Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AN9055

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-11-2003
Datum publicatie
28-11-2003
Zaaknummer
58155 HA RK 03-185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vervanging van rechter-commissaris in faillisement. Verzoek tot ontslag van curator in faillisement en het opheffen van de inbewaringsstelling ex artikel 87 Faillissementswet. De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vervanging van de rechter-commissaris. De overige verzoeken worden op een later tijdstip behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rekestnummer: 58155 HA RK 03-185

Uitspraak : 27 november 2003

Beschikking van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, inzake het verzoekschrift van:

[naam verzoeker],

wonende te Nieuw Vennep,

verzoeker,

advocaat : mr. L. de Leon te Utrecht

gericht tegen:

mr. W.H. WESTHUIS, in zijn hoedanigheid van rechter-commissaris en

mr. M.J. ELLENBROEK, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van

De Apeldoornsche Caravan en Trailerfabriek B.V.,

gevestigd te Apeldoorn.

Partijen worden hierna mede aangeduid als [verzoeker], de rechter-commissaris en de curator.

1. Het verloop van de procedure.

Dit verloop blijkt uit:

- de op 30 oktober 2003 ter griffie van deze rechtbank binnengekomen brief van [Vertegenwoordiger Law Watch Nederland], gericht aan de president van deze rechtbank;

- de brief van de president van deze rechtbank van 6 november 2003 aan de heer [Vertegenwoordiger Law Watch Nederland] voornoemd, waarin hem is meegedeeld dat het verzoekschrift ter behandeling is doorgeleid naar de civiele griffie van de rechtbank;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van 20 november 2003.

2. Het verzoek.

2.1. [verzoeker] verzoekt door middel van voormelde brief van 30 oktober 2003:

a. de rechter-commissaris in voornoemd faillissement te vervangen,

b. de curator in voornoemd faillissement te ontslaan en te vervangen en

c. zijn inbewaringstelling ex artikel 87 Faillissementswet op te heffen.

2.2. Hij voert daartoe het volgende aan:

ad a.: de rechter-commissaris heeft onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig gehandeld door zich kritiekloos op te stellen tegenover de curator en op grond van door de curator aangedragen ongefundeerde beweringen en beschuldigingen [verzoeker] voor te dragen voor inbewaringstelling en door gedurende de inbewaring-stelling niet in te grijpen. De rechter-commissaris heeft aldus zijn ambtseed geschonden.

ad. b.: De curator heeft zich niet voldoende gekweten van haar wettelijke verplichtingen als curator in voormeld faillissement.

ad. c.: De vrijheidsbeneming van [verzoeker] kan niet worden aangemerkt als een legitieme faillissementsgijzeling, omdat de wettelijke voorwaarden waaraan deze had moeten voldoen, niet zijn vervuld.

3. De beoordeling.

3.1. Als meest vergaand zal als eerste het namens [verzoeker] ingediende verzoek strekkende tot vervanging van de rechter-commissaris worden behandeld.

3.2. [verzoeker] kan in dat verzoek niet ontvangen worden, nu het recht en met name de faillissementswet niet voorziet in een tot de rechtbank gericht verzoek, strekkende tot ontslag of vervanging van de rechter-commissaris in een faillissement.

3.3. Ook indien recht en wet zouden voorzien in een dergelijk verzoek, zou hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd niet kunnen leiden tot toewijzing van het verzoek. Ten aanzien van de eerste verwijten aan de rechter-commissaris geldt het volgende.

Op 19 maart 2003 is onder meer [verzoeker] gehoord door de rechter-commissaris in voornoemd faillissement, waarbij aan [verzoeker] is meegedeeld dat hij in verband met door de curator verstrekte informatie, wordt beschouwd als feitelijk bestuurder van de failliet. Aan het eind van dit verhoor heeft de rechter-commissaris [verzoeker] meegedeeld dat hij de door hem afgelegde verklaringen volstrekt ongeloofwaardig acht, is [verzoeker] voorgehouden dat hij als feitelijk bestuurder verplicht is informatie te verschaffen en dat er faillissementsbewaring dreigt als geen of onvoldoende informatie verschaft wordt. Na de mededeling van [verzoeker] dat hij bleef bij zijn verklaring, heeft de rechter-commissaris hem meegedeeld dat hij een voordracht tot inbewaringstelling bij de rechtbank zou indienen.

Op 19 maart 2003 heeft de rechter-commissaris de rechtbank voorgedragen [verzoeker] in bewaring te stellen.

Bij beschikking van 20 maart 2003 heeft de rechtbank bevolen dat [verzoeker] in bewaring wordt gesteld. Ingevolge deze beschikking is [verzoeker] op 3 april 2003 in bewaring gesteld. Op 4 april 2003 is hij, in aanwezigheid van zijn toenmalige raadsman, door de rechtbank gehoord over zijn inbewaringstelling.

Op 10 april 2003 is [verzoeker] wederom gehoord door de rechtbank over de inbewaringstelling. Bij beschikking van 11 april 2003 heeft de rechtbank de inbewaringstelling van [verzoeker] geschorst, onder meer onder de voorwaarde dat hij een bedrag van EUR 25.000,-- als zekerheid diende te storten.

3.5. Hieruit volgt dat de beslissing om de inbewaringstelling van [verzoeker] te gelasten door de rechtbank is genomen en dat deze beslissing ook na [verzoeker] en diens raadsman op 4 en 10 april 2003 te hebben gehoord, in stand is gebleven.

Weliswaar is het de rechter-commissaris die, na [verzoeker] gehoord te hebben, de voordracht tot gijzeling heeft gedaan, het is aan de rechtbank de door de rechter-commissaris aan zijn voordracht ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden te toetsen en op die voordracht te beslissen, zoals zij ook gedaan heeft.

Zo [verzoeker] van mening is dat die door de rechter-commissaris aangevoerde feiten en omstandigheden onjuist zijn of de inbewaringstelling niet zouden kunnen dragen, had het op zijn weg gelegen een rechtsmiddel in te stellen tegen de beslissing van de rechtbank. [verzoeker] heeft om hem moverende redenen van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. In beginsel moeten wettelijke regelingen waarbij tegen rechterlijke beslissingen rechtsmiddelen ter beschikking worden gesteld, geacht worden uitputtend te voorzien in de bescherming van de belangen die voor partijen bij het verkrijgen van een juiste beslissing zijn betrokken.

In het onderhavige geval verhindert het niet aanwenden van die rechtsmiddelen de discussie die [verzoeker] thans wenst te voeren over de voordracht van de rechter-commissaris, laat staan dat daaraan de consequentie van diens vervanging zou kunnen worden verbonden.

3.6. Voor de stelling van [verzoeker] dat de rechter-commissaris -eerder- had moeten ingrijpen en had moeten aansturen op opheffing van de inbewaringstelling, is geen steun te vinden in de omstandigheden van het geval, te meer niet nu hij van de curator geen signaal ontving dat het belang bij voortgezette inbewaringstelling was komen te ontvallen, terwijl anderzijds het tijdsverloop tussen het verhoor op 4 april 2003 en 9 april 2003, de dag waarop [verzoeker] via zijn raadsman om een onderhoud vroeg met de rechter-commissaris en tevens de rechtbank verzocht de inbewaringstelling te beƫindigen, zodanig kort was dat zelfstandige tussenkomst van de rechter-commissaris op dat moment niet van hem behoefde te worden verwacht.

3.7. [verzoeker] heeft aangekondigd dat hij de procureur-generaal bij de Hoge Raad zal verzoeken een onderzoek in te stellen naar de gedragingen van de rechter-commissaris en mr. Westhuis voor te dragen voor ontslag. Wat van deze voorgenomen stappen ook zij -de wetsartikelen waar [verzoeker] in dat verband naar verwijst, zijn komen te vervallen- het enkele feit dat [verzoeker] voornemens is zich tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad te wenden, kan niet leiden tot de conclusie dat de rechter-commissaris gedurende het mogelijk te verrichten onderzoek niet kan functioneren als rechter-commissaris in voormeld faillissement. Zou hier immers vanuit gegaan worden, dan zou dat betekenen dat een ieder enkel door zich tot de procureur-generaal te wenden, zou kunnen bewerkstelligen dat een rechter die een hem of haar onwelgevallige beslissing heeft genomen, gedwongen wordt zich van de zaak terug te trekken. Een dergelijke situatie kan niet aanvaard worden.

3.8. Met het oog op de verdere behandeling van de onder 2.2 sub b en c vermelde verzoeken, zal het onderzoek worden heropend.

3.9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing:

De rechtbank, beschikkende,

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek als vermeld onder 2.2 sub a;

heropent het onderzoek met het oog op de behandeling van de onder 2.2 sub b en c vermelde verzoeken;

bepaalt dat [verzoeker], zijn raadsman, de curator en de rechter-commissaris hun verhinderdata over de periode december 2003 tot en met medio januari 2004 dienen over te leggen uiterlijk op maandag 1 december 2003 aan de griffie handelsrekesten;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D. Vergunst, E.A.M. van der Kallen en K.H.A. Heenk, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier is buiten staat deze beschikking te tekenen.