Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AO8934

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-04-2004
Datum publicatie
06-05-2004
Zaaknummer
200213 CV 03-2036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering; loongarantie na reorganisatie; gelijke arbeid gelijk loon.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2004/127 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton

Locatie Zutphen

zaaknummer: 200213 CV 03-2036

vonnis d.d. 27 april 2004

afschrift aan beide partijen d.d.

Vonnis van de kantonrechter te Zutphen in de zaak van:

[eiser],

wonende te Zutphen,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.A.M. van der Zandt, regiojurist bij AbvaKabo te 7400 AM Deventer, postbus 538

tegen:

Koninklijke TPG Post B.V.,

gevestigd, althans zaakdoende te Zutphen,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. O.J. Ingwersen, advocaat te 6800 KA Arnhem, postbus 9220.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] respectievelijk TPG.

1. HET VERDERE PROCESVERLOOP

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 februari 2004;

- het proces-verbaal van comparitie na antwoord van 8 april 2004.

2. DE FEITEN

2.1 [eiser], sinds 15 juni 1970 in dienst van (een rechtsvoorgangster van) TPG, is in 1986 benoemd tot hoofdbesteller met inschaling op niveau 6.

2.2 In 1988 verviel de functie van hoofdbesteller. Bij schrijven van 22 september 1988 heeft PTT Post (rechtsvoorgangster van TPG) onder meer als volgt aan [eiser] bericht:

"Zoals u reeds mondeling is meegedeeld, bent u i.v.m. uw sollicitatie naar de functie van groepsleider in de sector postverkeer als een ongeschikte kandidaat aangemerkt.

Deze kwalificatie is een gevolg van het met u gevoerde selectiegesprek en de relatie tussen uw huidige functioneren en de eisen in de nieuwe taak.

Mede op grond van deze vaststelling in verhouding tot de veranderende bedrijfsvoering acht ik het niet langer verantwoord u te belasten met een leidinggevende functie in de nieuwe organisatie.

U zal derhalve een functie in de uitvoerende dienst worden aangeboden.

Uw rechtspositie ondergaat geen wijziging.

Omtrent de uitvoerende taak zal de chef postverkeer u informeren."

[eiser] was nadien werkzaam als stafmedewerker.

2.3 In 1992 heeft [eiser] de functie van werkbegeleider gekregen, een functie op schaalniveau 4. Bij schrijven van 30 december 1994 heeft PTT Post onder meer als volgt aan [eiser] bericht:

"1) per 1 mei a.s. vervalt uw schaal-4-functie van werk- of procesbegeleider. In de nieuwe organisatievorm wordt de groepsleider ondersteund door een besteller die daarvoor wordt aangewezen en die zich daarmee kan profileren als mogelijke toekomstige groepsleider

2) Indien u op uw huidige salarisnivo (is 6) wilt blijven funktioneren, dan dient u

a) een beoordeling te hebben die de geschiktheid voor dat nivo uitspreekt

b) zich beschikbaar te stellen voor een funktie op dat nivo, waar dan ook bij post

c) te worden aangemeld bij Job Consult.

Wordt voor u binnen twee jaar na de reorganisatie niets gevonden op schaal 6 nivo, dan is overcompleetheid aan de orde, hetgeen kan leiden tot ontslagaanvraag.

Werkt u op dat moment in een formatieve baan, dan geldt als alternatief dat u het schaalnivo van die funktie dient te accepteren.

De SBR is in deze gevallen overigens wel op u van toepassing."

Voorts is aan [eiser] bij deze brief een (alternatief) voorstel gedaan tot loonbevriezing totdat deze het maximum van schaal 4 zou hebben bereikt, terwijl hij zou worden belast met een functie op niveau 3.

2.4 Bij schrijven van 16 maart 1995 heeft PTT Post voornoemde brief van 30 december 1994 ingetrokken. Inmiddels is [eiser] de functie van postbode gaan vervullen.

2.5 In een gesprek van 23 januari 2002 (door PTT Post bij brief van diezelfde datum schriftelijk bevestigd) heeft de vestigingsmanager onder wie [eiser] ressorteert kritiek uitgeoefend op diens functioneren en voorts een salarisaanpassing aangekondigd gelet op het niveauverschil tussen salaris en functie. Bij brief van 17 april 2002 heeft PTT Post [eiser] onder meer als volgt bericht:

"in 1986 bent u benoemd op schaal 6 als hoofdbesteller te Zutphen. Sinds 1992 bent u aangewezen als werkbegeleider op schaal 4, op het bestelkantoor te Zutphen.

Bij de rayonvorming in 1994 zijn uw werkzaamheden als werkbegeleider vervallen. U bent destijds niet in aanmerking gekomen voor een functie op het voor u geldend salarisniveau. U bent bij de rayonvorming geplaatst op een functie van postbode, schaal 2/3.

Bij uw herplaatsing als werkbegeleider en tijdens de rayonvorming is verzuimd met u afspraken te maken over de gevolgen voor uw salarisniveau en u aan te melden als overcompleet.

Tot op heden ontvangt u het salaris van schaal 6 ondanks het feit dat u werkzaamheden verricht als postbode op het niveau van schaal 2/3. Tussen het aan u betaalde salarisniveau en uw huidige functie zit een, voor mij, onoverkoombare discrepantie.

Ik ben dan ook voornemens om, te rekenen vanaf 1 mei 2002, uw huidige salarisniveau in 4 jaar in stappen van 25% af te bouwen naar het salaris van schaal 4.

U zult niet worden aangemerkt als overcompleet.

De afbouw zal als bijzondere toelage aan u worden uitgekeerd.

Ik benoem u met ingang van 1 mei 2002 op schaal 4."

2.6 Conform de concernregeling klachtenprocedure heeft [eiser] op 10 juli 2002 een klacht ingediend tegen voormeld besluit. Op 5 september 2002 heeft de klachtencommissie geadviseerd de klacht ongegrond te verklaren, hetgeen TPG heeft gedaan bij schrijven van 19 december 2002.

3. DE VERDERE BEOORDELING

3.1 [eiser] vordert veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van TPG tot overkorte salarisbetaling op schaal 6 sedert 1 mei 2002, alsmede de wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [eiser] legt daaraan ten grondslag (samengevat) de vastgestelde feiten, de stelling dat een eventueel verzuim tot salarisaanpassing inmiddel is verjaard alsmede de stelling dat het besluit tot salarisaanpassing in strijd is met goed werkgeverschap, te meer nu bij TPG meer gevallen van te hoge betaling (in verhouding tot het werkniveau) voorkomen. Op het verweer van TPG wordt zo nodig in het navolgende ingegaan.

3.2 Het beroep op verjaring zijdens [eiser] faalt, reeds omdat in casu geen sprake is van een verbintenis en a fortiori nu geen sprake is van terugwerkende kracht.

3.3 TPG heeft zich met name beroepen op het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid, subsidiair op de redelijkheid en billijkheid, een en ander mede gelet op de precedentwerking.

3.4 Voorzover [eiser] zich beroept op de salarisgarantie uit 1988 verliest hij ten onrechte uit het oog dat deze weliswaar ongeclausuleerd was, maar naar zijn aard niet gold ongeacht toekomstige ontwikkelingen, doch - met name - slechts voor de periode dat [eiser] de hem destijds toe te bedelen functie zou blijven uitoefenen. Toen die functie verviel ontstond dan ook een nieuwe situatie. Uit het feit dat PTT Post het voorstel tot salarisaanpassing introk volgt weliswaar dat [eiser] recht behield op het bij schaal 6 behorende salaris, maar niet dat dit salaris hem weer voor de toekomst gegarandeerd werd, nog minder dat hij daarvan verzekerd kon zijn als hem later weer een andere functie zou worden aangeboden.

3.5 Het (algemene) beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid berust niet op wet of verdrag. De vraag of een eenzijdige salarisaanpassing op basis van dat beginsel door de beugel kan dient dan ook te worden beantwoord naar de maatstaf van goed werkgeverschap, waarnaast voor toetsing aan de redelijkheid en billijkheid geen plaats is, zodat de kantonrechter het primaire en het subsidiaire verweer als onlosmakelijk met elkaar verbonden ziet.

3.6 [eiser] heeft (pas) ter zitting gesteld dat in 1994 of 1995 zijn toenmalige chef hem heeft gezegd dat het aanvaarden van de functie van postbode voor hem geen risico's inhield. TPG heeft dit betwist bij gebrek aan wetenschap, terwijl [eiser] geen bewijs heeft bijgebracht of gespecificeerd heeft aangeboden. Nu de kantonrechter, mede gelet op de vaagheid van de stelling van [eiser], geen termen aanwezig acht om hem ambtshalve bewijs op te dragen, moet er van worden uitgegaan dat aan [eiser] in of na 1994 geen salaristoezeggingen zijn gedaan.

3.7 Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer nimmer overcompleet is verklaard in de zin van artikel 7 van de Sociale Begeleidingsregeling Koninklijke PTT Nederland NV (hierna: SBR). Bijgevolg is hoofdstuk 3 van die regeling en met name artikel 13 in dit geval niet van toepassing.

3.8 Het enkele feit dat TPG [eiser] jarenlang boven zijn functieniveau heeft betaald en (volgens TPG: ten onrechte) niet eerder een salarisaanpassing heeft doorgevoerd, betekent niet dat TPG dat als goed werkgever nu op geen enkele wijze meer zou kunnen, nu [eiser] door dit "verzuim" niet is benadeeld (integendeel) en het enkele feit van doorbetaling geen rechtens te respecteren verwachtingen schept dat dit in de toekomst ook altijd zo zal blijven. Voorzover sprake is van verkregen rechten hebben die betrekking op salarisbetalingen voor 1 mei 2002. Wel kan een langdurige betaling boven het functieniveau een werkgever noodzaken om na overleg met de werknemer een redelijke afbouwregeling te treffen.

3.9 Tussen partijen is niet in geschil dat de bij de functie van postbode behorende loonschaal is vastgelegd in een Cao c.q. een daarop steunende regeling. Voorts moet het er op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voor worden gehouden dat [eiser] - zoal niet zelf heeft gesolliciteerd naar, dan toch - heeft ingestemd met aanvaarding van de functie van postbode. In zodanig geval van demotie in onderling overleg moet het uitgangspunt zijn dat de werkgever, mede gelet op het beginsel van gelijk loon voor gelijke arbeid en ter voorkoming van onrust binnen het bedrijf, gerechtigd is het met de functie overeenkomende salaris uit te betalen, mits na overleg met de werknemer zo nodig een afbouwregeling wordt getroffen die recht doet aan alle omstandigheden van het geval. Zulks lijdt uiteraard - in verband met het verbod van willekeur - uitzondering indien de werkgever in soortgelijke gevallen een betaling uitgaande boven het functieniveau handhaaft.

3.10 De stelling van [eiser] dat in elk geval één collega-postbode (met een soortgelijke voorgeschiedenis) nog steeds naar schaal 6 betaald wordt, is door TPG erkend. TPG heeft er echter op gewezen dat het hier gaat om een collega die nog slechts twee jaar voor zijn pre-pensioen zit, terwijl [eiser] nog minimaal zes jaar heeft te gaan, zodat - naar de kantonrechter begrijpt - de gevallen niet gelijk zijn. [eiser] heeft ter zitting daartegen aangevoerd dat hij blijkens een aan hem verzonden brief reeds over ruim een jaar met prepensioen kan, hetgeen TPG heeft betwist. Geen der partijen heeft ter zitting omtrent dit laatste geschilpunt opheldering kunnen verschaffen of (bewijs)stukken in het geding kunnen brengen. Bijgevolg moet thans worden beslist als hierna aangegeven.

3. DE BESLISSING

De kantonrechter, recht doende:

laat [eiser] toe tot het bewijs - met alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van geschrifte - van zijn stelling dat hij op grond van zijn arbeidsovereenkomst, althans op grond van hem door zijn werkgeefster gedane toezeggingen, op een termijn korter dan zes jaar na heden recht heeft op pre-pensioen;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 25 mei 2004 te 10.15 uur voor akte zijdens [eiser] en/of opgave getuigen en verhinderdata (beide partijen dienen dan hun verhinderdata in de maanden juni, juli en augustus 2004 schriftelijk op te geven, [eiser] dient op te geven de namen van en het aantal getuigen (incl. personalia) dat hij wenst te doen horen);

bepaalt dat eventuele getuigen op een bij latere beschikking nog nader vast te stellen tijdstip zullen worden gehoord in een der zalen van het gerechtsgebouw te Zutphen, Martinetsingel 2;

bepaalt dat tegen dit tussenvonnis tussentijds hoger beroep open staat;

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. J.A.M. Smulders, kantonrechter te Zutphen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.