Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AO8611

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
58429 / HA ZA 03-1279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsverhouding tussen een creditcardmaatschappij en een kaarthouder is een rekening-courant verhouding. Door creditcardmaatschappij is per abuis een bedrag van EUR€ 252.773,03 als creditpost op de afrekeningen van de kaarthouder geboekt; ongerechtvaardigde verrijking. De vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) kan niet in de rekening-courant worden opgenomen en is ook niet op grond van artikel 6:140 lid 1 BW voor verrekening vatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 58429 / HA ZA 03-1279

Uitspraak : 28 april 2004

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERPAY EUROCARD NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eisende partij,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. J.W. Wagenaar te Utrecht

en

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde partij],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde partijen,

procureur: mr. P.A.J.M. Lodestijn.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Interpay en [gedaagde partij c.s.]

[gedaagde] wordt voor zich aangeduid als [gedaagde]. [gedaagde partij] wordt voor zich aangeduid als [gedaagde partij].

1. Het verdere verloop van de procedure

Dit verdere verloop blijkt uit:

­ het vonnis van 18 februari 2004

­ het proces-verbaal van de op 11 maart 2004 gehouden comparitie van partijen.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op basis van een contractuele relatie tussen Interpay en [gedaagde] heeft [gedaagde] sinds 1993 de beschikking over een KLM Eurocard/MasterCard. Door middel van deze creditcard kan [gedaagde] betalingen verrichten.

2.2 De contractuele relatie tussen Interpay en [gedaagde] wordt beheerst door de Algemene Voorwaarden KLM Eurocard uit december 1998 (hierna: de algemene voorwaarden).

2.3 Artikel 10 van de algemene voorwaarden bepaalt onder andere het volgende:

"Bij gebruik van een geautomatiseerd systeem leveren de door of ten behoeve van EUROCARD NEDERLAND vastgelegde gegevens tussen de kaarthouder en EUROCARD NEDERLAND volledig bewijs op, behoudens het door de kaarthouder te leveren tegenbewijs. (...)."

2.4 Artikel 13 van de algemene voorwaarden bepaalt onder andere:

"EUROCARD NEDERLAND zal alle, volgens de daarop betrekking hebbende regels, vastgelegde transacties voor de kaarthouder voldoen. De kaarthouder ontvangt periodiek een overzicht, waarop de door EUROCARD NEDERLAND voor de kaarthouder betaalde transacties en kosten zijn gespecificeerd. (...…)

Indien de kaarthouder niet binnen één kalendermaand na de op het overzicht vermelde datum reclameert bij EUROCARD NEDERLAND, wordt hij/zij, behoudens aantoonbare overmacht, geacht de op het overzicht vermelde transacties en bedragen te hebben geaccepteerd. (...…)."

2.5 In artikel 14 van de algemene voorwaarden is onder andere vermeld:

"Indien de kaarthouder niet akkoord gaat met de automatische afschrijving van het totaalbedrag op het overzicht, kan hij/zij binnen bancair vastgestelde termijnen aan de financiële instelling, via welke de met de kaart verrichte uitgaven worden geïncasseerd, opdracht geven tot terugboeking. (...) Indien de kaarthouder blijkt ten onrechte van het recht tot terugboeking gebruik te hebben gemaakt, is hij/zij zonder nadere sommatie in gebreke en zal EUROCARD NEDERLAND hem/haar het ten onrechte teruggeboekte bedrag, of het restant daarvan, in rekening brengen, vermeerderd met rente. (...) De hoogte van de rente bedraagt 1,5 % per maand, waarbij een gedeelte van de maand voor vol zal worden gerekend. (...) EUROCARD NEDERLAND is voorts gerechtigd de volledige kosten, inclusief omzetbelasting, zowel in als buiten rechte gemaakt om de vordering op de kaarthouder te innen, op de kaarthouder te verhalen, met inachtneming van een minimum van 15 (vijftien) procent van het openstaande bedrag. (…...)".

1.6 Op 27 november 2000 heeft Interpay een rekeningoverzicht met een totaalbedrag van NLG 557.038,46 (hierna: € EUR 252.773,03) aan [gedaagde] verstuurd. In het rekeningoverzicht zijn de transacties opgenomen die in een voorafgaande periode door Interpay ten laste van de rekening van [gedaagde] zijn verwerkt.

1.7 Op of omstreeks 30 november 2000 is het bedrag van €EUR 252.773,03 ten laste van [gedaagde] geïncasseerd.

1.8 Bij vergissing heeft een medewerker van Interpay op 8 december 2000 het bedrag van EUR€ 252.773,03 als een bankbetaling ten gunste van [gedaagde] aangezien. De medewerker van Interpay heeft het bedrag van €EUR 252.773,03 als creditpost op de afrekeningen van [gedaagde] geboekt, waarmee daarna ontstane vorderingen van Interpay op [gedaagde] tot dit bedrag zijn verrekend.

1.9 De KLM Eurocard/MasterCard van [gedaagde] is op 18 juli 2001 geannuleerd.

1.10 Interpay heeft [gedaagde] bij brief van 5 februari 2003 op de hoogte gesteld van de door Interpay gemaakte administratieve fout en hem verzocht het bedrag van EUR€ 252.773,03 aan Interpay over te maken.

3. De vordering

1.1 Interpay vordert, dat de rechtbank voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde], althans [gedaagde partij] zal veroordelen om aan Interpay een bedrag te betalen van €EUR 252.773,03, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2000 tot en met 11 september 2003 en te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5 % vanaf 12 september 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van EUR 37.915,95 en met veroordeling in de kosten van de procedure.

1.2 Interpay legt aan haar vorderingen de navolgende stellingen ten grondslag.

Hoewel de overeenkomst is gesloten tussen Interpay en [gedaagde] is [gedaagde partij] eveneens gedagvaard, aangezien de rekeningen van Interpay na verloop van tijd door [gedaagde partij] werden betaald en [gedaagde partij] mogelijk contractspartij van Interpay is geworden.

Primair is sprake van wanprestatie. [gedaagde] heeft de terugvordering van Interpay van een bedrag van €EUR 252.773,03, wegens door Interpay betaalde rekeningen aan derden, niet voldaan. Daardoor handelt [gedaagde] in strijd met de algemene voorwaarden. Subsidair is sprake van een onrechtmatige daad aan de zijde van [gedaagde]. [gedaagde] heeft een bedrag van €EUR 252.773,03 op zijn rekening ontvangen en aan Interpay verzwegen dat deze terugbetaling op een misverstand berustte, waardoor [gedaagde] te kwader trouw handelde. Meer subsidiair is sprake van onverschuldigde betaling als bedoeld in artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Nog meer subsidiair is [gedaagde] ten gevolge van de creditering van het bedrag van EUR€ 252.773,03 ongerechtvaardigd verrijkt in de zin van artikel 6:212 BW.

De wettelijke rente gaat in vanaf 8 december 2000 - het moment van betaling - tot en met 11 september 2003. Op 12 september 2003 heeft [gedaagde] de incasso van het bedrag van EUR€ 252.773,03 laten storneren, zodat hij op grond van de algemene voorwaarden vanaf 12 september 2003 de contractuele rente van 1,5 % per maand verschuldigd is.

Op grond van artikel 14 van de algemene voorwaarden is Interpay gerechtigd 15 % van de hoofdsom aan incassokosten te berekenen.

4 Het verweer

4.1 [gedaagde partij c.s.] concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Interpay niet ontvankelijk zal verklaren in haar vordering jegens [gedaagde partij], althans haar deze zal ontzeggen en voorts de vordering van Interpay tegen [gedaagde] zal afwijzen, met veroordeling van Interpay in de kosten van de procedure.

4.2 [gedaagde partij c.s.] voert de navolgende verweren aan.

[gedaagde partij] heeft geen enkele rechtsverhouding met Interpay en is daarom ten onrechte en volstrekt nodeloos in deze procedure gedagvaard.

Er is sprake van een rekening-courant verhouding tussen Interpay en [gedaagde]. Nu partijen artikel 6:140 BW niet uitdrukkelijk hebben uitgesloten, is deze bepaling op de onderhavige overeenkomst van toepassing. Lid 3 van artikel 6:140 BW bepaalt dat indien de wederpartij niet binnen redelijke tijd tegen het ingevolge het vorige lid medegedeelde saldo protesteert, dit saldo tussen partijen geldt als vastgesteld. Op grond van de overeenkomst, alsmede de wettelijke bepalingen is het saldo tussen Interpay en [gedaagde] bindend geworden.

Subsidiair heeft Interpay tal van controlemomenten onbenut gelaten en circa 2,5 jaar laten verstrijken alvorens te reclameren over haar eigen vergissing, waardoor Interpay niet heeft voldaan aan de klachtplicht zoals die is opgenomen in artikel 6:89 BW.

Voor zover Interpay een beroep doet op dwaling, kan dit beroep geen doel treffen omdat een dergelijke dwaling volledig aan Interpay is toe te rekenen en in haar eigen risicosfeer ligt. [gedaagde] heeft vertrouwd op de juistheid van de administratie, het beheer en de incasso van alle creditcardtransacties.

[gedaagde] heeft altijd het tussen partijen vaststaande saldo tijdig en volledig betaald en aan alle verplichtingen uit de overeenkomst voldaan, zodat van wanprestatie geen sprake kan zijn. Gelet op het feit dat de betaling heeft plaatsgehad binnen de systematiek van de overeenkomst, is de vraag of sprake is van onverschuldigde betaling rechtens niet relevant. Ook van een onrechtmatige daad aan de zijde van [gedaagde] is geen sprake. Als er al sprake zou zijn van een verrijking in de zin van de wet dan is deze niet ongerechtvaardigd. Een dergelijke verrijking heeft een rechtmatige oorzaak, te weten de tussen partijen geldende overeenkomst.

[gedaagde] is op geen enkel punt in gebreke bij de naleving van zijn verplichtingen uit hoofde van de onderhavige overeenkomst, zodat de vordering van de rente, uit welke hoofde dan ook, moet worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de buitengerechtelijke incassokosten, die bovendien onredelijk zijn, zowel wat betreft de omvang, als wat betreft de prestatie van het incassobureau.

5 De beoordeling van het geschil

5.1 Aan de orde is de vraag of Interpay ontvankelijk is in haar vordering jegens [gedaagde partij]. Gelet op het feit dat beide partijen aanvoeren dat de overeenkomst is gesloten tussen Interpay en [gedaagde] en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] op enig moment als contractpartij in de plaats van [gedaagde] is getreden of contractpartij naast [gedaagde] is geworden, wordt geoordeeld dat met betrekking tot de onderhavige overeenkomst geen sprake is van een rechtsverhouding tussen Interpay en [gedaagde partij]. Dat [gedaagde partij] vanaf een bepaald moment heeft zorggedragen voor de betaling namens [gedaagde] aan Interpay doet hieraan niet af. Interpay zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering jegens [gedaagde partij].

5.2 Interpay heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen haar grondslag van eis in die zin heeft gewijzigd dat zij thans als primaire grondslag voor de vordering wanprestatie aanvoert. De andere grondslagen heeft zij, naar de rechtbank begrijpt, nevenschikkend gehandhaafd. Dit brengt mee dat de vordering kan slagen, indien op één der aangevoerde gronden geoordeeld wordt dat [gedaagde] het bedrag van €EUR 252.773,03 aan Interpay moet terugbetalen.

5.3 Interpay stelt primair dat sprake is wanprestatie. Interpay voert hiertoe aan dat zij ten onrechte [gedaagde] voor een bedrag van €EUR 252.773,03 heeft gecrediteerd en dat [gedaagde] voor dit bedrag betalingen heeft gedaan - die Interpay namens hem heeft uitgevoerd - die [gedaagde] niet aan Interpay heeft terugbetaald. Verder stelt Interpay dat [gedaagde] ten onrechte tot tweemaal toe de automatische afschrijving van dit bedrag heeft laten storneren. [gedaagde] voert aan dat hij altijd het tussen partijen vaststaande saldo tijdig en volledig heeft betaald en aan alle verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan, zodat het beroep op wanprestatie volstrekt ongegrond is.

Artikel 6:74 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. Uit de stukken blijkt niet dat [gedaagde] tekortgeschoten is in zijn betalingsverplichtingen op grond van zijn overeenkomst met Interpay. Interpay voert zelfs - bij de bespreking van artikel 6:89 BW - aan dat een situatie waarin de schuldenaar wanprestatie heeft gepleegd zich in het onderhavige geval niet voordoet. Interpay heeft zelf ten onrechte een geldbedrag aan van [gedaagde] gecrediteerd, zodat geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde], waarin hetgeen [gedaagde] heeft verricht in enig opzicht ten achter blijft bij hetgeen de verbintenis van hem vergde. Het beroep op wanprestatie treft derhalve geen doel.

5.4 Interpay stelt zich voorts op het standpunt dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt als gevolg van de creditering. [gedaagde] voert aan dat als er al sprake zou zijn van een verrijking deze beslist niet ongerechtvaardigd is, omdat de verrijking een rechtmatige oorzaak heeft, te weten de tussen partijen geldende overeenkomst.

Voor een actie uit ongerechtvaardigde verrijking op grond van artikel 6:212 BW is in de eerste plaats vereist dat, ten koste van een ander, een verrijking heeft plaatsgehad. Onder een verrijking wordt verstaan elke toevoeging aan een vermogen. Nu vaststaat dat [gedaagde] voor een bedrag van €EUR 252.773,03 ten onrechte is gecrediteerd, is het vermogen van [gedaagde] met dit bedrag vermeerderd.

Voorts dient sprake te zijn van een verrijking ten koste van een ander. Tegenover de verrijking van de één staat aldus een verarming van de ander. In casu is [gedaagde] onmiddellijk - zonder tussenkomst van een derde - verrijkt ten koste van Interpay doordat bestanddelen van het vermogen van Interpay daaraan zijn onttrokken en zijn toegevoegd aan het vermogen van [gedaagde]. Interpay heeft hierdoor schade geleden.

Vervolgens dient de verrijking ongerechtvaardigd te zijn. Een verrijking is ongerechtvaardigd indien voor het behouden van de vermogensvermeerdering geen redelijke oorzaak - geen rechtvaardigingsgrond - aanwezig is. In dat geval ontstaat een verplichting tot vergoeding van de vermogensvermeerdering. Daar onweersproken is gebleven dat Interpay de voornoemde vermogensverschuiving niet heeft beoogd, zal dit als vaststaand worden aangenomen.

Nu Interpay het bedrag van €EUR 252.773,03 zonder redelijke grond, namelijk ten gevolge van een vergissing, aan [gedaagde] heeft gecrediteerd, mocht [gedaagde] er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de creditering door Interpay op een dienovereenkomstig wilsbesluit berustte in de zin van artikel 3:33 BW. Bij Interpay ontbreekt derhalve een met de verklaring overeenstemmende wil. De verrijking van [gedaagde] zal om die reden als ongerechtvaardigd dienen te worden aangemerkt.

De schadevergoedingsverplichting van [gedaagde] wordt begrensd door de hoogte van de verrijking en door de redelijkheid. Nu Interpay de ten onrechte gedane creditering aan [gedaagde] aan zichzelf te wijten heeft en zij bovendien pas meer dan twee jaar later dit bedrag terugvordert, zal - gelet op alle omstandigheden van het geval - de door Interpay op grond van artikel 14 van de Algemene Voorwaarden gevorderde contractuele rente en de gevorderde wettelijke rente worden afgewezen. Hierbij moet nog worden aangetekend dat Interpay deze fout redelijkerwijs op enig eerder moment had kunnen ontdekken.

Ook in geval van een geslaagd beroep van Interpay op onverschuldigde betaling, onrechtmatige daad of dwaling zou de vordering van contractuele en wettelijke rente op bovengenoemde gronden zijn afgewezen.

5.5 [gedaagde] voert als verweer aan dat sprake is van een rekening-courant verhouding tussen Interpay en [gedaagde] en dat artikel 6:140 BW van toepassing is. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat indien - krachtens lid 3 van deze bepaling - de wederpartij niet binnen redelijke tijd tegen het ingevolge lid 2 medegedeelde saldo protesteert, dit saldo tussen partijen geldt als vastgesteld. Doordat Interpay niet tijdig heeft gereclameerd, is het saldo tussen partijen bindend geworden, aldus [gedaagde]. Interpay betwist dat de creditcardmaatschappij in een rekening-courant verhouding staat met [gedaagde] en betwist voorts de toepasselijkheid van artikel 6:140 BW.

In de creditcardverhouding tussen de emittent (Interpay) en de kaarthouder ([gedaagde]) kan men twee elementen onderscheiden. Enerzijds is er de verplichting van de emittent om de door de kaarthouder verrichte betalingsopdrachten als aangegeven op de rekeningformulieren rechtstreeks aan de ondernemer te voldoen: de daarmee gemoeide bedragen worden gewoonlijk in rekening-courant met de kaarthouder geboekt. Dit betekent dat de emittent nooit een bepaalde koop financiert, maar dat de kaarthouder steeds binnen het raam van een rekening-courant verhouding tot een bepaald maximum bedrag debet mag staan. Anderzijds is de kaarthouder gehouden het kredietbedrag waarover hij heeft beschikt, aan de emittent te restitueren. Het voorgaande brengt mee dat de verhouding tussen Interpay en [gedaagde] moet worden aangemerkt als een rekening-courant verhouding. Nu uit de contractuele rechtsverhouding tussen partijen niet anders voortvloeit is ingevolge artikel 6:140 lid 5 BW deze bepaling op de onderhavige rechtsverhouding van toepassing.

5.6 Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 26 januari 2001, NJ 2002, 118) moet worden geoordeeld dat doorgaans uit de aard van de overeenkomst tussen een bank en haar cliënt zal voortvloeien dat een vordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 6:212 BW niet in de rekening-courant thuis hoort. Brengt de rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt mee dat een vordering tot vergoeding van schade als hier bedoeld niet in de rekening-courant kan worden opgenomen, dan zal zij in beginsel ook niet op grond van artikel 6:140 lid 1 BW voor verrekening vatbaar zijn. Nu in rechtsoverweging 5.5 is overwogen dat de rechtsverhouding tussen Interpay en [gedaagde] moet worden aangemerkt als een rekening-courant verhouding moet - in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad - worden geoordeeld dat in het onderhavige geval uit de aard van de overeenkomst tussen Interpay en [gedaagde] zal voortvloeien dat een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:212 BW niet in de rekening-courant thuis hoort. De vordering zal derhalve ook niet op grond van artikel 6:140 lid 1 BW voor verrekening vatbaar zijn. Het voorgaande brengt met zich dat de omstandigheid dat de creditcard op 18 juli 2001 is geannuleerd niet aan toewijzing van de vordering van Interpay - zoals in rechtsoverweging 5.4 is overwogen - in de weg staat. Gelet op het hiervoor overwogene zal aan de verweren van [gedaagde] op dit onderdeel, waaronder begrepen zijn beroep op artikel 6:140 lid 5 BW, voorbij worden gegaan.

5.7 Voorzover [gedaagde] een beroep doet op artikel 10 van de algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat de door of ten behoeve van Eurocard Nederland vastgelegde gegevens tussen de kaarthouder en Eurocard Nederland volledig bewijs opleveren, behoudens het door de kaarthouder te leveren tegenbewijs, zal dit beroep niet slagen. Nu partijen het erover eens zijn - en derhalve als vaststaand is aangenomen - dat Interpay bij vergissing een bedrag van €EUR 252.773,03 aan [gedaagde] heeft gecrediteerd, moet worden geoordeeld dat artikel 10 van de algemene voorwaarden niet van toepassing is op deze creditering.

5.8 Ten slotte doet [gedaagde] een beroep op artikel 6:89 BW. Door tal van controlemomenten onbenut te laten en circa tweeënhalf jaar te laten verstrijken alvorens te reclameren over haar eigen vergissing heeft Interpay niet tijdig geprotesteerd, aldus [gedaagde]. Interpay stelt zich op het standpunt dat artikel 6:89 BW is geschreven voor de situatie dat de schuldenaar wanprestatie pleegt, maar daar is in het onderhavige geval geen sprake van.

Artikel 6:89 BW verplicht de schuldeiser te onderzoeken of de prestatie van de schuldenaar met een gebrek is behept en verplicht de schuldeiser de schuldenaar van eventuele gebreken op de hoogte te stellen. Deze bepaling heeft betrekking op een ondeugdelijke nakoming door de schuldenaar. Nu in het onderhavige geval [gedaagde] niet tekortgeschoten is in de nakoming, maar Interpay zelf - in zijn hoedanigheid van schuldeiser - een vergissing heeft begaan, is artikel 6:89 BW niet van toepassing. Het verweer van [gedaagde] zal derhalve niet slagen.

5.1 Aangezien gesteld noch gebleken is dat door Interpay daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten - niet zijnde de kosten ter voorbereiding en instructie van de zaak - zijn gemaakt tot het thans gevorderde bedrag, zal overeenkomstig het Rapport van de Werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak inzake de buitengerechtelijke kosten van november 2000 (Rapport Voor-Werk II), ter zake van buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van EUR 3.448,00 worden toegewezen. In verband hiermede zal de kostenveroordeling worden gerelateerd aan het bedrag dat uiteindelijk in totaal wordt toegewezen.

5.10 Als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten.

5.11 De overige stellingen en verweren behoeven geen bespreking meer, nu deze, indien besproken, niet tot een ander oordeel leiden.

5.12 Hetgeen meer of anders is gevorderd, zal worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

verklaart Interpay niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [gedaagde partij];

veroordeelt [gedaagde] om aan Interpay te betalen de som van EUR 256.221,03;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Interpay begroot op EUR 3.944,16 aan verschotten en op EUR 3.448,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 april 2004.