Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AO5874

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
18-03-2004
Zaaknummer
01/1387 AW 01/1571 WOB 02/611 AW 02/789 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gemeentesecretaris met betrekking tot ontslagbesluit gegrond verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank is het ontslagbesluit ontoereikend gemotiveerd. Afgifte van geluidsopnamen van het besloten gedeelte van de raadsvergadering is naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nrs.: 01/1387 AW 01/1571 WOB 02/611 AW 02/789 WOB

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

en

[verweerder], verweerder

1. Aanduidingen bestreden besluiten

Besluiten van 27 september 2001 (besluit 1), 6 november 2001 (besluit 2), 13 maart 2002 (besluit 3) en 22 maart 2002 (besluit 4).

2. Feiten

2.1

Eiser is ingaande 1 februari 1991 benoemd tot gemeentesecretaris. In het najaar van 1996 heeft Schouten en Nelissen management, organisatie, training en opleiding te Zaltbommel een onderzoek ingesteld naar het functioneren van het managementteam van de gemeente, waarvan naast eiser vier afdelingshoofden deel uitmaakten. Op basis van de uitkomsten daarvan heeft verweerder Schouten en Nelissen opdracht gegeven tot een coachingstraject dat medio 1997 na enkele maanden is beeindigd.

Blijkens een ongedateerd verslag van het hiervoor bedoelde onderzoek is er forse kritiek op eisers functioneren geuit. In een evaluatienotitie van het coachingstraject van de hand van de coach gedateerd 18 augustus 1997 heeft deze vraagtekens geplaatst bij eisers geschikt-heid voor een leidinggevende functie vanwege zijn functioneren in samenwerkingsrelaties en

het ontbreken van de bereidheid/het onvermogen om dat functioneren kritisch te beschouwen. De notitie is uitgemond in een aanbeveling om een leer- en begeleidingstraject te starten teneinde te komen tot verbetering van het functioneren van zowel eiser als dat van de afdelingshoofden. In de loop van 1998 is in een bijeenkomst waaraan alle leden van het college en het managementteam hebben deelgenomen afgesproken om "met een schone lei te beginnen" in de veronderstelling dat de leden van het managementteam de problemen op eigen kracht te boven zouden komen.

In november 1999 is H.J. van der Woude benoemd tot burgemeester van Dinxperlo. Begin januari 2000 heeft eiser in een als advies aangeduid, aan verweerder gericht, stuk uiteengezet dat hij als leidinggevende slechts kan functioneren als hij de bevoegdheid krijgt om vak-inhoudelijke adviezen van ambtenaren aan verweerder waar nodig te corrigeren. Verweerder

heeft in maart 2000 besloten de bestaande situatie vastgelegd in de Organisatie-verordening van de gemeente, waarin voor de gemeentesecretaris een in hoofdzaak coördinerende rol is weggelegd, te handhaven.

Bij brief van 3 februari 2000 heeft eiser verweerder verzocht hem met terugwerkende kracht hoger in te schalen. Verweerder heeft dat verzoek in maart van dat jaar ingewilligd. In de brief waarin eiser van dat besluit in kennis is gesteld heeft verweerder zijn ongenoegen geuit over de inhoud en de toon van eisers brief en aangegeven dat hij met eiser nader wil spreken over de aspecten communicatie en coördinatie. Eiser heeft zich daartoe kort nadien schriftelijk bereid verklaard.

Tijdens een collegevergadering op 6 oktober 2000 is een discussie ontstaan tussen eiser en de twee aanwezige collegeleden over een voorstel van een van de wethouders tot wijziging van de weergave van een eerder genomen besluit in de besluitenlijst van de vorige vergadering en over de weergave van een ander besluit in diezelfde lijst. Op enig moment heeft eiser de vergadering verlaten. Ondanks aandringen van de burgemeester heeft hij geweigerd om

terug te keren onder mededeling dat hij ziek was en op therapeutische basis zijn werk verrichtte. Daags nadien heeft eiser in een advies aan verweerder met als onderwerp "functio-neren secretaris in relatie met B & W" zijn ziekmelding bevestigd, toegelicht waarom hij de vergadering had verlaten en voorts gevraagd om een nadere gedachtenwisseling over de

bestaande en gewenste bestuurlijk-ambtelijke verhoudingen in de gemeente. Aan het slot van dit advies - waarvan hij een afschrift aan de fractievoorzitters van de in de gemeenteraad vertegenwoordigde partijen heeft doen toekomen - heeft hij gemeld dat het met zijn ziekte alleszins meeviel en dat hij er weer volledig tegenaan kon.

Na overleg met hiervoor bedoelde fractievoorzitters heeft verweerder eiser bij brief van 5 januari 2001 in kennis gesteld van zijn voornemen hem schriftelijk te berispen op de grond dat hij "niet gerechtigd (was) te weigeren de besluitenlijst (----) aan te passen (----) weg te lopen uit (onze) vergadering en eigenmachtig te bepalen dat (hij) op therapeutische basis

werkzaam (was)". In diezelfde brief heeft verweerder zijn ongenoegen uitgesproken over de toonzetting van het advies van 7 oktober 2000 die volgens hem niet getuigde van "een juist inzicht in uw positie, te weten die van de ambtelijk ondergeschikte van ons als bestuursorgaan" en daaraan toegevoegd - onder verwijzing naar de uitkomsten van het onderzoek van

Schouten en Nelissen en de inhoud van de evaluatienotitie - het noodzakelijk te achten onverwijld een traject uit te zetten gericht op verbetering van eisers functioneren op de onderdelen communicatie en coördinatie. Met het oog daarop zal een profiel worden opgesteld van de functie van gemeentesecretaris, waarna aan de hand van de uitkomsten van een

door eiser te ondergaan assessment zal worden bezien in hoeverre hij aan dat profiel voldoet en eiser zo nodig de gelegenheid wordt geboden zijn "wijze van functievervulling meer te richten naar onze wensen". Mocht dat niet tot de gewenste structurele verbetering hebben geleid dan zal aan de gemeenteraad worden voorgesteld eiser te ontslaan wegens onbekwaamheid en ongeschiktheid voor zijn betrekking. Daartoe zal verweerder eveneens overgaan als eiser zich opnieuw schuldig maakt aan gedrag gelijk aan dat wat verweerder tot zijn voornemen hem te berispen heeft gebracht. Op 9 januari 2001 heeft eiser zich ziekgemeld.

Onder dagtekening 10 januari 2001 heeft eiser verweerder laten weten dat er zijns inziens geen grond was voor een disciplinaire maatregel en voorts geweigerd mee te werken aan het in gang te zetten verbetertraject. Daaraan heeft hij toegevoegd dat hij niet uitsluit dat hij over enige tijd zijn werk weer kan hervatten. Voordien zal verweerder hebben aan te geven welke maatregelen hij heeft getroffen om herhaling van wat eiser noemt "de treitercampagnes" te voorkomen.

Bij brief van 12 februari 2001 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij zich had gestoord aan de door eiser tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst voor het personeel voorgedragen berijmde toespraak "die onzes inziens getuigt van een miskenning van uw positie en waarin u ons college schoffeert ten overstaan van het personeel". Dat schofferen en de inhoud van eisers brief van 10 januari 2001 hebben verweerder doen besluiten zijn voornemen eiser te berispen in te trekken en aan de gemeenteraad voor te stellen hem te ontslaan op de eerdergenoemde grond. Tot slot heeft verweerder eiser in die brief dringend aangeraden om ook zodra hij weer arbeidsgeschikt is, thuis te blijven in afwachting van de besluitvorming

over zijn ontslag. Zo eiser daaraan geen gevolg geeft, zal verweerder een ordemaatregel treffen.

Namens eiser heeft mr. R.H.A. Wessel, advocaat te Den Haag, gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zijn zienswijze te geven ten aanzien van het voorstel aan de gemeenteraad. De bedrijfsarts heeft verweerder op 12 februari 2001 laten weten dat hij eiser ingaande 19 februari 2001 niet meer wegens ziekte of gebrek arbeidsongeschikt achtte met

de toevoeging dat eiser niet behoefde te hervatten voordat het conflict was opgelost.

De gemeenteraad heeft op 31 mei 2001 op voorstel van verweerder besloten eiser met toepassing van artikel 8:6 van de gemeentelijke rechtspositie-regeling ingaande 16 juni 2001 eervol te ontslaan. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt dat bij besluit 1 in afwijking van het in verband met dat bezwaar door de betreffende kamer van de Commissie Bezwaar- en

Beroepschriften uitgebrachte advies ongegrond is verklaard.

2.2

Inmiddels had eiser verweerder bij brief van 14 juni 2001 verzocht hem inzage te verlenen in (onder meer) de notulen van het besloten gedeelte van de vergadering van de gemeenteraad van 31 mei 2001 (waarin het voorstel hem ontslag te verlenen aan de orde was) alsmede hem gelegenheid te bieden de geluidsopname van die vergadering af te luisteren. Op 2

juli 2001 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van besluiten op zijn verzoeken.

Onder dagtekening 4 juli 2001 heeft verweerder eiser bericht dat het gevraagde verslag hem zal worden toegezonden zodra het is vastgesteld alsmede dat hij geen reden ziet om eiser in de gelegenheid te stellen de geluidsband af te luisteren. Bij brief van 7 juli 2001 heeft eiser zijn verzoeken herhaald en zijn eerdere bezwaar gehandhaafd. Dat bezwaar is bij besluit 2

niet-ontvankelijk verklaard onder doorzending van eisers verzoeken naar de gemeenteraad.

2.3

Onder dagtekening 5 oktober 2001 heeft eiser verweerder verzocht hem toe te staan de originele geluidsopname van het besloten gedeelte van de vergadering van de gemeenteraad van 27 september 2001 (waarin besluit 1 is genomen) te beluisteren dan wel - zo verweerder dat verzoek mocht afwijzen - hem de uitgetypte versie van de beraadslagingen van de ge-meenteraad ter hand te stellen. Tegen het uitblijven van een besluit op dat verzoek heeft eiser bij brief van 27 oktober 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 december 2001 heeft de gemeenteraad geweigerd de verslagen van de besloten gedeelten van zijn vergaderingen van 31 mei 2001 en 27 september 2001 openbaar te maken en eisers verzoek om hem gelegenheid te bieden de geluidsopnamen van die gedeelten af te luisteren afgewezen. Tegen deze besluiten heeft eiser een bezwaarschrift ingediend dat door die raad bij besluit 3 ongegrond is verklaard.

2.4

Op 18 juni 2001 heeft eiser een declaratieformulier ingediend in verband met gemaakte en nog te maken reiskosten. Bij brief van 2 augustus 2001 heeft hij verweerder verzocht om uitbetaling van het salaris over de door hem in de periode van 1 januari 2001 tot en met 16 juni 2001 opgebouwde verlof- en ADV-dagen. Bij besluit van 3 december 2001 heeft verweerder geweigerd de door eiser na 9 januari 2001 gemaakte reiskosten te vergoeden en eisers verzoek van 2 augustus 2001 afgewezen. Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt dat bij besluit 4 ongegrond is verklaard.

3. Procesverloop

Namens eiser is beroep ingesteld tegen besluit 1. Eiser zelf heeft tegen de overige bestreden besluiten beroep ingesteld. Zijdens verweerder zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede verweerschriften.

Eiser zelf heeft zijn standpunt met betrekking tot het gehandhaafde ontslagbesluit nader uiteengezet.

Desgevraagd heeft verweerder de rechtbank en eisers onder 2.1 genoemde gemachtigde een afschrift doen toekomen van de notulen van het besloten gedeelte van de vergadering van de gemeenteraad van 27 september 2001.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 23 december 2003 waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan (tijdens de behandeling van het beroep gericht tegen besluit 1) door mr. Wessel voornoemd, als zijn raadsman, en waar verweerder, opgeroepen om te verschijnen bij gemachtigde, zich heeft doen vertegenwoordigen door H.J.J. van der Woude

voornoemd alsmede door mr. P.J. Schaap, werkzaam bij Capra te Zwolle.

4. Motivering

4.1 In de aanhef van deze uitspraak is reeds tot uitdrukking gebracht dat de rechtbank in het voetspoor van de Centrale Raad van Beroep in diens uitspraak van 3 april 2003 (onder nummer 00/5769 AW) verweerder heeft aangemerkt als rechtsopvolger van de gemeenteraad van Dinxperlo.

4.2 De rechtbank acht termen aanwezig eerst stil te staan bij de beroepen gericht tegen de besluiten 2 en 3.

4.3.1 Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze beroepen behoudens voorzover deze betrekking hebben op de weigering van de gemeenteraad om eiser toe te staan de geluidsopnamen van de besloten gedeelten van zijn vergaderingen van 31 mei 2001 en 27 september 2001 te beluisteren op de hierna volgende gronden niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Wat het beroep gericht tegen besluit 2 betreft, bij een beoordeling daarvan heeft eiser geen belang meer. Ten eerste niet omdat de gemeenteraad inmiddels besluit 3 heeft genomen dat over dezelfde verzoeken van eiser handelt als besluit 2, en te meer niet omdat eiser hangende deze gedingen kennis heeft kunnen nemen van de notulen van het besloten gedeelte

van de vergadering van de gemeenteraad van 27 september 2001.

Deze laatste omstandigheid brengt tevens mee dat eiser bij een beoordeling van zijn beroep tegen besluit 3, voor zover dat strekt tot handhaving van de weigering om deze notulen ter inzage te geven, evenmin nog belang heeft.

Datzelfde geldt voor zijn beroep tegen dat besluit voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek hem inzage te geven in de notulen van het besloten gedeelte van de vergadering van 31 mei 2001 is gehandhaafd en wel omdat eiser reeds in een brief aan de gemeenteraad van 6 augustus 2001 te kennen heeft gegeven dat hij kennis had genomen van deze notulen. Dat zo zijnde had de gemeenteraad eiser in zoverre in zijn verzoek niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4.3.2 De rechtbank vindt in het vorenoverwogene aanleiding te gelasten dat de gemeente Dinxperlo het door eiser in verband met de indiening van zijn beroepschriften tegen besluiten 2 en 3, betaalde griffierecht vergoedt.

4.3.3

Ten aanzien van de geluidsopnamen die eiser wil beluisteren overweegt de rechtbank - zulks onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 november 1995, gepubliceerd in TAR 1996,3 - dat op grond van algemeen aanvaarde (rechts)opvattingen omtrent het recht van een ieder om inzage te krijgen in gegevens, die over hem bij anderen berusten, ook een (gewezen) ambtenaar in beginsel volledig moet kunnen kennisnemen van al hetgeen in zijn personeelsdossier is opgeslagen, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. In het vorenstaande ligt reeds besloten dat eiser, zoals hij meent, aan de Wet openbaarheid van bestuur geen aanspraak kan ontlenen op afgifte

van (kopieën van) de geluidsbanden.

Naar het oordeel van de rechtbank behoren de geluidsopnamen waar het eiser om gaat niet tot zijn personeelsdossier. Doorslaggevend daarbij is dat de notulen van de gedeelten van de vergaderingen van de gemeenteraad van 31 mei 2001 en 27 september 2001 waarin (de handhaving van) eisers ontslag onderwerp van beraadslaging was, reeds ter kennis van eiser zijn gebracht. Daarvan uitgaande valt niet in te zien dat de geluidsopnamen van die vergaderingen nog andere gegevens bevatten die betrekking hebben op (de rechtspositie van) eiser. Opmerking verdient nog dat de rechtbank geen aanleiding ziet om aan te nemen dat de notulen geen getrouw verslag vormen van de beraadslagingen van de gemeenteraad.

De rechtbank zal gezien het vorenstaande in het midden laten of de gemeenteraad terecht het bepaalde in artikel 23, vierde lid, van de Gemeentewet aan zijn weigering ten grondslag heeft gelegd. Het vorenstaande brengt ook mee dat besluit 3 voor zover dat betrekking heeft op de geluidsopnamen in rechte stand kan houden.

4.4 Aangaande besluit 1 overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft niet betwist dat er in het kader van het onderzoek van Schouten en Nelissen alsmede van de zijde van dat bureau zelf in de evaluatienotitie van 18 augustus 1997 kritiek is geuit op zijn functioneren. Daaraan doet niet af dat er ook kritiek was op het functioneren van (de overige leden van) het managementteam (als geheel). Eiser heeft gesteld dat het vorige college de evaluatienotitie ter zijde heeft geschoven en zijdens verweerder is deze stelling niet weersproken. Wat er ook van de hiervoor bedoelde kritiek zij, naar het oordeel van de rechtbank kan deze niet, zoals verweerder kennelijk beoogt, (mede) ten grondslag worden gelegd aan het onderhavige ontslagbesluit nu dat in ieder geval niet zou stroken met het

besluit van het vorige college van burgemeester en wethouders in 1998 om "met een schone lei" te beginnen.

Gezien het vorenstaande spitst het geding naar aanleiding van besluit 1 zich toe op de vraag of hetgeen is voorgevallen in de periode van 6 oktober 2000 tot 12 februari 2001 wel voldoende grond oplevert voor het oordeel dat eiser onbekwaam of ongeschikt is voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Die vraag beantwoordt de rechtbank met haar president in diens uitspraak op eisers verzoek om een voorlopige voorziening van 26 juli 2001 ontkennend.

Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat eiser onweersproken heeft gesteld dat hij de besluitenlijst over de aanpassing waarvan op 6 oktober 2000 in een collegevergadering discussie is ontstaan later (alsnog) heeft gewijzigd alsmede dat hij vrij snel na die vergadering zijn werkzaamheden weer heeft hervat. Ook van het voordragen van de berijmde toespraak tijdens de nieuwjaarsbijeenkomst kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat eiser daarmee blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor zijn betrekking.

Aan verweerder kan zonder meer worden toegegeven dat het passender ware geweest als eiser zich in minder krasse en neerbuigende bewoordingen tot verweerder had gericht als hij heeft gedaan in het advies van 7 oktober 2000 en (met name) in zijn brief van 10 januari 2001. Het gaat de rechtbank evenwel te ver om louter op grond daarvan te concluderen dat

eiser behept is met eigenschappen van karakter, geest of gemoed die hem voor zijn betrekking ongeschikt doen zijn, te weten (volgens het verweerschrift) "een overmaat aan eigengereidheid, een onvermogen om zich te voegen naar de wensen van het gekozen bestuur en een onvermogen om op gepaste wijze te reageren op kritiek". Tot deze conclusie heeft de rechtbank te meer niet kunnen geraken daar genoegzaam aannemelijk is dat eiser tot het schrijven van de brief van 10 januari 2001 en zijn weigering om mee te werken aan een traject gericht op het verbeteren van zijn functioneren "op de onderdelen communicatie en coordinatie" is gekomen (mede) uit onvrede over het feit dat verweerder daartoe besloten had

zonder daar eerst zoals hij al in maart 2000 had aangekondigd met eiser over gesproken te hebben. Dat dat gesprek nog niet had plaatsgevonden valt eiser niet aan te rekenen. In dit verband verdient nog opmerking dat het hebben van een opvatting over de positie van de gemeentesecretaris die afwijkt van die van verweerder niet zonder meer op een lijn kan worden gesteld met ongeschiktheid in de hier aan de orde zijnde zin.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat het gehandhaafde ontslagbesluit op een ontoereikende motivering berust. Om die reden kan het niet in stand blijven.

4.5 Wat het bij besluit 4 gehandhaafde besluit over de vergoeding van door eiser gedeclareerde reiskosten betreft, verweerder stelt zich op het standpunt dat het eiser zowel in de periode dat hij zijn werk wegens ziekte niet heeft verricht als in de periode nadien niet vrijstond eigenmachtig te beslissen een deel van zijn werkzaamheden voort te zetten. De door

hem na 9 januari 2001 gemaakte reizen (voor het bijwonen van functiegerelateerde bijeenkomsten), kunnen dan ook niet als dienstreizen worden aangemerkt. Dat laatste geldt te meer voor de reis gemaakt op 20 juni 2001 nu aan eisers dienstverband reeds op 16 juni 2001 een einde was gekomen, zo begrijpt de rechtbank verweerder.

Eiser heeft niet gesteld dat hij aan enig (wettelijk) voorschrift aanspraak ontleent op vergoeding van de door hem gemaakte kosten. Aan de rechtbank is ook geen zodanig voorschrift bekend. Daarvan uitgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een ambtenaar die zoals eiser wegens ziekte arbeidsongeschikt is slechts met

instemming van zijn werkgever zijn werk geheel of gedeeltelijk (weer) mag (blijven) verrichten alsmede dat een ambtenaar aan wie door zijn werkgever is verzocht geen dienst te verrichten, evenmin zonder instemming van zijn werkgever (toch) bepaalde (neven)taken mag uitoefenen. Aan het vorenstaande doet niet af dat de bedrijfsarts van verweerders gemeente

(achteraf) kennelijk geen bezwaar had tegen het feit dat eiser spontaan bepaalde activiteiten had ondernomen.

Ten aanzien van het (bij besluit 4 eveneens gehandhaafde) besluit over de uitbetaling van niet opgenomen vakantie heeft verweerder er terecht op gewezen dat uit artikel 6:2:3, tweede lid, van de gemeentelijke rechtspositieregeling volgt dat geen aanspraak op vakantie wordt opgebouwd over perioden in een kalenderjaar waarin een ambtenaar (anders dan door

oorzaken bedoeld in het eerste lid of het derde lid van dit artikel) zijn betrekking niet daadwerkelijk vervult. Dat betekent in het geval van eiser dat hij over de periode van 19 februari 2001 tot 16 juni 2001 geen aanspraak heeft verkregen op vakantie. Daaraan doet niet af dat eiser in deze periode op verzoek van verweerder zijn betrekking niet heeft vervuld.

Gezien het vorenoverwogene kan besluit 4 in rechte standhouden.

4.6 In het onder 4.4 overwogene wordt aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gericht tegen besluit 2 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen besluit 3 voor zover dat betrekking heeft op de weigering om de notulen van de besloten gedeelten van de vergaderingen van de gemeenteraad van 31 mei 2001 en 27 september 2001 aan eiser ter inzage te geven niet-ontvankelijk;

- verklaart dat laatste beroep voor het overige ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen besluit 1 gegrond;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op eisers bezwaarschrift tegen het besluit van 31 mei 2001;

- verklaart het beroep gericht tegen besluit 4 ongegrond;

- gelast dat aan eiser het betaalde griffierecht ad € 320,46 (reg.nr.: 01/1387: € 102,10; reg.nr.: 01/1571: € 109,36; reg.nr.: 02/789: € EUR 109,--) wordt vergoed;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot op deze uitspraak begroot op EUR 644,--, terzake van verleende rechtsbijstand;

- wijst de gemeente Dinxperlo aan als de rechtspersoon die voornoemde bedragen aan eiser dient te voldoen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.