Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AJ3525

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-08-2003
Datum publicatie
06-11-2003
Zaaknummer
02/1175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsing pand op gemeentelijke monumentenlijst. Ontvankelijk ondanks te late indiening van bezwaar n.a.v. rechtsmiddelenclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 02/1175

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gendringen, verweerder

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 juni 2002.

2. Feiten

Bij besluit van 18 december 2001 heeft verweerder onder meer het pand [adres] te [woonplaats] op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

Bij brief van 4 maart 2002 heeft de toenmalige eigenaar van dit pand, [ex-eigenaar], daartegen bezwaar gemaakt. Het pand is daarna verkocht en in eigendom overgedragen aan eiser.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder – overeenkomstig het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften – het bezwaar ontvankelijk en ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 9 augustus 2002 beroep ingesteld op de daarin vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Vervolgens heeft eiser nog foto’s en tekeningen ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 mei 2003, waar eiser niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M. Peters en D.G.A. Egberts.

4. Motivering

De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of verweerder het bezwaar terecht ontvankelijk heeft verklaard, zulks in verband met de vraag of tijdig bezwaar is gemaakt. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de wettelijke bezwaartermijn van zes weken aan met ingang van de dag na die waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:42, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

Een besluit tot plaatsing van een pand op de monumentenlijst is een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht, zodat het bekend dient te worden gemaakt op een wijze als omschreven in voormelde bepaling. In overeenstemming hiermee is in artikel 3, vijfde lid, van de Monumentenverordening 1994 van de gemeente Gendringen (hierna: de monumentenverordening) voorgeschreven dat plaatsing op de monumentenlijst op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend wordt gemaakt, waarmee wordt gedoeld op een vorm van openbare bekendmaking.

Gelet op hetgeen desgevraagd door verweerder ter zitting is verklaard, kan worden aangenomen dat het primaire besluit van 18 december 2001 ongeveer een week nadien in een plaatselijk verschijnende krant is gepubliceerd. Hiervan uitgaande moet vervolgens wordt vastgesteld dat het bezwaarschrift, bij verweerder ingekomen op 4 maart 2002, niet binnen de wettelijke termijn is ingediend.

Deze termijnoverschrijding is evenwel verschoonbaar te achten, omdat verweerder in zijn brief van 22 januari 2002, verzonden 24 januari 2002, waarmee hij aan de heer [ex-eigenaar] mededeling heeft gedaan van het besluit van 18 december 2001, heeft vermeld dat tegen dit besluit tot zes weken “na de datum van verzending van dit schrijven” bezwaar kan worden gemaakt. Door deze – zoals uit het voorgaande blijkt: onjuiste – vermelding heeft verweerder de heer [ex-eigenaar] op het verkeerde been gezet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht, zij het op onjuiste gronden, ontvankelijk heeft verklaard.

Ter beoordeling staat vervolgens of verweerder de plaatsing van het pand [adres] op de gemeentelijke monumentenlijst bij het bestreden besluit heeft kunnen handhaven.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de monumentenverordening kan verweerder onroerende zaken die van belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde als beschermd monument op de gemeentelijke monumentenlijst plaatsen.

Verweerder heeft het onderhavige pand overeenkomstig het advies van 11 december 2001 van de gemeentelijke monumentencommissie op de monumentenlijst geplaatst op grond van een beschrijving van het pand door het Gelders Genootschap, gedateerd 22 april 1999, waarin de volgende reden van plaatsing wordt gegeven: “Het object is van belang als voorbeeld van een boerderij, gebouwd in het vierde kwart van de 19de eeuw, waarvan het oorspronkelijk karakter goed bewaard is gebleven, met name in de hoofdvorm, de bouwmaat en het silhouet. Het object valt op door esthetische kwaliteiten, het heeft gave verhoudingen en een bijzondere detaillering in vormgeving en materiaalgebruik”. In de beschrijving wordt melding gemaakt van een aantal niet-oorspronkelijke elementen aan de buitenzijden van het pand. Verweerder heeft ter zitting nader verklaard dat het pand monumentale waarde heeft wegens zijn schoonheid en cultuurhistorische waarde.

Eiser stelt zich op het standpunt dat van monumentale waarde van het pand geen sprake meer is en heeft daartoe gewezen op diverse aanpassingen – in het kader van een complete renovatie ongeveer 22 jaar geleden – waardoor alle aanzichten gewijzigd zijn. Naar de mening van eiser is de cultuurhistorische waarde van het pand grotendeels verloren gegaan.

Verweerder heeft in verband met het beroep van eiser nader advies gevraagd aan het Gelders Genootschap en vervolgens geen aanleiding gezien zijn standpunt ten aanzien van de plaatsing van het pand op de gemeentelijke monumentenlijst te wijzigen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat men er vanuit kan gaan dat een pand na ruim honderd jaar niet meer in de volledige oorspronkelijke staat verkeert, maar wordt vernieuwd, gewijzigd en/of aangepast aan veranderende behoeften en dat dergelijke wijzigingen een afspiegeling zijn van het gebruik van het pand in de loop der tijd en horen bij de geschiedenis daarvan. Met betrekking tot de door eiser genoemde aanpassingen en wijzigingen in het exterieur heeft verweerder uiteengezet dat het object in het gevelbeeld het oorspronkelijke boerderijkarakter heeft behouden, dat de hoofdvorm, de bouwmassa en het silhouet nauwelijks zijn gewijzigd en dat bovendien het karakter van het woonhuis goed intact is gebleven, de uitgevoerde wijzigingen zeer zorgvuldig zijn gedaan, van ondergeschikt belang zijn en de monumentale waarde van het object niet wezenlijk hebben aangetast.

De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling of een object monumentale waarde heeft en voor plaatsing op de monumentenlijst in aanmerking komt een bevoegdheid van verweerder is. Verweerder mag bij zijn beoordeling in beginsel afgaan op een door een deskundige verstrekt advies, mits dit op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en deugdelijk is gemotiveerd. Indien aan deze eisen wordt voldaan, kan het resultaat van de beoordeling door de rechtbank slechts zeer terughoudend worden getoetst.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de in dit geval door de monumentencommissie en het Gelders Genootschap uitgebrachte adviezen naar hun inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat verweerder daarop in beginsel niet heeft mogen afgaan. Gelet op de redengevende beschrijving van 22 april 1999 en de nadere uiteenzetting in het verweerschrift acht de rechtbank het standpunt dat de aan het pand aangebrachte wijzigingen de monumentale waarde daarvan niet wezenlijk hebben aangetast, genoegzaam gemotiveerd. Gelet ook op de in het dossier aanwezige foto’s kan de beoordeling door verweerder de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat eiser geen deskundig tegenadvies in het geding heeft gebracht.

Ook hetgeen overigens nog door eiser is aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot plaatsing van het pand op de gemeentelijke monumentenlijst.

Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. K van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op