaste autostoel niet als verstrekking in aanmerking komt. Het enige wat Sterpolis aanvoert naar aanleiding van het gespecificeerde bewijsaanbod van [eisende partij] op dit punt, is dat het bewijsaanbod tardief is en dat [eisende partij] niet aan de opdracht van de rechtbank in rechtsoverweging 2.29 van voornoemd tussenvonnis heeft voldaan. In die rechtsoverweging is evenwel enuntiatief opgesomd op welke wijze [eisende partij] zijn stelling nader zou kunnen onderbouwen. Uitdrukkelijk is niet bedoeld dat dit de enige manier is om de stelling te onderbouwen. [eisende partij] zal in de gelegenheid worden gesteld tot bewijs van zijn stelling in deze. Hiertoe kan hij schriftelijk bewijs overleggen van de gevoerde gersprekken. Slaagt hij in het hem opgedragen bewijs, dan komen de kosten voor de aangepaste autostoel voor vergoeding in aanmerking.

Diverse schadeposten

2.15 Terecht merkt Sterpolis op dat het op de weg van [eisende partij] had gelegen om ter onderbouwing van zijn telefoonkosten de telefoonnota's over te leggen. Het door hem overgelegde schema en de daarin gevolgde systematiek kan op zich worden gevolgd als [eisende partij] alsnog de telefoonnota's overlegt. Hij zal daartoe bij akte in de gelegenheid worden gesteld.

2.16 Gegeven het feit dat het aan [eisende partij] overkomen ongeval zich heeft voorgedaan op 6 april 1995 en partijen tot op heden in een juridische procedure zijn verwikkeld, die is aangevangen in december 2000, mag aangenomen worden dat met betrekking tot de schadeafwikkeling de door [eisende partij] gestelde brieven zijn geschreven. Op grond van de overgelegde bonnetjes en de gegeven toelichting wordt de vergoeding voor porti, briefpapier en schrijfmiddelen en dergelijke ex aequo et bono vastgesteld op €EUR 150,00.

2.17 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Het voorgaande leidt tot na te melden beslissing.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

draagt [eisende partij] op zich bij akte uit te laten omtrent hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 2.8, 2.14 en 2.15, waartoe de zaak wordt verwezen naar de rol van 23 juni 2004, ambtshalve peremptoir;

bepaalt dat Sterpolis in de gelegenheid zal worden gesteld op deze akte bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2004.