Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AJ3482

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-08-2003
Datum publicatie
23-09-2003
Zaaknummer
03-137 VEROR 29
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiser op zijn verzoek onder voorwaarden ontheffing verleend als bedoeld in artikel 8 lid 2 aanhef en onder a. van de Wet op de openluchtrecreatie voor het tot 1 november 2004 houden van een kleinschalig kampeerterrein op het perceel [adres] te [woonplaats].

De raadsman van eiser heeft zich namens zijn cliënte de besloten vennootschap [eiser] B.V. tot verweerder gericht met het verzoek een voorwaarde in te trekken en met het verzoek de ontheffing op naam van de B.V. te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.:03-137 VEROR 29

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser] te [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ruurlo, verweerder

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 december 2002.

2. Feiten

Verweerder heeft aan eiser op zijn verzoek bij besluit van 19 juni 2001 onder voorwaarden ontheffing verleend als bedoeld in artikel 8 lid 2 aanhef en onder a. van de Wet op de openluchtrecreatie voor het tot 1 november 2004 houden van een kleinschalig kampeerterrein op het perceel [adres] te [woonplaats].

Bij brief van 1 maart 2002 heeft de raadsman van eiser zich namens zijn cliënte de besloten vennootschap [eiser] B.V. tot verweerder gericht met het verzoek een voorwaarde in te trekken en met het verzoek de ontheffing op naam van de B.V. te stellen.

De raadsman heeft daarbij, in strijd met de feiten, doen voorkomen alsof de ontheffing oorspronkelijk ook door de vennootschap is aangevraagd.

Bij brief van 4 april 2002 heeft verweerder verzocht om een afschrift van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, om opgave van naam en adres van de beheerder en om bescheiden waaruit blijkt dat de B.V. rechthebbende is van de grond.

Op 21 mei 2002 heeft verweerder besloten het verzoek voor zover betrekking hebbend op de wijziging van de ten naamstelling niet te behandelen omdat het verzoek niet is gecompleteerd. Verweerder heeft geweigerd voorschrift 4 in te trekken wegens het ontbreken van nova.

Bij brief van 1 juli 2002 is bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, waarbij de raadsman in het midden heeft gelaten of hij namens eiser, dan wel namens de vennootschap bezwaar heeft gemaakt. Uit de namens eiser aan de secretaris van de bezwaarschriftencommissie gezonden brief van 18 september 2002 blijkt dat de raadsman namens eiser bezwaar heeft gemaakt.

Namens eiser is aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt en dat voorschrift 4 – dat eiser ziet als een administratieve misslag en als onredelijk bezwarend - ten onrechte niet is ingetrokken.

Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn bezwaren mondeling toe te (doen) lichten.

Bij het bestreden besluit is het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, heeft namens eiser bij brief van 27 januari 2003 beroep ingesteld. Verweerder heeft stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 augustus 2003, alwaar eiser met kennisgeving niet is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. D. Broersma, advocaat te Zutphen.

4. Motivering

Hoewel de raadsman van eiser in het bezwaarschrift van 1 juli 2002 heeft gesteld dat hij het verzoek om wijziging van de tenaamstelling heeft ingediend namens eiser, laten de bewoordingen van dat verzoek geen andere conclusie mogelijk dan dat het verzoek is ingediend namens de vennootschap van eiser. Het ligt ook in de rede dat hij die van een ontheffing/vergunning gebruik wil gaan maken om wijziging van de tenaamstelling verzoekt.

Ingevolge artikel 4:2, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen, aldus het eerste lid van artikel 4:5 Awb.

Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, aldus het vierde lid van genoemd artikel.

Onder een aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen en onder een belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Een verzoek van een (rechts-)persoon wiens belang niet rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken is, is geen aanvraag en een afwijzende reactie op een dergelijk verzoek is geen besluit in de zin van de Awb.

De besloten vennootschap [eiser] B.V. heeft niet gesteld of doen blijken dat zij de exploitatie van de minicamping van de ontheffinghouder wil overnemen, doch gesteld dat zij de minicamping reeds sedert jaren exploiteert. De tenaamstelling op [eiser] in persoon wordt door de vennootschap gezien als een administratieve misslag die hersteld moet worden

Deze stelling sluit aan bij hetgeen [eiser], eigenaar van de grond, in persoon in dwangsomprocedures heeft gesteld. In die procedures heeft eiser steeds gesteld het niet in zijn macht te hebben overtredingen met betrekking tot het plaatsen van kampeermiddelen te beëindigen en dat hij dus ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Voor de stelling dat de besloten vennootschap de minicamping exploiteert is evenwel nimmer een begin van bewijs geleverd.

Het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling moet worden gezien als een vervolg op bedoelde procedures.

In artikel 2 van het door verweerder op 2 april 1996 vastgestelde Besluit op de openluchtrecreatie is onder meer bepaald dat een aanvraag om ontheffing de naam en het adres van de rechthebbende en de beheerder van het kampeerterrein bevat.

Het verzoek van 1 maart 2002 voldoet hieraan niet.

Verweerder beschikte zelfs over onvoldoende gegevens voor beantwoording van de vraag of de besloten vennootschap [eiser] B.V. een belangenhebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Verweerder kon dus verzoeken om een afschrift van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en om stukken waaruit blijkt dat de vennootschap de grond kan gebruiken voor de exploitatie van een minicamping.

Uit niets blijkt dat de vennootschap aan het verzoek heeft voldaan.

Op het moment dat verweerder besloot het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling niet te behandelen was derhalve nog steeds niet duidelijk of het verzoek afkomstig was van een belanghebbende.

Derhalve kon niet worden gesproken van een aanvraag.

De afwijzende reactie van verweerder op dat verzoek is dan ook geen voor beroep vatbaar besluit.

Het bezwaarschrift van eiser is dan ook ten onrechte ontvankelijk verklaard.

Het beroep is, zij het om geheel andere redenen dan aangevoerd, gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te doen hetgeen verweerder had behoren te doen.

De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 1 punt toe, waarbij een wegingsfactor van 0,5 wordt gehanteerd.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk:

- bepaalt dat verweerders het betaalde griffierecht van € 109,-- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 161,--, te betalen door verweerders gemeente.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag

Aldus gegeven door mr. J.A. Lok en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2003

in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: