Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF9790

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-06-2003
Datum publicatie
10-06-2003
Zaaknummer
02/1410 WSFBSF 58
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 02/1410 WSFBSF 58

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep te Groningen, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 9 oktober 2002, kenmerk HOO1131.02/BBJ/ALG4 2596-5528-0-07.

2. Feiten

Eiser exploiteert tezamen met zijn echtgenote als zelfstandige een melkveehouderij.

Eisers oudste zoon [A] is studerende en heeft een aanvullende beurs aangevraagd.

Na opgave van inkomsten van de ouders heeft verweerster vastgesteld dat de ouderlijke bijdrage voor het jaar 2001 nihil is. Nadat het inkomen van eiser over het jaar 2000 bekend werd is de ouderlijke bijdrage voor de maanden januari tot en met augustus 2002 vastgesteld op € 165,93 euro en voor de maanden september tot en met december 2002 op € 171,45. euro

Eiser heeft verzocht tot peiljaarverlegging over te gaan en van het jaar 2002 uit te gaan.

Bij het primaire besluit van 31 augustus 2002 heeft verweerster dit verzoek afgewezen op de grond dat de daling van eisers inkomen over 2002 behoort tot de normale risico's van zijn beroep of van de manier waarop eiser als zelfstandig melkveehouder zijn inkomen verwerft.

Eiser heeft tegen het besluit van 31 augustus 2002 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 mei 2003, waar namens eiser mr. D.C.H. Heymink en mr. P.J. van Brakel zijn verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H.A. van den Berg.

4. Motivering

In geding is de vraag of verweerster op goede gronden afwijzend heeft beslist op het verzoek om bij de vaststelling van het kortingsbedrag wegens inkomen van een ouder over 2002 uit te gaan van het belastbaar inkomen over het jaar 2002 in plaats van het jaar 2000.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerster in het bestreden besluit abusievelijk naar artikel 12.3 van de WSF 2000 heeft verwezen. Nu verweerster echter materieel de juiste bepaling (te weten: artikel 3.10 van de WSF 2000) heeft toegepast, en eiser door deze misslag niet is benadeeld, is er geen aanleiding het bestreden besluit om die reden te vernietigen.

Ingevolge artikel 3.9 van de WSF 2000 geldt als maatstaf voor de veronderstelde ouderlijke bijdrage het gecorrigeerde verzamelinkomen van de afzonderlijke ouders van de studerende in het peiljaar. Ingevolge artikel 1.1. van de WSF 2000 geldt als peiljaar: het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het studiefinancieringstijdvak aanvangt

Artikel 3.10 van de WSF 2000 luidt als volgt:

1. Op aanvraag van de ouders of een van hen of op aanvraag van de studerende wordt bij toepassing van artikel 3.9, indien sprake is van een terugval in inkomen over het eerste of het tweede jaar na het peiljaar, uitgegaan van dat jaar.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een terugval in inkomen verstaan een vermindering van de som van de gecorrigeerde verzamelinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar, met dien verstande dat:

a. de vermindering niet kan worden gerekend tot de inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving, en b. aannemelijk wordt gemaakt dat gedurende ten minste 3 kalenderjaren zal worden voldaan aan de vereisten genoemd in de aanhef, alsmede in onderdeel a.

Eiser heeft verzocht om in plaats van het jaar 2000 als peiljaar het jaar 2002 in aanmerking te willen nemen. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij in verband met de grote fiscale gevolgen van een wetswijziging in de inkomstenbelasting per 26 juni 2000, er in het jaar 2000 voor heeft gekozen zijn woning met ondergrond eenmalig over te hevelen van het bedrijfsvermogen naar zijn privé-vermogen. Uitsluitend om die reden is over dat jaar een aanmerkelijk hoger belastbaar inkomen genoten van € 41.947,--euro. In de jaren daarna is eisers inkomen weer gedaald naar het normale, beduidend lager gelegen, niveau.

De rechtbank merkt allereerst op dat in de WSF 2000 niet is bepaald wat dient te worden verstaan onder inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving. Naar vaste jurisprudentie dient daarbij in elk geval in ogenschouw te worden genomen de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen ten grondslag liggen, in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving, en de mate waar in de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen.

De rechtbank stelt vast dat in eisers geval in het jaar 2002 sprake is van een zeer aanzienlijke inkomensdaling, vergeleken met het jaar 2000, welke -naar tussen partijen niet in geding is- uitsluitend veroorzaakt is door een eenmalige fiscale boekwinst over het jaar 2000 tengevolge van het feit dat eiser zich in dat jaar uit fiscaal-technische overwegingen genoodzaakt zag om gebruik te maken van een hem geboden -eenmalige- herzieningsmogelijkheid om het woonhuis en ondergrond van het bedrijfsvermogen naar zijn privé-vermogen over te hevelen.

Gelet op het eenmalige karakter van bovengenoemde fiscale maatregel, en gelet voorts op het feit dat die fiscale maatregel in het geval van eiser geleid heeft tot een eenmalige (extreem hoge) terugval in inkomen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volgehouden dat die terugval gerekend kan worden tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving.

Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd, en komt dit om die reden als strijdig met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor vernietiging in aanmerking. Verweerster zal nader op het bezwaar van eiser dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerster te veroor-delen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerster nader op het bezwaar van eiser beslist, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerster het betaalde griffierecht van € 29 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644euro te betalen door de Informatie Beheer Groep, ter zake van verleende rechtsbijstand .

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: