Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AO5451

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-12-2003
Datum publicatie
11-03-2004
Zaaknummer
Reg.nr.: 02/1062 WOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AQ5778
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoeksrapport naar wijze waarop van gemeentewege informatie is verstrekt betreft een aangelegenheid van bestuurlijke aard.

Uitspraak bevestigd door ABRS; LJN AQ5778.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 02/1062 WOB

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorst, verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder van 18 juli 2002, kenmerk: coo-0201605-2.

2. Feiten en procesverloop

Eiser heeft medio 2001 het perceel [adres] en de daarop gelegen opstallen verkocht en geleverd aan [naam ambte[ambtenaar], ambtenaar bij de gemeente Voorst. De opstallen werden sinds geruime tijd niet meer voor woondoeleinden gebruikt en op het perceel rustte geen woonbestemming. [ambtenaar] heeft, gelijk een aantal andere gegadigden, bij de gemeente Voorst

geïnformeerd naar de mogelijkheid om het perceel voor woondoeleinden te gebruiken en naar de eventuele bereidheid van verweerder om aan een wijziging van de bestemming mee te werken. [ambtenaar] is net zoals de anderen te kennen gegeven dat aan een (gedeeltelijke) wijziging in een woonbestemming geen medewerking wordt verleend.

Aan [ambtenaar] is vervolgens toch vergunning verleend voor de (ver)bouw van een woning op het bewuste perceel.

Verweerder heeft aan Van Kleef & Partners te Boskoop verzocht onderzoek te doen naar de wijze waarop van gemeentewege informatie is verstrekt over een eventuele wijziging van de op het perceel rustende bestemming. De door verweerder voor dit onderzoek verstrekte opdracht luidt:

'Wij verzoeken u onderzoek te verrichten dat antwoord geeft op de volgende vragen.

1. Is in deze zaak sprake van verwijtbaar plichtsverzuim bij de kopende ambtenaar en/of andere ambtenaren (integriteit), mede in relatie tot ons (B&W) eigen doen en laten?

Zo nee, graag een gemotiveerde conclusie.

2. Zo ja, hoe dienen wij daarmee om te gaan, c.q. op te reageren? Wij ontvangen in dit geval graag een advies over eventueel te nemen rechtspositionele maatregelen in brede zin.

3. Hoe kunnen wij het beste over deze zaak communiceren?'

In het kader van het door Van Kleef & Partners uitgevoerde onderzoek zijn diverse personen, waaronder eiser, geïnterviewd. In een brief van 22 februari 2002 heeft verweerder over de uitkomsten van het onderzoek aan eiser meegedeeld:

'De onderzoekers constateren dat zowel de heer [ambtenaar] als verzoeker, als de behandelend en informatieverstrekkende ambtenaren van de afdeling Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) binnen de grenzen van de rechtmatigheid zijn gebleven.

Daarnaast heeft de onderzoeker aangegeven dat ambtenaren vanuit hun functie eerder af zouden moeten zien van hun normale rechten als burger wanneer dat tot discussie kan leiden over de integriteit van de gemeente.

De onderzoeker gaf voorts aan dat het ontbreken van een heldere gedragslijn voor dit soort situaties de kans op fouten of ongewenste schijn van belangenverstrengeling vergroot.

Hij adviseerde ons: werk als gemeente aan duidelijke afspraken over integriteits-vraagstukken.

Een belangrijk aandachtspunt daarbij dient te zijn het onderkennen van elementen van integriteit en daar goed op inspelen.'

Bij besluit van 14 mei 2002 heeft verweerder eisers verzoek om aan hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) het rapport van Van Kleef & Partners, gedateerd 23 januari 2002 (hierna: het rapport), ter beschikking te stellen, afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van verweerder heeft de rechtbank bepaald dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van het rapport.

Eiser heeft de rechtbank desgevraagd geen toestemming verleend om mede op de grondslag van het rapport uitspraak te doen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 oktober 2003, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door E. Gerrits, ambtenaar bij de gemeente Voorst.

3. Motivering

3.1. Aan de weigering om het rapport van Van Kleef & Partners aan eiser ter beschikking te stellen ligt ten grondslag dat het rapport volgens verweerder geen bestuurlijke aangelegenheid betreft in de zin van de Wob.

3.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11, welke bepalingen absolute en relatieve weigeringsgronden voor verstrekking van informatie bevatten.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob wordt onder een bestuurlijke aangelegenheid verstaan: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.

3.3. Doel van de Wob is het bevorderen van een goede en democratische bestuursvoering. Naar het oordeel van de rechtbank dient het begrip 'bestuurlijke aangelegenheid' mede daarom ruim te worden uitgelegd. De toepassing van de artikelen 10 en 11 en niet een enge uitleg van artikel 3, eerste lid, vormt de aangewezen weg om de toepassing van de Wob zonodig op maat te snijden. De rechtbank vindt voor deze opvatting steun in de Memorie van Toelichting bij de Wob (TK 1986-1987, 19 859, nr. 3, p. 25), waaruit naar voren komt dat de wetgever met het begrip 'bestuurlijk' het oog heeft gehad op het openbaar bestuur in al zijn facetten, dat wil zeggen het gehele reilen en zeilen van de overheid, niet alleen in relatie tot derden, maar ook wat betreft de interne organisatie en de verhouding tot de eigen bestuurders en ambtenaren.

3.4. De rechtbank heeft wegens het ontbreken van de daarvoor vereiste toestemming geen kennis kunnen nemen van de inhoud van het rapport. Mede gelet op de opdrachtverlening en wat verweerder over de in het rapport neergelegde

onderzoeksresultaten heeft meegedeeld, bestaat er echter voldoende aanleiding het rapport (in zijn geheel) aan te merken als een document over een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob. Het rapport vormt kennelijk de weerslag van een onderzoek dat onder meer betrekking had op de wijze waarop van gemeentewege informatie

is verstrekt over de mogelijkheden om het bewuste perceel voor woondoeleinden te gebruiken, welk onderwerp bezwaarlijk anders kan worden aangemerkt dan als een bestuurlijke aangelegenheid. In dit verband is bovendien kennelijk niet alleen het optreden van één of meer ambtenaren onderzocht, maar ook het doen en laten van het college van burgemeester en wethouders. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat het begrip 'bestuurlijke aangelegenheid' ruim dient te worden uitgelegd, bestaat er, anders dan verweerder heeft betoogd, geen aanleiding voor het oordeel dat, nu het rapport verweven is met het ambtenaarschap van één of meer betrokken medewerkers, niet kan worden gesproken van een aangelegenheid van bestuurlijke aard. Verweerder heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat het verzoek geen betrekking heeft op informatie neergelegd in een document over een dergelijke aangelegenheid.

3.5. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3, eerste lid, van de Wob te worden vernietigd. Verweerder moet een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser nemen.

3.6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Voorzover eiser heeft bedoeld te betogen dat verweerder ten onrechte zijn verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten heeft afgewezen, treft zijn betoog geen doel. Verweerder moet

nog nader op het bezwaar beslissen en thans staat nog niet vast dat het besluit van 14 mei 2002 moet worden herroepen.

4. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen;

-bepaalt dat de gemeente Voorts het griffierecht van EUR€ 109,- aan eiser vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van EUR€ 644,-, te betalen door de gemeente Voorst, ter zake van verleende rechtsbijstand.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. N.C. van Lookeren Campagne en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.