Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AO7147

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
06-04-2004
Zaaknummer
55304 HAZA 03-678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 11 WUG en artikel 40 lid 4 Wet BIG en de KNMG gedragsregels hebben een gemeenschappelijk doel, namelijk het voorkomen van een verstrengeling van de belangen van de verschillende beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg in het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. In dit geval gaat het om een verstrengeling van het belang van patiënten om vrijelijk een apotheker te kiezen en het (geldelijke) belang van huisartsen bij het verwijzen van een patiënt naar een bepaalde apotheek. De vraag is of de afspraken tussen de huisartsen en de apotheker een dergelijke belangenverstrengeling impliciet inhouden, mede gelet op het verbod in artikel 18 BUA. Nu de wetgever het kennelijk (nog) niet noodzakelijk acht om overeenkomsten te verbieden, waarbij bijzondere voordelen zijn bedongen, kan dit ook niet tot het oordeel leiden dat alleen zo'n overeenkomst op zichzelf een onrechtmatige belangenverstrengeling inhoudt. Dit geldt ook voor het vragen van "goodwill" voor de vestiging van een apotheek/uitdeelpost in het bedrijfspand van de huisartsen. Kennelijk laat de wetgever dit soort vestigingsovereenkomsten over aan de markt en acht de wetgever zo'n overeenkomst niet in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Dergelijke afspraken zijn daarom ook niet in strijd met artikel 18 BUA, noch met de zorgvuldigheid, die in het maatschappelijk verkeer betaamt. In combinatie met een actief beleid van de huisartsen om hun patiënten over te laten schrijven naar die apotheek, zou het geheel van afspraken tussen de huisartsen en de apotheker wel kunnen wijzen op een belangenverstrengeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 366
JGR 2004/46 met annotatie van De Best
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 55304 HAZA 03-678

Uitspraak : 31 maart 2004

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

1.MEDIVEEN GROEP B.V.,

gevestigd te Utrecht,

2.DE NOORD VELUWSE APOTHEEK B.V.,

gevestigd te [woonplaats]

eisende partijen,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. J.R.A. Schoonderbeek te Utrecht

en

[gedaagde 1],

[gedaagde 2]

[gedaagde 3]

[gedaagde 4]

allen wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. G. Dietz

[gedaagde 5],

wonende te Veessen,

advocaat: mr. A.F. Geerts,

gedaagde partijen,

procureur: mr. I.J.M. Willems,

Eisende partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Mediveen en NVA, alsmede gezamenlijk als Mediveen c.s. Gedaagde partijen 1. tot en met 4. worden hierna gezamenlijk mede aangeduid als De huisartsen

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ de dagvaarding van 12 juni 2003

­ de conclusie van antwoord van de zijde van De huisartsen

­ de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaa[gedaagde 5] (hierna [gedaagde 5])

­ de conclusie van repliek van de zijde van Mediveen c.s.

­ de conclusie van dupliek van de zijde van De huisartsen

­ de conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde 5]

­ de akte uitlating producties van de zijde van Mediveen c.s.

­ de akte houdende producties van de zijde van Mediveen c.s.

­ de antwoordakte, tevens akte houdende uitlating producties van de zijde van De huisartsen

­ de antwoordakte, tevens akte houdende uitlating producties van de zijde van [gedaagde 5].

2. De vaststaande feiten

2.1 Sinds 1979 drijft NVA in Epe de Noord Veluwse Apotheek, waarvan Mediveen c.s. sinds 1999 100 % aandeelhouder is. NVA bediende daarmee de laatste jaren praktisch 100 % van de patiënten in Epe. De apotheek wordt geëxploiteerd door NVA.

2.2 De huisartsen zijn alle werkzaam als huisarts in Epe. Tot juni 2003 praktiseerden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in een solo-praktijk e[gedaagde 4]edaagde 3] en [gedaagde 4] in een duo-praktijk. Gezamenlijk bedienen zij circa 55 % van de in Epe en omstreken woonachtige patiënten

2.3 In het najaar van 2002 maken De huisartsen aan Mediveen c.s. bekend dat zij als huisartsen in een leegstaand bedrijfspand in Epe een nieuw op te zetten groepspraktijk in de vorm van een zogenaamde HOED (Huisartsen Onder Een Dak) willen vormen. Daarbij wordt aan Mediveen c.s. het voorstel gedaan om zich eveneens in het HOED- pand te vestigen. In het kader van de onderhandelingen daarover en nadat door Mediveen reeds een aanbod is gedaan , schrijven De huisartsen aan Mediveen een brief d.d 25 oktober 2002, waarin onder meer het navolgende staat vermeld:

"(...….)

Wij realiseren ons dat er een situatie ontstaat die voor uw bedrijf onprettig is. U moet investeren, niet om uw omzet te vergroten maar om die te behouden.

Voor ons ligt de situatie heel anders; wij weten wat een willekeurige andere apotheek ervoor over zou hebben om zich in Epe te vestigen en direkt drieënhalve huisartspraktijk min of meer aan zich te binden.

(…....)

Om toch enigszins in de richting te komen van wat uw concurrent ervoor over heeft om zich te kunnen vestigen willen we het volgende tegenvoorstel doen:

- Mediveen huurt voor EURO 60.000 p.j., Mediveen verbouwt het pand en richt het in.

- Mediveen koopt, verbouwt en richt het pand in. Wij huren voor bijna een symbolisch bedrag.

Voor beide mogelijkheden geldt dat mediveen bijdraagt in 25 % van de totale energiekosten.

(…....)"

1.4 Na verdere onderhandelingen en de berekening van de financiële consequenties van het tegenvoorstel, waarbij het pand door haar zou worden aangekocht, verbouwd en ingericht, heeft Mediveen dit bij haar brief aan De huisartsen d.d. 25 november 2002 als volgt afgewezen:

"(…....)

Totaal kosten EUR € 1.300.000,=

Naast deze kosten moet ook rekening gehouden worden met de kosten voor het losse meubilair van de huisartsenpraktijken. De laatste posten zijn op dit moment moeilijk inschatbaar en daardoor nog niet opgenomen.

Een investering van €EUR 1.300.000,= vergt bij een normale BAR van 10 een huursom van EUR€ 130.000,= op jaarbasis.

Naast de huurlast moet ook rekening gehouden worden met energielasten, stel EUR 10.000,= per jaar. De totale jaarlast zal dus ca. EUR€ 140.000,= bedragen.

In uw brief van 17 november jl. heeft u aangegeven dat van uw zijde een budget beschikbaar is van €EUR 10.000,= á EUR 13.000,= per praktijk per jaar. Stel totaal €EUR 40.000,= per jaar. Er ontstaat derhalve een financieringstekort van ca

EUR€ 100.000,=.

(...….)Mediveen acht het niet opportuun om het financieringstekort van deze omvang jaarlijks te dekken.

Wij beseffen dat dit teleurstellend is. Anderzijds zijn wij van harte bereid samen met u andere vestigingsmogelijkheden voor een AHOED (Apotheker en HOED) te onderzoeken. Wij bieden u aan om onze expertise dienaangaande in te zetten. Waar nodig zijn wij bereid om een eventueel financieringstekort aan te vullen mits de locatie gunstig en het gebouw een goede belegging is."

1.5 In december 2002 hebben De huisartsen het bedrijfpand voor de (A)HOED aangekocht via de gemeente Epe en is door haar onderhandeld met een andere apotheker, te weten [gedaagde 5].

1.6 Bij brief van haar raadsman aan De huisartsen d.d. 21 februari 2003 heeft Mediveen c.s. gewezen op het onrechtmatige karakter van het door haar afgewezen tegenvoorstel van De huisartsen en hen verzocht en tevens gesommeerd "tot voorzetting van de lopende onderhandelingen, met weglating van de door u gevraagde goodwill". In reactie hierop ontving Mediveen op17 maart 2003 bericht van de raadsman van De huisartsen dat zij in januari 2003 volledige overeenstemming hadden bereikt met een andere apotheker.

1.7 Op 23 juni 2003 is de groepspraktijk van De huisartsen en de apotheek van [gedaagde 5] in het inmiddels verbouwde en ingerichte bedrijfsgebouw geopend. [gedaagde 5] heeft een huurcontract met De huisartsen gesloten ter zake de huur van bedrijfsruimte van circa 250 m2 voor de duur van 5 jaar vanaf 4 februari 2003, met een verlengingsmogelijkheid van 5 jaar, voor een huurprijs (exclusief gas, water, elektra en alarminstallatie) van EUR€ 55.000,-- per jaar.

3. De vordering

3.1 Mediveen c.s. vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1.

zal verklaren voor recht dat De huisartsen, ieder voor zich of gezamenlijk, onrechtmatig hebben gehandeld jegens Mediveen c.s. door als voorwaarde voor de vestiging van een apotheek van Mediveen c.s. binnen de samenwerkingslocatie van De huisartsen en [gedaagde 5] een of meer bijzondere voordelen te eisen;

2.

zal verklaren voor recht dat De huisartsen en [gedaagde 5], ieder voor zich of gezamenlijk, onrechtmatig hebben gehandeld jegens Mediveen c.s. door met elkaar een overeenkomst te sluiten inhoudende een of meer onrechtmatige bijzondere voordelen;

3.

De huisartsen en [gedaagde 5], ieder voor zich of gezamenlijk, zal veroordelen tot het vergoeden van de door Mediveen c.s. als gevolg van genoemde onrechtmatige handelingen, geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat;

4.

De huisartsen en [gedaagde 5], ieder voor zich of gezamenlijk, zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2 Mediveen c.s. legt aan haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag:

In hun tegenvoorstel, zoals verwoord in de brief van 25 oktober 2002, eisten De huisartsen feitelijk dat Mediveen c.s. een financieringstekort van EUR€ 120.000,-- per jaar voor haar rekening zou nemen. Gekapitaliseerd over de beoogde initiële periode van 10 jaar kwam dit neer op een te betalen "goodwill" betaling van EUR€ 1.500.000,--. Daarnaast eisten De huisartsen ook nog dat Mediveen c.s. de automatiseringskosten en de kosten van het losse meubilair voor haar rekening zou nemen. Dat het om "goodwill" gaat blijkt ook uit het feit dat De huisartsen aan Mediveen c.s. te kennen gaven dat, indien Mediveen c.s. hun eisen niet zou inwilligen, zij een concurrerende apotheek in de HOED zou opnemen. Dat hebben De huisartsen inderdaad gedaan, namelijk [gedaagde 5].

Nu dit heel kort erna heeft plaatsgevonden, kan het niet anders zijn dat De huisartsen van [gedaagde 5] ook "goodwill" hebben bedongen. Dat blijkt ook uit het huurcontract tussen De huisartsen en [gedaagde 5], namelijk uit de daarin opgenomen te hoge huur en andere ongebruikelijke en voor [gedaagde 5] bezwarende bepalingen, alsmede uit het feit dat [gedaagde 5] ook nog een bijdrage heeft betaald aan de kosten van verbouwing en inrichting van het gehele pand naast de kosten van de verbouwing en inrichting van het door hem gehuurde deel van het pand.

Een dergelijke "goodwill" is in strijd met de wet op grond van artikel 40 lid 4 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (hierna Wet BIG) juncto artikel 11 van de Wet Uitoefening Geneeskunst (hierna WUG), alsmede op grond van artikel 18 van het Besluit Uitoefening Artsenijbereidkunst (hierna BUA).

Bovendien verbieden de KNMG gedragsregels en de KNMP Richtlijnen voor de Beroepsethiek der Apothekers een dergelijke belangenverstrengeling.

Door in strijd met deze wettelijke verboden te handelen, handelt De huisartsen onrechtmatig jegens Mediveen c.s. Daardoor heeft zij schade geleden, aangezien [gedaagde 5] de bestaande klandizie van Mediveen c.s. naar zich toe zal trekken en doordat De huisartsen een actief beleid voeren om haar patiënten over te laten schrijven naar de apotheek van [gedaagde 5]. Daaruit blijkt dat De huisartsen inderdaad een voordeel hebben bedongen in ruil voor de recepten van de patiënten.

Voorts hebben De huisartsen de ongeschreven norm geschonden die dient te voorkomen dat tussen Mediveen c.s. en [gedaagde 5] oneerlijke concurrentie ontstaat, hetgeen in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en daarom ook onrechtmatig is tegenover Mediveen c.s.

4. Het verweer van De huisartsen

4.1 De huisartsen concluderen dat de rechtbank Mediveen c.s. bij vonnis niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het geding.

1.2 De huisartsen voeren de navolgende verweren aan:

De huisartsen menen dat Mediveen niet-ontvankelijk is in haar vordering, omdat zij geen zelfstandig belang daarbij heeft, nu slechts NVA belanghebbende is.

In de huisartsentarieven is slechts een beperkt bedrag beschikbaar voor huisvesting. Veelal is dat niet toereikend om zelfstandig commerciële bedrijfsruimte te huren of te kopen. Daarom wordt getracht om in samenwerking met andere hulpverleners de kosten te beperken.

Op 24 oktober 2002 heeft NVA mondeling een aanbod gedaan om in het door De huisartsen aan te kopen bedrijfspand een ruimte van 90 m2 te huren voor EUR 36.000,-- per jaar. In haar brief van 25 oktober 2002 hebben De huisartsen daarop gereageerd, waarbij een onderhandelingspositie is ingenomen teneinde de exploitatiekosten van het pand zoveel mogelijk af te dekken. Nadat Mediveen c.s. had laten weten niet geïnteresseerd te zijn in de optie van de aankoop en verbouwing van het pand in verband met de kosten, is in december 2002 onderhandeld met [gedaagde 5]. Dit heeft geleid tot een overeenkomst met [gedaagde 5] op zakelijke condities, waarbij in de huurprijs afspraken over de verdeling van de kosten van de verbouwing en inrichting van het bedrijfspand zijn verweven. Mediveen c.s. heeft een inschattingsfout gemaakt door niet met De huisartsen verder te onderhandelen.

"Goodwill" is nooit aan de orde geweest. De huisartsen laten haar patiënten de vrije keus ter zake de apotheek waar zij hun medicijnen willen halen. Zij betwisten dat zij een actief beleid voeren om hun patiënten over te schrijven van NVA naar de apotheek van [gedaagde 5].

Artikel 40 lid 4 sub c van de Wet BIG is niet gevolgd door een algemene maatregel van bestuur. Ook is niet gehandeld in strijd met de strekking van dat artikel, omdat er geen sprake is van bevoordeling en De huisartsen geen vergoeding krijgen voor het doorverwijzen van patiënten naar de apotheek van [gedaagde 5].

Het beroep van Mediveen c.s. op de WUG gaat niet op omdat deze wet vervallen is. Bovendien gaat het in artikel 11 WUG om een overeenkomst ter zake het leveren van medicijnen. Hiervan is geen sprake.

De gedragsregels van de KNMG en de wetsartikelen waarop Mediveen c.s. een beroep doet, beogen niet de belangen van Mediveen c.s. te beschermen, zodat haar daarop geen beroep toekomt. Ook daarom kan zij geen schadevergoeding vorderen.

Het belang van de patiënten is niet geschaad.

Als Mediveen c.s. geschaad is door "oneerlijke concurrentie" moeten zij een beroep doen op de mededingingswetgeving. Daarom gaat haar beroep op een ongeschreven norm niet op.

5. Het verweer van [gedaagde 5]

5.1 [gedaagde 5] concludeert dat de rechtbank Medeveen c.s. bij vonnis niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen met haar veroordeling in de kosten van het geding, het honorarium van de procureur van [gedaagde 5] daaronder begrepen.

1.2 [gedaagde 5] voert de navolgende verweren aan:

Mediveen heeft geen zelfstandig procesbelang, zodat zij niet-ontvankelijk is. Uitsluitend NVA is geconfronteerd met een door haar niet gewenste tweede apotheek in Epe en vrees voor omzetderving.

In de onderhandelingen met De huisartsen heeft [gedaagde 5], uitgaande van de huur van 200 m2, een huurprijs voorgesteld van € EUR 274,-- per m2, omdat die prijs in het receptregeltarief voor apothekers is verdisconteerd. Voorts is toen afgesproken dat [gedaagde 5] naast zijn eigen verbouwings- en inrichtingskosten EUR€ 135.000,-- zou bijdragen aan de verbouwings- en inrichtingskosten van de huisartsen. Uitgaande van een gebruikelijke afschrijvingstermijn van 10 jaar zou EUR€ 13.500,-- per jaar op de huurprijs in mindering komen. Uiteindelijk is besloten dat voor de apotheek 250 m2 ter beschikking kon komen. Op basis daarvan is de definitieve huurprijs bepaald op 250 x EUR€ 274,-- = EUR€ 68.500,-- minus de afgesproken

EUR€ 13. 500,-- = EUR€ 55.000,--. In december 2002 is daarover overeenstemming bereikt. Van bevoordeling is dus geen sprake, want het gaat om een zakelijk huurcontract. Dat [gedaagde 5] daarbij heeft bedongen dat de huur kan worden beëindigd bij vertrek van een van de huisartsen is ook een zakelijke voorwaarde. Op dit punt bestaat er contracteervrijheid en ondernemersrisico. In verband daarmee zal er nooit sprake zijn van ongeoorloofde bevoordeling, zolang geen verwijsafspraken worden gemaakt. Dat is niet gebeurd. De huisartsen hebben steeds hun onafhankelijkheid benadrukt. Er is daarom geen strijd met artikel 18 BUA en de KNMP gedragsregels. Bovendien beogen de normen, waarop Mediveen c.s. zich beroept, de belangen te beschermen van patiënten en van de gezondheidszorg, maar niet van apothekers die concurrentie willen weren. Ook de soort schade die Mediveen c.s. meent te (zullen) lijden valt buiten het bereik van de bescherming van deze regelgeving.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 De huisartsen en [gedaagde 5] hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van Mediveen omdat zij geen zelfstandig (proces)belang zou hebben. Dit is in zoverre juist dat Mediveen naast NVA geen zodanig belang heeft dat zij onafhankelijk van NVA dezelfde rechtsvordering zou kunnen instellen, indien NVA dezelfde rechtsvordering ook al heeft ingesteld. Dezelfde vordering kan immers niet tweemaal worden toegewezen. Nu Mediveen100% aandeelhouder is van NVA, heeft zij, als feitelijk eigenaar van NVA, voldoende belang bij elke rechtsvordering waarbij de belangen van NVA rechtstreeks in het geding zijn. Er bestaat geen rechtsregel die verbiedt om in dat geval gezamenlijk met NVA één rechtsvordering in te stellen. Om die reden wordt het beroep op niet-ontvankelijkheid van Mediveen verworpen.

6.2 Ter zake het gestelde onrechtmatige handelen van De huisartsen beroept Mediveen c.s. zich allereerst op artikel 40 lid 4 Wet BIG juncto artikel 11 van de WUG. In laatstgenoemd artikel stond een verbod om met een apotheker " regtstreeks of zijdelings eene overeenkomst aan te gaan over het leveren van geneesmiddelen aan hunne zieken". De WUG en artikel 11 daarvan is met ingang van 1 december 1997 vervallen, zodat strijd met dat artikel niet meer aan de orde is. Volgens Mediveen c.s. is de strekking van dit artikel echter nog steeds geldend recht, hetgeen zou blijken uit artikel 40 lid 4 Wet BIG en de KNMG gedragsregels.

6.3 In artikel 40 lid 4 Wet BIG heeft de wetgever bepaald: "Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts, indien zulks noodzakelijk is gebleken ter bevordering van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, voor(….)(onder meer artsen en apothekers; rechtbank) regels worden gesteld inhoudende:

(…....)

c. een verbod om een overeenkomst die bijzondere voordelen verschaft, aan te gaan met bij de maatregel aangewezen categorieën van personen".

Uit de Memorie van toelichting bij de totstandkoming van deze wet blijkt dat dit artikel is opgenomen in verband met het vervallen van artikel 11 van de WUG, omdat het noodzakelijk wordt geacht een zodanig verbod te kunnen stellen en voorts dat met zo'n verbod wordt beoogd te verhinderen, dat betrokken categorieën van personen elkaar in bijzondere mate bevoordelen, bijvoorbeeld doordat zij met elkaar afspreken dat degene, die een patiënt naar een andere beroepsbeoefenaar verwijst, per verwijzing een financiële of andere vergoeding ontvangt van degene naar wie is verwezen.

De wetgever heeft nog geen algemene maatregel in de zin van artikel 40 lid 4 Wet BIG genomen. Hieruit wordt afgeleid dat de wetgever zich voorstelt dat er situaties denkbaar zijn waarin zo'n overeenkomst, die bijzonder voordelen verschaft, onwenselijk is, maar dat het volgens de wetgever kennelijk nog niet noodzakelijk is gebleken om "ter bevordering van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg" bedoeld verbod ook daadwerkelijk in te stellen. Om die reden kan de stelling van Mediveen c.s , dat De huisartsen in strijd hebben gehandeld met artikel 40 lid 4 Wet BIG niet gevolgd worden.

Uit het voorgaande volgt dat de strekking van artikel 11 van de WUG een andere is dan die van artikel 40 lid 4 Wet BIG. Daarom kan niet gezegd worden dat de strekking van artikel 11 van de WUG nog steeds geldend recht is, nog daargelaten of in casu is gehandeld in strijd met die strekking.

6.4 Op grond van de hiervoor uiteengezette achtergrond constateert de rechtbank dat voornoemde wetsartikelen wel een gemeenschappelijk doel hebben, namelijk het voorkomen van een verstrengeling van de belangen van de verschillende beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg in het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Mediveen c.s. heeft betoogd dat de overeenkomst tussen De huisartsen en [gedaagde 5] leidt tot zo'n belangenverstrengeling, welke verboden is volgens de KNMG gedragsregels. In dit geval gaat het om een verstrengeling van het belang van patiënten om vrijelijk een apotheker te kiezen en het (geldelijke) belang van huisartsen bij het verwijzen van een patiënt naar een bepaalde apotheek. Indien sprake is van een dergelijke belangenverstrengeling, zou dit in ieder geval in strijd zijn met de KNMG gedragsregels, die een belangenverstrengeling verbieden die de patiënt kan schaden. Nu deze gedragsregels een onderlinge regelgeving van huisartsen betreffen, kan een overtreding daarvan niet zonder meer worden aangemerkt als een onrechtmatige daad. Dat zou slechts het geval kunnen zijn indien de overtreding ,al dan niet in samenhang met andere handelingen en/of omstandigheden, tevens neerkomt op een inbreuk op een wettelijk recht of in strijd is met een wettelijke plicht dan wel een ongeschreven maatschappelijke norm.

6.5 Eerst dient onderzocht te worden of er in dit geval sprake is van een dergelijke belangenverstrengeling. De huisartsen hebben betwist dat daarvan sprake is; zij zeggen dat zij hun patiënten de vrije keus laten in hun keuze van de apotheek.

De vraag is of de afspraken tussen De huisartsen en [gedaagde 5] een dergelijke belangenverstrengeling impliciet inhouden. Volgens Mediveen c.s. is dat zo doordat De huisartsen van [gedaagde 5] "goodwill" en een te hoge huur en andere ongebruikelijke en voor [gedaagde 5] bezwarende bepalingen hebben bedongen en [gedaagde 5] ook nog een bijdrage heeft betaald aan de kosten van verbouwing en inrichting van het gehele pand naast de kosten van de verbouwing en inrichting van het door hem gehuurde deel van het pand. De huisartsen hebben ook deze stellingen van Mediveen c.s. betwist. Als de stellingen van Mediveen c.s. op dit punt zouden komen vast te staan is er, naar het oordeel van de rechtbank sprake van een overeenkomst, die aan De huisartsen bijzondere voordelen verschaft, in de zin van artikel 40 lid 4 Wet BIG. Nu de wetgever het kennelijk (nog) niet noodzakelijk acht om dergelijke overeenkomsten te verbieden, kan dit ook niet tot het oordeel leiden dat alleen zo'n overeenkomst, waarbij bijzondere voordelen zijn bedongen, op zichzelf een onrechtmatige belangenverstrengeling inhoudt. Kennelijk acht de wetgever zo'n overeenkomst niet in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

In combinatie met de eveneens betwiste stelling van Mediveen c.s., dat De huisartsen een actief beleid voeren om hun patiënten over te laten schrijven naar de apotheek van [gedaagde 5], zou het geheel van afspraken tussen De huisartsen en [gedaagde 5] wel kunnen wijzen op een belangenverstrengeling. De feiten die Mediveen c.s. aanvoert ter onderbouwing van voornoemd actieve beleid zijn echter zo summier dat deze, indien bewezen, mede gelet op de betwisting van De huisartsen, niet kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van een actief beleid van De huisartsen om haar patiënten over te laten schrijven naar de apotheek van [gedaagde 5]. Daartoe is namelijk niet voldoende dat er in juni 2003, augustus 2003, november 2003 en januari 2004 door een doktersassistente van De huisartsen dan wel een apothekersassistente van [gedaagde 5] niet voldoende aandacht geschonken zou zijn aan de voorkeur van patiënten voor de apotheek van Mediveen c.s. bij het verkrijgen dan wel vragen van een (herhaal)recept, omdat dat in totaal maar om circa 6 recepten gaat. Dat is erg weinig op het totaal van de recepten die - naar mag worden aangenomen - in voornoemde maanden zijn verwerkt. Bij het vestigen van een nieuwe apotheek, naast een bestaande, is niet te vermijden dat er enige storingen ontstaan in de toelevering van de recepten. Dat hoeft nog niet te wijzen op een structureel beleid. Hetzelfde geldt voor de door De huisartsen gehanteerde zinsnede in hun brief van 25 oktober 2002, waar zij schrijven: " wij weten wat een willekeurige andere apotheek ervoor over zou hebben om zich in Epe te vestigen en direkt drieënhalve huisartspraktijk min of meer aan zich te binden." Daargelaten of die zinsnede terecht is opgemerkt, kan niet gezegd worden dat daaruit blijkt dat De huisartsen voordelen van [gedaagde 5] hebben bedongen in ruil voor toelevering van recepten van patiënten aan [gedaagde 5]. De zinsnede kan evenzeer slaan op het feit van algemene bekendheid, dat een aantal patiënten uit een oogpunt van gemak wellicht zullen kiezen voor een apotheek die het dichtst bij de praktijk van hun huisarts ligt.

Ook de tekst van de automatische telefoonbeantwoorder van De huisartsen ter zake van herhaalrecepten acht de rechtbank niet zodanig dat deze wijst op het door Mediveen c.s. gestelde actieve beleid, nu het in die tekst vragen aan de patiënt naar de apotheek van zijn voorkeur, die keuze open laat. Uit het voorgaande volgt dat voor het aantonen van voornoemde belangverstrengeling door Mediveen c.s. meer gesteld en, indien betwist, bewezen zou moeten worden.

6.6 Naast de hiervoor genoemde wetsartikelen doet Mediveen c.s.nog een beroep op artikel 18 BUA, waarin wordt bepaald: "Het is de apotheker en de apotheekhoudende arts verboden met een arts, een tandarts of een verloskundige, rechtstreeks of zijdelings enige overeenkomst hoe ook genaamd, betreffende het leveren van geneesmiddelen aan derden aan te gaan.". Een rechtstreekse overeenkomst betreffende het leveren van geneesmiddelen aan derden, is gesteld noch gebleken. Daar zijn partijen het over eens. Onderzocht dient te worden of de overeenkomst tussen De huisartsen en [gedaagde 5] zijdelings het leveren van geneesmiddelen aan derden betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake als er door de overeenkomst een samenloop van belangen zou kunnen ontstaan die te maken heeft met de levering van geneesmiddelen aan derden. Bijvoorbeeld indien de overeenkomst er toe zou leiden dat De huisartsen naar de mate van de hoeveelheid naar [gedaagde 5] toegeleverde recepten meer voordelen zouden verkrijgen. In feite gaat het om een belangenverstrengeling in verband met de levering van geneesmiddelen aan patiënten. Zoals hiervoor onder 6.5 is overwogen, is door Mediveen c.s. onvoldoende gesteld om in deze zaak tot een dergelijke belangenverstrengeling te kunnen concluderen. Om die reden kan niet gezegd worden dat [gedaagde 5] artikel 18 BUA heeft overtreden, dan wel dat De huisartsen onrechtmatig hebben gehandeld in verband met een overtreding door [gedaagde 5] van bedoeld artikel.

6.7 Tot slot doet Mediveen c.s. nog een beroep op een ongeschreven norm die dient te voorkomen dat tussen Mediveen c.s. en [gedaagde 5] oneerlijke concurrentie ontstaat. Door het eerst vragen van "goodwill" aan Mediveen c.s. en vervolgens het verder onderhandelen zonder die "goodwill" te weigeren, zouden De huisartsen die norm hebben geschonden en daarmee hebben gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid.

De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat Mediveen c.s. het bedingen van "goodwill" voor de vestiging van een apotheek/uitdeelpost in het bedrijfspand van De huisartsen onrechtmatig vindt en dat Mediveen c.s. zich daardoor benadeeld acht omdat zij, als De huisartsen geen "goodwill" hadden bedongen van haar, zij wel met De huisartsen tot overeenstemming was gekomen over de vestiging van een apotheek/uitdeelpost in het bedrijfspand van De huisartsen.

Zoals hiervoor onder 6.5 is overwogen is het vragen van "goodwill" voor de vestiging van een apotheek/uitdeelpost in het bedrijfspand van De huisartsen op zichzelf niet onrechtmatig. Kennelijk laat de wetgever dit soort vestigingsovereenkomsten over aan de markt, zolang er geen belangenverstrengeling, zoals hiervoor omschreven onder 6.4, uit voortvloeit. Reeds om die reden gaat het beroep van Mediveen c.s. op strijd met de zorgvuldigheid, die in het maatschappelijk verkeer betaamt, niet op.

6.8 Uit het voorgaande volgt dat op grond van de stellingen van Mediveen c.s. niet kan worden geconcludeerd dat De huisartsen of [gedaagde 5], ieder voor zich dan wel gezamenlijk, door hun afspraken ter zake de vestiging van een apotheek in het bedrijfspand van De huisartsen wettelijke verboden hebben overtreden dan wel hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid, die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Om die reden is er geen plaats voor een bewijsvoering en zullen de vorderingen van Mediveen c.s. worden afgewezen.

6.9 Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd behoeft geen bespreking, aangezien dat, indien gegrond bevonden, niet tot een ander oordeel leidt.

6.10 Als de in het ongelijk gestelde partij zal Mediveen c.s. worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

wijst de vorderingen van Mediveen c.s. af;

veroordeelt Mediveen c.s. in de proceskosten tot aan deze uitspraak

- aan de zijde van De huisartsen begroot op €EUR 780,-- aan salaris voor de procureur en

- aan de zijde van [gedaagde 5] begroot op €EUR 780,-- aan salaris voor de procureur en

- aan de zijde van De huisartsen en [gedaagde 5] begroot op EUR 205,-- aan verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr H.C.M. Boon en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2004.