Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AM1469

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-10-2003
Datum publicatie
06-04-2004
Zaaknummer
02/1783 WAO 06
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de toekenningsbeslissing op grond van artikel 36a van de WAO ingetrokken, en aan eiseres een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het onverschuldigd betaalde gedeelte van de WAO-uitkering is van eiseres teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 02/1783 WAO 06

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 november 2002.

2. Feiten

Eiseres heeft op 10 november 2000 haar werkzaamheden als medewerkster [functie] gestaakt in verband met psychische klachten, gerelateerd aan privé-problematiek.

Bij besluit van 29 november 2001 is eiseres met ingang van 9 november 2001 (na einde wachttijd) in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 2 juli 2002 heeft verweerder de toekenningsbeslissing van 29 november 2001 op grond van artikel 36a van de WAO ingetrokken, en aan eiseres met ingang van 9 november 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 8 juli 2002 is het over de periode van 9 november 2001 tot 1 juli 2002 onverschuldigd betaalde gedeelte van de WAO-uitkering van eiseres teruggevorderd.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen voormelde besluiten ongegrond verklaard en zijn besluiten van 2 en 8 juli 2002 gehandhaafd.

3. Procesverloop

Namens eiseres heeft mevrouw mr. M.J. Horstink, werkzaam bij Bureau Rechtshulp te Apeldoorn, beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden en een vraag van de rechtbank beantwoord. Vervolgens is namens eiseres gerepliceerd.

Bij brief van 25 juli 2003 heeft verweerder de rechtbank doen weten dat eiseres “per einde wachttijd” (bedoeld zal zijn: ingaande 9 november 2001) voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 september 2003, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mevrouw mr. M.T.A. Lamers, eveneens werkzaam bij Bureau Rechtshulp te Apeldoorn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Liesting.

4. Motivering

De rechtbank stelt vast dat verweerder blijkens de brief van 25 juli 2003 zijn standpunt omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres, zoals neergelegd in het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 2 juli 2002, thans (in verband met recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep) niet meer handhaaft. Geconcludeerd moet daarom worden dat het bestreden besluit inzoverre op een onjuiste grondslag berust en om die reden niet in stand kan blijven.

Verweerder heeft echter geen nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres genomen doch de rechtbank verzocht om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), inzoverre zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiseres ingaande 9 november 2001 aanspraak heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om aan verweerders verzoek te voldoen. In de eerste plaats niet omdat uit de nadere standpuntbepaling van verweerder voortvloeit dat het gehandhaafde besluit van 8 juli 2002 niet meer juist is, aangezien daarbij een te hoog bedrag van eiseres wordt teruggevorderd. Inwilliging van het verzoek van verweerder zou derhalve resulteren in een partiele beslechting van het geschil tussen partijen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zowel bij het handhaven van het besluit van 2 juli 2002 als bij het nader vormen van zijn oordeel omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres ten onrechte niet (althans niet kenbaar) is overgegaan tot volledige heroverweging van zijn besluit tot toekenning van een uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Door dat na te laten heeft verweerder gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, waarin is bepaald dat op de grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit dient plaats te vinden. In het aanvullend bezwaarschrift heeft eiseres (onder meer) gesteld dat zij na de ontvangst van het besluit van 29 november 2001 en voor de toezending van het besluit van 2 juli 2002 niet door een arbeidsdeskundige was geïnformeerd over de wijziging van de mate van haar arbeidsongeschiktheid, terwijl eveneens is verzuimd een belastbaarheidsprofiel op te maken. Deze grieven hebben onmiskenbaar (mede) betrekking op (de medische en arbeidskundige aspecten van) het toekenningsbesluit. Of ze terecht zijn geuit doet in dit verband uiteraard niet terzake. Wat de omvang van de verplichte heroverweging aangaat verdient nog opmerking dat de tekst van het eerste lid van artikel 7:11 van de Awb geen aanknopingspunten bevat om die verplichting zo eng uit te leggen als verweerder heeft gedaan door zijn heroverweging expliciet te beperken tot het besluit tot intrekking van het besluit van 29 november 2001. Anders gezegd: verweerder had, alvorens te besluiten tot handhaving van het toekenningsbesluit, ook dienen te bezien of de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit juist was.

In dit verband wil de rechtbank niet nalaten verweerder er op te wijzen dat zijn opvatting omtrent de reikwijdte van zijn heroverwegingsplicht in het onderhavige geval zich niet goed laat rijmen met het spontaan verlaten van zijn eerdere standpunt aangaande de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres en al helemaal niet met zijn verzoek aan de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien. Consequentie van deze opvatting is immers dat het geding bij de rechtbank zich niet uitstrekt tot (een wijziging van) het toekenningsbesluit.

De rechtbank zal gelet op het vorenoverwogene volstaan met gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres dienen te nemen en ook het toekenningsbesluit volledig dienen te heroverwegen mede in het licht van hetgeen eiseres daartegen in beroep heeft ingebracht. Tegen de nieuwe beslissing(en) op bezwaar staat – desgewenst – wederom beroep open. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans op een en ander vooruit te lopen.

De rechtbank acht tot slot termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

Voor schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb bestaan thans geen gronden, aangezien verweerder de zaak opnieuw inhoudelijk dient te beoordelen en een nader besluit dient te nemen.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht van € 29,- aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: