Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AO5354

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
53273 HAZA 03-266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan contacten van eiser, die bijgestaan werd door architect, met welstandscommissie en ambtenaren van de gemeente over haalbaarheid bouwplan in de vooroverlegfase kon eiser niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat op de door hem in te dienen bouwvergunningaanvraag positief zou worden beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 53273 HAZA 03-266

Uitspraak : 28 januari 2004

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

1. [eiseres] en

2. [eiser],

echtelieden, beiden wonende te [woonplaats],

eisende partijen,

procureur: mr. D. van Hijkoop,

en

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE BERGH,

zetelende te 's-Heerenberg, gemeente Bergh,

gedaagde partij,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat : mr. P.L.G. Haccou te Arnhem.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eisers] (in mannelijk enkelvoud) en de Gemeente.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ de dagvaarding van 11 maart 2003

­ de akte overlegging producties van [eisers]

­ de conclusie van antwoord

­ de conclusie van repliek, tevens houdende akte tot vermeerdering c.q. verbetering van eis

­ de antwoordakte vermeerdering c.q. verbetering van eis zijdens de Gemeente

­ de conclusie van dupliek

­ de akte uitlating producties zijdens [eisers].

2. De vaststaande feiten

2.1 [eisers] heeft in 2001 architect [architect] ingeschakeld in het kader van zijn voornemen om -een gedeelte van- de opstallen op het aan hem in eigendom toebehorende perceel, gelegen te [adres], af te breken en ter plekke een woonhuis te doen bouwen.

2.2 Alvorens tot het opstellen van een ontwerp van de te bouwen woning over te gaan, heeft [architect] van de heer V. Jansen, ambtenaar in dienst van de Gemeente, een afschrift ontvangen van de artikelen 5 (dan wel 6) en 18 van het door de gemeenteraad vastgestelde, doch op dat moment nog niet door gedeputeerde staten van de provincie Gelderland goedgekeurde, bestemmingsplan "Buitengebied 2000".

Aan [architect] is tevens inzicht verschaft in het bouwdossier van de rechtsvoorganger van [eisers], Arendsen, die voorheen bouwplannen ter plaatse had, waarvoor de welstandscommissie goedkeuring had verleend.

2.3 [architect] heeft op 7 augustus 2001 bij de Gemeente een schetsontwerp voor de te bouwen woning ingediend. In het bijbevoegde door [eisers] ondertekende "vooroverlegformulier" van de Gemeente is namens [eisers] aangegeven dat de oppervlakte van de te bouwen woning met bijgebouwen (inclusief berging en garage) circa 230m2 en de inhoudsmaat circa 1200 m3 bedraagt.

De hoogtematen van de goot en de nok, respectievelijk 6 en 10 meter, waren in het schetsplan aangegeven.

2.4 Het ontwerp is op 21 augustus 2001 in een vergadering van de welstandscommissie besproken. Hierbij was onder meer aanwezig de heer Eijt, medewerker van de afdeling bouwen van de Gemeente. Afgesproken werd dat [architect] de opmerkingen van de welstandscommissie zou verwerken in zijn ontwerp.

2.5 Bij brief van 21 augustus 2001 heeft [architect] aan de Gemeente laten weten dat het bestaande woonhuis van [eisers] een inhoud had van 384,12 m3 en de bestaande woonboerderij een inhoud van 587,40 m3 alsmede dat het totaal uitkwam op 971,50 m3.

2.6 Op 27 augustus 2001 heeft Eijt namens de afdeling Bouwen en Milieu van de Gemeente aan [eisers] een brief verzonden, waarvan de inhoud als volgt luidt:

"(...…)

De door u ingediende stukken voor het beoordelen van het bouwplan aan bestemmingsplan en welstandseisen zijn onvolledig.

De volgende zaken moeten alsnog worden gecompleteerd of aangepast (...…)

Tekening van de bestaande toestand, met de woonfuncties daarop aangegeven, waardoor de inhoud van de bestaande woning kan worden berekend (…...)"

2.7 Op 7 en 20 september 2001 is het ontwerp andermaal besproken door de welstandscommissie.

2.8 [eisers] heeft op 8 november 2001 een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend.

2.9 [architect] heeft omstreeks 22 november 2001 op verzoek van de heer E.G.H. Jansen, die als bouwambtenaar van de Gemeente was belast met de behandeling van de aanvraag, aan de Gemeente nadere gegevens verstrekt, betreffende een bodemonderzoek en de maatvoering van de geplande bouw.

2.10 Naar aanleiding van een bespreking met de welstandscommissie op 8 januari 2002, bij welke bespreking de heer Eijt van de Gemeente aanwezig was, heeft [eisers] zijn ontwerp aangepast. Hierna heeft de welstandscommissie op 5 februari 2002 definitief goedkeuring aan het ontwerp gegeven.

2.11 Bij brief van 6 maart 2002 heeft de Gemeente [eisers] onder meer het navolgende medegedeeld:

"(…...)

Ondanks dat wij niet binnen de gestelde termijn hebben beslist, is er geen sprake van een van rechtswege verleende bouwvergunning, omdat uw bouwplan in strijd is met de voorschriften van het geldende bestemmingsplan (…...)

Voor uw bouwplan is van toepassing het bestemmingsplan 'Buitengebied 2000' met de voorschriften behorende bij artikel 6 'agrarisch gebied met landschapswaarden' (…...)

Uw aanvraag is op de volgende onderdelen in strijd met deze voorschriften:

De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 583 m3;

De goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 3.50 meter (…...)

De hoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 8.00 meter (…...)

Met betrekking tot de voorschriften omtrent de inhoud van de (bedrijfs)woning kunnen wij u het volgende mededelen. Na bestudering van de stukken en controle ter plaatse, op 1 maart 2002, blijkt de inhoud van de bestaande woning 483 m3 te bedragen. Overeenkomstig de voorschriften mag de nieuwe woning een maximale inhoud hebben van 483 m3 vermeerderd met 100 m3. Gezien de voorgeschiedenis van uw bouwplan zijn wij bereid, nadat uw bouwplan is aangepast aan voornoemde bestemmingsplan voorschriften en maximaal 750 m3, het college van burgemeester en wethouders te adviseren, om in afwijking van het bestemmingsplan medewerking te verlenen voor een inhoud van maximaal 750 m3.

Wij wijzen u er op dat de eventuele benodigde vrijstellingen, goedkeuring behoef van het college van burgemeester en wethouders (…...)."

1.12 De Gemeente heeft aan [eisers] tijdens een overleg op 28 maart 2002 medegedeeld dat het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: het college van B&W) niet zal meewerken aan de voorgestelde bouw van een woning met een inhoud van maximaal 750 m3.

Hierop heeft [architect] de Gemeente bij brief van 5 april 2002 namens [eisers] laten weten dat de vergunningsaanvraag van 8 november 2001 wordt ingetrokken alsmede dat zo spoedig mogelijk een gewijzigde aanvraag zal worden ingediend.

2.10 Op 12 juni 2002 is aan [eisers] een bouwvergunning verleend ten behoeve van een nieuw bouwplan dat wel voldoet aan de geldende voorschriften van het bestemmingsplan.

2.11 Bij brief van 30 juli 2002 heeft [eisers] de Gemeente aansprakelijk gesteld. De assuradeur van de Gemeente heeft bij brief van 14 oktober 2002 aansprakelijkheid van de hand gewezen. Nadien is tussen de raadsman van [eisers] en bedoelde assuradeur nog gecorrespondeerd, zonder dat dit tot wijziging van de respectievelijke standpunten heeft geleid.

3. De vordering

3.1 [eisers] vordert -na wijziging van eis- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht zal verklaren de aansprakelijkheid van de Gemeente op grond van artikel 6:162 BW en 6:170 BW voor de schade van [eisers], voortvloeiende uit en samenhangende met het weigeren van een bouwvergunning op zijn aanvraag van of omstreeks 8 november 2001, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.

3.2 [eisers] legt aan zijn vordering de navolgende stellingen ten grondslag.

Tussen de datum van indiening van het schetsontwerp en de eerste welstandsbespreking van 21 augustus 2001 kon de Gemeente -zoals te doen gebruikelijk- het ontwerp toetsen aan het bestemmingsplan. [architect] heeft noch

vóór noch tijdens het welstandsoverleg op 21 augustus 2001 van de Gemeente vernomen dat het ontwerp in strijd met het bestemmingsplan zou zijn. Ook tijdens de besprekingen op 7 en 20 september 2001 heeft noch de Gemeente noch de welstandscommissie gemeld dat het voorontwerp in strijd zou zijn met het bestemmingsplan.

Na afloop van de welstandsbespreking van 20 september 2001 is door de Gemeente aan [architect] medegedeeld dat het bouwplan klaar was en dat [architect] aan de bestektekening kon beginnen zodat de formele bouwaanvraag kon worden ingediend.

Ook van de heer E.G.H. Jansen, gemeente-ambtenaar, die aan [eisers] kort na aanvraag van de bouwvergunning aanvullende gegevens vroeg, vernam [eisers] niet dat het bouwplan in strijd zou zijn met het vigerende bestemmingsplan.

Eerst eind januari 2002 hoorde hij van het hoofd van de afdeling bouwen, de heer Theunissen, dat er discussie was over de terugbouwcapaciteit op grond van de bestaande woonruimte.

De Gemeente, althans haar college van B&W, althans de bij haar in dienst zijnde betrokken ambtenaren hebben verzuimd, zowel tijdens het vooroverleg als ten tijde van de behandeling van de bouwvergunningaanvraag, het plan tijdig te toetsen aan het vigerende bestemmingsplan waaruit alsdan zou blijken dat de bouwvergunningaanvraag in strijd was met de bestemmingsplanvoorschriften. Verzuimd is om hem tijdig er op te wijzen dat hij geen vergunning zou verkrijgen omdat zijn bouwplan is strijd was met de bebouwingsvoorschriften uit het vigerende bestemmingsplan alsmede dat het college van B&W geen vrijstelling ter zake wilde verlenen.

Door de Gemeente is vanwege het veelvuldig overleg en de inhoudelijke bespreking van het bouwplan tijdens het vooroverleg, maar ook gezien de correspondentie en de contacten tijdens de behandelingstermijn van de bouwvergunningaanvraag, bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat het door hem gewenste bouwwerk vergunbaar was. Het ontwerp was aan de wensen van de welstandscommissie c.q. de Gemeente aangepast. [eisers] is afgegaan op de aanwijzingen en inlichtingen van de betrokken bouwambtenaren, in eerste instantie door V. Jansen en later door Eijt, waarbij [eisers] op het verkeerde been is gezet door het meegeven van de verkeerde planvoorschriften. Tevens is hij afgegaan op aanwijzingen van de door de Gemeente aangewezen welstandscommissie. Vanwege het opheffen van alle eerdere belemmeringen met betrekking tot het ontwerp is [eisers] uitgenodigd om een bouwvergunningaanvraag in te dienen. De Gemeente deelde hem bij monde van de heer Eijt mede dat tot een ontvankelijke bouwvergunningaanvraag kon worden gekomen. Eerst na ruim 15 weken na de indiening van de aanvraag heeft hij van de Gemeente vernomen dat het bouwwerk niet vergunbaar was, behoudens vrijstelling.

De ambtenaren van de Gemeente dienen tijdens het vooroverleg en de behandeling van de bouwvergunningaanvraag als orgaan van de Gemeente te worden aangemerkt. Nu bedoelde ambtenaren in strijd met de geschreven en ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, hebben gehandeld, is die onrechtmatige daad toe te rekenen aan de Gemeente.

Daarnaast is de Gemeente jegens hem ex artikel 6:170 BW aansprakelijk

voor het feit dat haar ambtenaren van de afdeling Bouwen en Milieu, die tot de Gemeente in een juridische gezagsverhouding staan, bij de uitvoering van hun werkzaamheden onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door het gerechtvaardigd vertrouwen te wekken dat het bouwplan van [eisers] vergunbaar zou zijn, hetgeen niet juist is gebleken.

Subsidiair is het college van B&W aansprakelijk voor de schade van [eisers] op grond van een toerekenbare onrechtmatige daad in het geval dat de ambtenaren werkzaam waren voor of namens het college van B&W, in casu de vergunningverlenende instantie.

Daarnaast is het college van B&W zelfstandig aansprakelijk daar het college naast voornoemde ambtenaren als vergunning verlenend orgaan, het vertrouwen heeft gewekt dat [eisers] een bouwvergunning zou kunnen verkrijgen, althans verzuimd heeft om tijdig aan te geven dat zij niet voornemens was om positief te beschikken op de mogelijke bouwvergunningaanvraag van [eisers], althans pas ruim na het verstrijken van de reguliere behandelingstermijn van de aanvraag [eisers] heeft medegedeeld dat het college niet wenste mee te werken aan een vrijstellingsprocedure op grond waarvan een bouwvergunning zou kunnen worden afgegeven. Ook dit handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is toerekenbaar aan de Gemeente.

Doordat de Gemeente ook niet meewerkte aan vrijstelling van het bestemmingsplan, betekende een en ander dat hij een nieuw bouwplan diende te ontwerpen en een nieuwe bouwvergunning diende aan te vragen, hetgeen voor hem een enorme schadepost oplevert.

Met betrekking tot de eerste bouwvergunningaanvraag heeft hij aldus nodeloze kosten gemaakt.

Ook heeft hij schade geleden doordat in het opstarten van de bouwactiviteiten een enorme vertraging is opgetreden.

De Gemeente dient dan ook de schade die hij door deze onrechtmatige daad lijdt te vergoeden.

Hij heeft recht en belang bij de vaststelling van de aansprakelijkheid van de Gemeente.

4. Het verweer

4.1 De Gemeente concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de vordering van [eisers] ongegrond zal verklaren en zal afwijzen, met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

4.2 Op het verweer van de Gemeente zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Gelet op de inhoud van het door de Gemeente als productie 12 overgelegde procesbesluit van haar college van Burgemeester en Wethouders d.d. 1 april 2003, is de Gemeente in de onderhavige procedure rechtsgeldig vertegenwoordigd.

5.2 Nu de Gemeente zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de wijziging van eis en de eiswijziging niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde, zal op basis van de gewijzigde eis worden recht gedaan.

5.3 Vooropgesteld wordt dat [eisers] de Gemeente niet verwijt dat aan hem naar aanleiding van zijn aanvraag van 8 november 2001 geen bouwvergunning is verstrekt.

Het verwijt van [eisers] komt er in de kern op neer dat de Gemeente hem in de vooroverlegfase -derhalve voordat hij een bouwvergunningaanvraag heeft ingediend- niet en na die aanvraag niet tijdig er op heeft gewezen dat zijn bouwplannen de toets aan het vigerende bestemmingsplan niet zouden kunnen doorstaan.

Dat [eisers] bedoelde vergunningsaanvraag heeft ingetrokken, voordat daarop door de Gemeente bij beschikking was beslist, is in deze irrelevant.

5.4 Met betrekking tot de vooroverlegfase wordt vooropgesteld dat die fase -anders dan [eisers] kennelijk betoogt- niet tot doel heeft om de beslissing op een na afloop van die fase in te dienen bouwaanvraag in feite tot een formaliteit terug te brengen.

De vooroverlegfase, welke geen wettelijke status bezit, strekt ertoe om een indicatie te verkrijgen over de haalbaarheid van een bouwplan. Niet meer en niet minder. Daar waar de potentiële aanvrager van een bouwvergunning het bestemmingsplan, het bouwbesluit alsmede de bouwverordening kan raadplegen, kan hij zelf vaststellen of zijn bouwplan voldoet aan de daarin neergelegde bebouwingsvoorschriften. Bij gebreke van harde objectieve toetsingscriteria is daarentegen op voorhand minder goed in te schatten of het bouwplan de toets van de welstandscommissie kan doorstaan. Om die reden ligt het zwaartepunt in de vooroverlegfase veelal bij het welstandsaspect.

De volledige en gedetailleerdere toetsing van het bouwplan aan het bestemmingsplan en aan de eisen van welstand vindt plaats nadat een bouwvergunning is aangevraagd.

De beslissing op een bouwvergunningaanvraag is exclusief voorbehouden aan het college van B&W.

Indien de vooroverlegfase positief wordt afgesloten, volgt daaruit nog niet dat de potentiële vergunningaanvrager er zonder meer gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat hij de nog aan te vragen bouwvergunning verkrijgt. Een uitdrukkelijk voorbehoud ter zake behoeft door de ambtenaren van de Gemeente niet in de vooroverlegfase te worden gemaakt.

5.5 Op de ambtenaren van de Gemeente, met wie [eisers] in de vooroverlegfase overleg heeft gevoerd, rustte -anders dan [eisers] kennelijk betoogt- niet de verplichting om in die fase het college van B&W op de hoogte te stellen van het bouwplan en te verifiëren of het college, indien er een ontvankelijke aanvraag van een bouwvergunning zou worden ingediend, daarop, zonodig met het verlenen van vrijstelling, positief zou beslissen. Immers, die stelling is onverenigbaar met het zo-even aangegeven karakter van de vooroverlegfase.

5.6 [eisers] mocht op grond van artikel 6 van het -toen nog niet goedgekeurde- bestemmingsplan kort gezegd, een woning bouwen met dezelfde inhoud als de bestaande woning. Daar in het aan [eisers] ter hand gestelde artikel 5 een soortgelijke bepaling is opgenomen, komt aan de door [eisers] niet verder uitgewerkte stelling met betrekking tot onjuiste informatieverstrekking door de Gemeente in deze dan ook geen betekenis toe.

Anders dan [eisers] kennelijk betoogt, is hem (overigens) -gelet op hetgeen hiervoor onder de vaststaande feiten sub 2.2 is overwogen- geen onjuiste informatie verstrekt door de Gemeente.

5.7 Veronderstellenderwijze uitgaande van de juistheid van de stelling van [eisers] dat hij in de vooroverlegfase aan de Gemeente, die dit betwist, kenbaar heeft gemaakt dat de nieuw te bouwen woning geen grotere inhoud had dan de bestaande woning, was er in zoverre op het eerste oog geen strijd met het bestemmingsplan. Voor de Gemeente (en nog minder voor de welstandscommissie, die niet tot taak heeft tevens een bestemmingsplantoets uit te voeren) bestond dan ook in de vooroverlegfase geen aanleiding om opmerkingen ter zake te maken. [eisers] heeft ook niet specifiek aangegeven welke opmerkingen de Gemeente in de vooroverlegfase zou hebben gemaakt, welke de strekking hadden om strijdigheden met het bestemmingsplan op te heffen. Laat staan dat [eisers] heeft aangegeven dat hij bedoelde opmerkingen van voorschreven strekking ter harte heeft genomen door zijn bouwplan in de vooroverlegfase aan te passen. Meer dan dat [eisers] zijn bouwplan heeft aangepast aan de wensen van de welstandscommissie kan uit zijn betoog niet worden opgemaakt.

Bij deze stand van zaken mocht [eisers], die bovendien ondersteund werd door een architect, die op grond van diens -onweersproken- ervaring met bouwvergunningaanvragen bij de Gemeente beter dan [eisers] geacht moet worden op de hoogte te zijn van het karakter van de vooroverlegfase, er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zijn bouwvergunningaanvrage zonder meer tot een vergunning zou leiden. Dit klemt temeer nu de Gemeente [eisers] bij de aan hem op 27 augustus 2001 verzonden brief om nadere inlichtingen heeft verzocht en [eisers] niet heeft gesteld dat hij aan bedoeld verzoek gevolg heeft gegeven. Uit bedoelde brief blijkt dat (ook) de daarin gevraagde gegevens van belang waren voor de haalbaarheid van een later in te dienen aanvraag. In deze moet er van worden uitgegaan dat de Gemeente niet over volledige informatie beschikte, hetgeen voor rekening en risico van [eisers] komt. Dit laatste brengt overigens met zich dat het verwijt dat de Gemeente [eisers] in de vooroverlegfase had moeten mededelen dat zijn bouwplan in strijd was met het bestemmingplan misplaatst is. De Gemeente beschikte immers niet over alle in deze relevante informatie en het bouwplan van [eisers] was in de vooroverlegfase nog slechts belichaamd in een schetsontwerp.

5.8 [eisers] heeft weliswaar nog aangevoerd dat gezien de correspondentie en de contacten tijdens de behandelingstermijn van de bouwvergunningaanvraag, waarbij hij is afgegaan op aanwijzingen en inlichtingen van de betrokken bouwambtenaren alsmede de welstandscommissie, bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn gewekt dat het door hem gewenste bouwwerk vergunbaar was, doch hij heeft die -door de Gemeente gemotiveerd bestreden- stelling niet nader feitelijk onderbouwd, zodat daaraan verder voorbij wordt gegaan.

5.9 Het voornaamste bezwaar tegen het verlenen van een bouwvergunning op de aanvraag van 8 november 2001 is, zo kan uit de brief van de Gemeente van 6 maart 2002 worden afgeleid, dat na inspectie ter plaatse op 1 maart 2002 bleek dat [eisers]

-naar deze niet heeft weersproken- ten onrechte bij zijn berekening van de inhoud van de bestaande woning ook de inhoud van een berging/schuur heeft meegerekend, terwijl deze niet tot de woning behoorde, althans ten tijde van de vergunningaanvraag geen woonfunctie vervulde. Dit had onmiddellijke consequenties voor de toegestane inhoud van de nieuw te bouwen woning.

[eisers] heeft de Gemeente met recht niet verweten dat zij reeds eerder uit eigen beweging ter plaatse een onderzoek had moeten instellen naar de in deze relevante inhoud van de bestaande woning. Een dergelijk onderzoek gaat immers het bestek van de -oriënterende- vooroverlegfase te buiten. [eisers] heeft ook niet gesteld dat hij met de Gemeente afgesproken had dat zij in de vooroverlegfase ter plaatse een onderzoek zou instellen.

5.10 Het verwijt van [eisers] dat de Gemeente alsmede de welstandscommissie hebben nagelaten om het bouwplan tijdig te toetsen aan het vigerende bestemmingsplan doet niet ter zake, omdat een dergelijke -papieren- toetsing de hier aan de orde zijnde strijdigheid met het bestemmingsplan niet aan het licht zou hebben gebracht. [eisers] heeft het tegendeel ook niet betoogd. Zoals gezegd is die strijdigheid eerst aan het licht gekomen na een inspectie ter plaatse. [eisers] heeft de Gemeente niet met zoveel woorden verweten dat zij eerst in een laat stadium ter plaatse een onderzoek heeft ingesteld.

5.11 Het moge zo zijn dat [eisers] eerst in maart 2002, ruim na het verstrijken van de in artikel 46 van de Woningwet aangegeven behandelingstermijn van 13 weken, officieel van de Gemeente kreeg te horen dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan was, doch dit tijdsverloop impliceert niet dat de Gemeente, althans haar college van B&W, onrechtmatig jegens [eisers] zou hebben gehandeld. Het gaat in casu immers slechts om een termijn van orde, aan overschrijding waarvan de Woningwet weliswaar consequenties verbindt, doch daaronder is niet begrepen een aanspraak van de aanvrager van een bouwvergunning op schadevergoeding.

5.12 Voor zover [eisers] nog heeft gesteld dat aan hem, nadat de Gemeente had aangegeven dat zijn bouwplan in strijd met het bestemmingsplan was, door de Gemeente is toegezegd dat door het uit het bouwplan weglaten van de serre, toestemming zou kunnen worden verleend voor de bouw van een woning met een inhoud van 750 m3, kon [eisers] daaraan evenmin een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij een bouwvergunning ter zake zou krijgen. Immers, [eisers] kon uit de inhoud van de brief van 6 maart 2002 in redelijkheid niet méér afleiden dan dat het hoofd van de afdeling Bouwen en Milieu van de Gemeente het college van B&W wilde adviseren om voor een dergelijk bouwvolume een bouwvergunning af te geven. In die brief wordt voorts uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aangegeven dat de daartoe benodigde vrijstellingen de goedkeuring behoeven van het college van B&W.

5.13 Voor zover [eisers] heeft betoogd dat het bouwplan van zijn rechtsvoorganger Arendsen, die een meer volumineuze bouw voor ogen stond (een woning met een inhoud circa 2.400 m3), in deze van doorslaggevend belang is, faalt dit. Immers, aan het plan van Arendsen was nog slechts door de welstandcommissie goedkeuring verleend en van een aan Arendsen ter zake verleende bouwvergunning was derhalve nog geen sprake. [eisers] mocht er op die basis derhalve niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat aan hem een bouwvergunning zou worden verleend voor een minder volumineus bouwplan.

5.14 Onder de gegeven omstandigheden kan niet gezegd worden dat de Gemeente jegens [eisers] een ongeschreven norm zou hebben geschonden. Van onrechtmatig handelen van de Gemeente is ook overigens geen sprake.

Evenmin is kunnen blijken dat de ambtenaren van de Gemeente jegens [eisers] een die ambtenaren toerekenbare onrechtmatige daad hebben gepleegd.

5.15 Om dezelfde redenen faalt het betoog van [eisers] dat het college van B&W jegens hem aansprakelijk is op grond van een onrechtmatige daad, te meer niet nu de ambtenaren van de Gemeente, die met [eisers] en [architect] in de vooroverlegfase contacten hebben onderhouden, op generlei wijze geacht kunnen worden bevoegd te zijn om het college van B&W te vertegenwoordigen. Voor de leden van de welstandscommissie geldt dit te minder, nu zij in artikel 48 van de Woningwet worden aangeduid als commissie van onafhankelijke deskundigen.

[eisers] heeft ook niet gesteld dat het college van B&W naar hem toe de schijn zou hebben gewekt dat bedoelde ambtenaren dan wel bedoelde leden van de welstandscommissie in de vooroverlegfase bevoegd zouden zijn om het college

van B&W te vertegenwoordigen.

5.16 Op al hetgeen hiervoor is overwogen stuit -zonder dat nog op de overige stellingen en weren behoeft te worden ingegaan- het gevorderde af.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen is het aanbod van [eisers] om te bewijzen dat de Gemeente het vertrouwen heeft gewekt dat de door hem ingediende bouwvergunningaanvraag vergunbaar was zonder meer te vaag om te worden gehonoreerd. Hetzelfde geldt voor het overige bewijsaanbod van [eisers].

[eisers] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op EUR 205,-- aan verschotten en op EUR 780,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A.M. van der Kallen, M.J. van Lee en

S.B. Boorsma en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2004.