Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2004:AO2854

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-01-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
03/1720 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeker onder oplegging van een dwangsom heeft gelast om binnen zes weken de bewoning van het pand [adres] te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 03/1720 GEMWT

UITSPRAAK op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vorden, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van 31 oktober 2003, waarbij verweerder verzoeker onder oplegging van een dwangsom heeft gelast om binnen zes weken de bewoning van het pand [adres] te beëindigen.

2. Procesverloop

Namens verzoeker heeft mr. W.J.C. Schalken, advocaat te Zutphen, bij brief van 2 december 2003 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van 12 december 2003 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 9 januari 2004. Namens verzoeker is verschenen mr. Schalken voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P. van Eykel, ambtenaar van de gemeente.

3. Motivering

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Vorden Centrum en Oost 1994” rust op het in geding zijnde perceel [adres], gelegen op het bedrijventerrein […], de bestemming “Bedrijventerrein”.

In artikel 10.1, aanhef en onder a tot en met d, van de planvoorschriften is bepaald – samengevat – dat de op de plankaart als “Bedrijventerrein” aangewezen grond is bestemd voor gebouwen ten dienste van (nader aangeduide categorieën van) bedrijven.

Ingevolge artikel 10.1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften is deze grond tevens bestemd voor dienstwoningen, noodzakelijk voor toezicht en/of beheer, met daarbij behorende aangebouwde en/of vrijstaande hobbyruimten, bergruimten, carports en garages. In artikel 10.3.1 van de planvoorschriften zijn eisen opgenomen waaraan bij het bouwen van gebouwen ten dienste van de in artikel 10.1 genoemde doeleinden moet worden voldaan.

Volgens onderdeel d zijn dienstwoningen toegelaten, voor zover deze op de kaart, blad 2B als zodanig zijn aangegeven. Op de plankaart, blad 2B, zijn dienstwoningen aangeduid met een asterisk.

Ingevolge artikel 10.8, aanhef en onder d, van de planvoorschriften kan vrijstelling worden verleend van het bepaalde in artikel 10.3, onder d, ten behoeve van het bouwen van dienstwoningen binnen het op de kaart, blad 2B, als zodanig met een begrenzende lijn aangegeven gebied, mits aan een aantal nader genoemde voorwaarden wordt voldaan.

In artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften is bepaald dat het verboden is opstallen – of delen daarvan – en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

3.3. Verzoeker exploiteert op het perceel [adres] een […]bedrijf. Een deel van het bedrijfspand wordt door hem voor bewoning gebruikt. Niet in geschil is dat het perceel op de plankaart niet is aangeduid met een asterisk. Evenmin is in geschil dat een vrijstelling als bedoeld in artikel 10.8, onder d, van de planvoorschriften niet mogelijk is.

3.4. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of het bestemmingsplan bewoning van het bedrijfspand toestaat. Verzoeker heeft aangevoerd dat de bouwvoorschriften van artikel 10.3.1 van de planvoorschriften ondergeschikt zijn aan de doeleindenbepalingen in artikel 10.1 van de planvoorschriften, en dat de bewoning van het bedrijfspand niet strijdig is met de in artikel 10.1, onder e, aan de grond gegeven bestemming, aangezien deze bewoning noodzakelijk is uit het oogpunt van toezicht.

3.5. Met verweerder is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat bewoning van (een gedeelte van) het bedrijfsgebouw op het onderhavige perceel strijdig is met de in artikel 10.1 van de planvoorschriften aan de grond gegeven bestemming. Zoals ter zitting is toegelicht is bij de vaststelling van het bestemmingsplan beoogd het aantal toen bestaande dienstwoningen op het bedrijventerrein […] niet uit te breiden, behoudens een tweetal uitzonderingen. Daartoe zijn de reeds bestaande dienstwoningen als zodanig aangegeven op de kaart, blad 2B (met een asterisk) en is voor een tweetal, eveneens op de kaart, blad 2B (met een begrenzende lijn) aangegeven locaties in artikel 10.8 een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid opgenomen. Gelet op deze in hoofdzaak conserverende doelstelling van het bestemmingsplan dient artikel 10.1, onder e, aldus te worden uitgelegd dat de daarin aangegeven bestemming “dienstwoning” slechts geldt voor de percelen waarop ingevolge artikel 10.3.1, onder d, dienstwoningen zijn toegelaten (aangegeven met een asterisk op de kaart) en de percelen waarvoor de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid van artikel 10.8 van toepassing is. Bewoning van het bedrijfspand op het perceel van verzoeker is derhalve niet toegestaan, ook niet als deze bewoning plaatsvindt ten behoeve van toezicht en/of beheer. Verweerder is derhalve bevoegd om daartegen handhavend op te treden.

3.6. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien is de voorzieningenrechter niet gebleken. Van concreet zicht op legalisering is, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, geen sprake. De stelling van verzoeker dat de bewoning noodzakelijk is om toezicht uit te oefenen, met name ter bescherming van zijn bedrijf tegen criminaliteit, en dat hij aldus zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft genomen, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die verweerder noopt de illegale bewoning te gedogen. Evenmin kan als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt dat verzoeker – al dan niet op instigatie van verweerder – in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven als woonachtig op het onderhavige adres. Er is derhalve thans geen plaats voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is evenmin gebleken.

3.7. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit naar voorlopig oordeel in bezwaar in stand kunnen blijven. Voor een voorlopige voorziening bestaat derhalve geen aanleiding.

3.8 Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank,

recht doende:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: