Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF9780

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
10-06-2003
Zaaknummer
32951 FARK 00/1171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Essentie: Het feit dat partijen ten aanzien van een beperkt aantal goederen een afspraak maken die afwijkt van de algemene regels in de akte van huwelijkse voorwaarden die tussen partijen gelden, maakt die afspraak niet strijdig met de huwelijkse voorwaarden en kan ook niet gezien worden als een (nietige) wijziging van de huwelijkse voorwaarden.

Tweede enkelvoudige kamer

Beschikking: 21 mei 2003

Zaaknummer: 32951 FARK 00/1171

Beschikking in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats] gemeente [..],

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. E.M. Stoffels te Arnhem,

e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats] [land],

te dezer zake domicilie kiezende te [..],

verweerder, hierna te noemen de man,

procureur: mr. A. Schrik,

advocaat: voorheen mr. C.D.R. Schoonderbeek te Soest,

thans mr. E.H. Schijven-Bours te Arnhem.

Het verdere verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 25 januari 2001;

- de brieven met bijlage(n) van mr. Stoffels van 11 september en 19 november 2001;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 21 november 2001;

- de brieven (met bijlagen) van mr. Schijven-Bours van 21 december 2001 en 28 augustus 2002;

- de brief met bijlagen van mr. Stoffels van 30 augustus 2002;

- de brief met bijlagen van mr. Schijven-Bours van 2 september 2002;

- de brieven (met bijlagen) van mr. Stoffels van 7 november 2002 en 29 januari en 3 februari 2003;

- de brief met bijlagen van mr. Schijven-Bours van 21 februari 2003.

De verdere beoordeling

2.1 De rechtbank neemt over al hetgeen zij heeft overwogen en beslist in voormelde tussenbeschikking van 25 januari 2001.

Bij gemelde beschikking van 25 januari 2001 is de behandeling voor wat betreft de gevraagde nevenvoorzieningen inzake het huurrecht van de echtelijke woning en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen aangehouden in afwachting van nadere informatie van partijen.

2.2 Ten aanzien van het door beide partijen verzochte huurrecht van de voormalige echtelijke woning (hierna te noemen de woning) heeft de rechtbank gelet op artikel 814 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht om met toepassing van het Nederlands recht op dit verzoek te beslissen, nu die woning in Nederland is gelegen.

2.3 Ingevolge artikel 429c jo 814 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering heeft de rechtbank ter zake het andere nevenverzoek aangaande de verdeling eveneens rechtsmacht, nu zij ook rechtsmacht heeft in de hoofdzaak. Op dat nevenverzoek is Nederlands recht van toepassing, nu de vrouw onbetwist heeft gesteld dat het eerste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland was gelegen.

2.4 De vrouw heeft na voormelde tussenbeschikking haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij haar verzoek tot toekenning van het huurrecht intrekt voor het geval de rechtbank oordeelt dat de Trust naar Nederlands recht niet als eigenaar van de woning kan worden beschouwd, maar als beheerder op naam. Voor het overige zijn de verzoeken van partijen hetzelfde gebleven.

2.5 Om te komen tot een beslissing op het nevenverzoek van de vrouw tot het vaststellen van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen, zal eerst vastgesteld dienen te worden welke goederen partijen gemeenschappelijk hebben.

Volgens de vrouw zijn dat:

- de (waarde van de) voormalige echtelijke woning;

- het flexibel krediet bij de ABN AMRO contractnu[nummer]]

- de schuld aan de bestuurders van de The Turino Consolidated Limited Retirement Trust (hierna te noemen de Trust), bestaande uit achterstallige fees;

en zijn partijen ieder tot de helft van voormelde goederen gerechtigd dan wel verbonden. De inboedel is volgens de vrouw reeds verdeeld tussen partijen.

Volgens de man valt de voormalige echtelijke woning in de Trust en is hij primair van mening dat hij voor 83,33 % gerechtigd is tot de waarde van de woning en de vrouw tot 16,67% daarvan. Subsidiair heeft de man gesteld dat de vrouw daarnaast nog aanspraak heeft op vergoeding door de man van het (nominale) bedrag waarvan zij kan bewijzen dat zij dat heeft besteed aan de woning. Tenslotte dienen volgens de man tussen partijen bij helfte verdeeld te worden de schulden aan de Trust, bestaande uit de achterstallige fees en de door partijen gezamenlijk aangegane lening bij de Trust ad £ 29.489,11 en dient de inboedel nog verdeeld te worden.

2.6 Daarnaast hebben partijen informatie verstrekt ter zake van alimentatie ten behoeve van de vrouw, een vordering van de vrouw op de man ter zake een lening aan hem, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en een vergoeding voor het uitsluitend gebruik van de woning, doch die informatie heeft geen betrekking op de verzoeken van partijen. Om die reden zal de rechtbank op die punten geen beslissing nemen.

De (waarde van de) voormalige echtelijke woning

2.7 Tussen partijen staat ter discussie of de Trust naar Nederlands recht rechtsgeldig is. Op grond van artikel 11 juncto artikel 6 van het Haags Trustverdrag 1985 en mede gelet op artikel 21 van de door de man overgelegde "Instrument" van de Trust dient de Trust als rechtgeldig erkend te worden als deze rechtsgeldig is ingesteld naar het recht van het eiland Jersey. Nu over het laatste niets is opgemerkt neemt de rechtbank aan dat zulks het geval is. Derhalve wordt de Trust door de rechtbank erkend. Dit houdt in dat erkend wordt dat het vermogen van de Trust afgescheiden is van zowel de vermogens van partijen als van het vermogen van de trustee, alsmede dat de Trust eigenaar is van de woning. Dat neemt niet weg dat de Trust in het kader van de Nederlandse Belastingwetten transparant kan zijn, doch dat is voor deze zaak niet van belang.

2.8 Het voorgaande betekent echter niet dat de rechten die voorvloeien uit de trustovereenkomst geen onderdeel uitmaken van het vermogen van partijen. Die rechten zullen hierna trustrechten worden genoemd.

Volgens artikel 11 van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden dienen deze trustrechten tussen partijen verdeeld te worden op dezelfde manier als deze verdeeld zouden zijn indien partijen in gemeenschap van goederen gehuwd waren, - dus verdeling bij helfte - tenzij deze trustrechten verkregen zijn uit aanbrengsten bij het aangaan van het huwelijk, schenking of krachtens erfrecht.

2.9 Partijen zij het erover eens dat het positieve vermogen van de trust, de positieve trustrechten, uitsluitend bestaat uit de eigendom van de woning. De man heeft zich erop beroepen dat de aankoopkosten van de woning, voor 83,33 % uit zijn aanbrengsten bij het huwelijk zijn bekostigd. De vrouw heeft dat betwist door te stellen dat zij uit haar privé-vermogen en erfenissen evenveel gelden in de woning heeft gestoken door haar bijdragen aan de aankoop-, verbouwings- en inrichtingskosten. Bovendien beroept de vrouw zich op de door beide partijen ondertekende schriftelijke verklaring, genaamd de "LETTER OF WISHES" d.d.17 mei 1999, waarbij partijen overeenkwamen dat in geval van echtscheiding het vermogen van de Trust en/of alle inkomsten daaruit en/of alle opbrengsten uit de verkoop daarvan om welke reden dan ook in de toekomst beschouwd zullen worden als gehouden in de Trust ten bate van elk van parijen in de verhouding 50%-50%, terwijl de verklaring tevens vermeldt dat het enige vermogen van de Trust bestaat uit de woning samen met de huurinkomsten daaruit. De man stelt daar tegenover dat bedoelde overeenkomst in rechte niet afdwingbaar is en betwist de rechtsgeldigheid van de overeenkomst. Hij stelt dat deze naar Nederlands recht nietig is omdat daarin een afwijkende regeling wordt getroffen als in de huwelijkse voorwaarden, welke voorwaarden slechts bij notariële akte kunnen worden gewijzigd. Voorts beroept hij er zich op dat er sprake is van schenking, terwijl schenking tussen echtgenoten nietig is en ook schenking bij notariële akte dient te geschieden. Verder stelt de man dat de overeenkomst nietig is op grond van het ontbreken van zijn wil om de overeenkomst aan te gaan, omdat hij ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst manisch depressief was en de vrouw dat wist.

2.10 Of de overeenkomst d.d. 17 mei 1999 ten opzichte van de trustee afdwingbaar is, is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang voor de beslissing in deze zaak. Van belang is of de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig is, dat wil zeggen of partijen eraan gebonden zijn in het kader van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen.

2.11 Het beroep van de man op het ontbreken van zijn wil om de overeenkomst aan te gaan, acht de rechtbank feitelijk te weinig onderbouwd. Het is van algemene bekendheid dat niet iedereen die manisch depressief is dan ook steeds zijn wil niet kan bepalen.

2.12 Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet zonder meer gezegd kan worden dat hier sprake is van een schenking. Vast staat immers dat partijen beide gelden hebben gespendeerd aan de woning. De man hoofdzakelijk ter zake van de aankoopkosten en de vrouw voor een deel ook ter zake van de aankoopkosten en verder ter zake de verbouwings-, renovatie- en inrichtingskosten. De man heeft het laatste niet betwist, doch vindt dat betaling van verbouwings-, renovatie- en inrichtingskosten rechtens niet kan leiden tot een aanspraak van de vrouw op de woning, doch hooguit tot een vordering op hem ter hoogte van de betaalde investeringen in de woning. Wat daar ook van zij, doordat partijen beiden een

aanzienlijke inbreng hebben gehad, kan de overeenkomst niet zonder meer als een schenking worden gekwalificeerd.

2.13 Ook acht de rechtbank de overeenkomst niet strijdig met de huwelijkse voorwaarden die tussen partijen gelden. De rechtbank interpreteert de overeenkomst zodanig dat partijen daarmee hebben willen bereiken dat ten aanzien van de gelden die partijen ieder aan de woning hebben gespendeerd later geen onduidelijkheid zou ontstaan hoe die gelden bij echtscheiding weer terug zouden kunnen keren in het vermogen van de verstrekker. Deze waren immers uit veel verschillende bronnen bijeengebracht. Kennelijk hebben partijen aan de inbreng van de vrouw en die van de man evenveel waarde toegekend en daarom te dien aanzien afgesproken de revenuen daarvan zonder meer samen te delen hetgeen in overeenstemming is met de strekking van de bepaling uit de huwelijkse voorwaarden waarin staat dat zij bij echtscheiding zullen afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren. Nu zij daarmee ten aanzien van een specifiek aangegeven aantal goederen bij voorbaat hebben willen vastleggen dat deze binnen de afrekening vallen ongeacht uit welke bron deze bekostigd zijn, acht de rechtbank dat niet in strijd met artikel 11 van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden, en ook niet zodanig daarvan afwijkend dat zulks beschouwd dient te worden als een wijziging van de huwelijkse voorwaarden.

2.14 Het voorgaande betekent dat partijen naar het oordeel van de rechtbank gebonden zijn aan de overeenkomst d.d. 17 mei 1999. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan de vraag in hoeverre de door de man enerzijds en door de vrouw anderzijds aan de woning bestede gelden afkomstig zijn uit aanbrengsten ten huwelijk, erfrechtelijke bron of schenking. Ongeacht het antwoord op die vraag dienen de trustrechten immers bij helfte tussen partijen verdeeld te worden.

Het is echter niet mogelijk om de (waarde van de) woning zonder meer tussen partijen te verdelen aangezien de trust eigenaar is van de woning. De vrouw wenst toedeling van de woning aan haar onder bepaling van een door haar aan de man te betalen overbedelingsbedrag. De man heeft daartegen geen verweer gevoerd. Partijen zijn het erover eens dat daarbij de waarde van de woning in onverhuurde staat per datum verdeling in aanmerking genomen moet worden.

2.15 Voor een eventuele verkrijging van de woning door de vrouw zijn er twee mogelijkheden: de trust wordt ontbonden en geliquideerd òf de trust blijft bestaan en de woning wordt uit de trust gekocht. Partijen hebben zich daarover niet uitgelaten. Aangezien de rechtbank daarvoor te weinig informatie heeft, zal die beslissing worden overgelaten aan de notaris naar wie deze zaak ter uitvoering zal worden verwezen.

De woning dient per heden getaxeerd te worden door een door de notaris aan te wijzen taxateur en voor de getaxeerde waarde, in onverhuurde en onbewoonde staat en per datum verdeling, schriftelijk aan de vrouw te koop te worden aangeboden, voor zover nodig na voorafgaande ontbinding en liquidatie van de trust door de notaris. Indien de vrouw niet bereid is binnen een maand na voornoemd aanbod de woning voor die prijs te kopen en af te nemen, dient de woning gedurende drie maanden daarna via een door de notaris aan te wijzen makelaar te koop te worden aangeboden voor de getaxeerde waarde, tenzij partijen gezamenlijk anders overeenkomen. Indien dit niet binnen die drie maanden leidt tot een verkoop en levering, dient de woning vervolgens openbaar verkocht te worden door de notaris aan de hoogst biedende koper. De verkoopopbrengst dient tussen partijen bij helfte verdeeld te worden na aftrek van de aan de trust verschuldigde gelden en de kosten die aan de koop/verkoop verbonden zijn, in de ruimste zin des woords, waaronder in elk geval begrepen zijn de achterstallige fees, de kosten van ontbinding en liquidatie van de trust (voor zover nodig), eventuele belastingen en de kosten van de notaris.

De lening bij de trust ad £ 29.489,11

2.16 Ook het bedrag dat gemoeid is met de terugbetaling van de lening aan de trust dient vóór de verdeling van de verkoopopbrengst afgetrokken te worden, aangezien de vrouw immers niet heeft betwist dat voornoemde lening reeds in 1993 is aangegaan, dus nog vóór de aankoop van de woning. Het betreft hier derhalve een schuld die eveneens bij helfte tussen partijen verdeeld dient te worden, nu dit in overeenstemming is met het tussen partijen geldende beginsel dat zij met elkaar afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren.

Het flexibel krediet bij de ABN AMRO contractnummer [nummer]

2.17 Partijen zijn het erover eens dat deze schuld door hen ieder voor de helft dient te worden gedragen. Volgens artikel 11 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden dient tussen partijen afgerekend te worden naar de toestand en de waarde waarop de procedure tot echtscheiding aanhangig werd gemaakt, derhalve 19 juni 2000.

De vrouw heeft een saldo overzicht van genoemd krediet overgelegd per 21 april 2000 ad debet euro€ 14.796,56, welk saldo door de man niet is betwist.

De man heeft onbetwist gesteld dat het saldo op 21 oktober 2000 debet € euro 6.583,84

(f 14.508,87) bedroeg, terwijl hij op 27 december 2000 een bedrag van euro€ 4.852,80

(f 10.694,16) te gunste van de rekening heeft overgemaakt. Hij heeft voorts niet betwist dat de vrouw het verschil tussen de eerste twee genoemde bedragen ad € euro 8.212,72 heeft voldaan en ook het restant na de betaling van de man van 27 december 2000. Hij stelt echter dat de vrouw niet bewezen heeft dat de vrouw die betalingen heeft betaald uit haar privé-vermogen zodat die betalingen mogelijk uit gemeenschappelijk vermogen van partijen zijn voldaan.

De vrouw heeft vervolgens onbetwist gesteld dat zij voornoemde betalingen heeft gefinancierd door een nieuwe lening omdat zij de aflossingen van het flexibel krediet niet meer kon opbrengen.

2.18 Naar het oordeel van de rechtbank mag aangenomen worden dat de vrouw haar betalingen uit haar privé-vermogen heeft voldaan aangezien de man niet heeft gesteld dat hij mee aflost op de nieuwe lening. Om die reden is de man aan de vrouw ter zake het flexibel krediet nog een bedrag verschuldigd van de helft van het saldo per 21 april 2000 verminderd met het bedrag van zijn op 27 december 2000 gedane betaling, zijnde een bedrag van euro€ 2.545,48. Dat bedrag dient door de notaris in mindering te worden gebracht op het aan de man toekomende deel van de verkoopopbrengst van de woning en dient door de notaris aan de vrouw te worden uitbetaald.

De inboedel

2.19 Bij de brief van mr. Schijven-Bours van 28 augustus 2002 heeft de man voor het eerst in deze procedure aangegeven zich het recht voor te behouden om later verdeling te vorderen van diverse inboedelgoederen en overige roerende zaken. De vrouw heeft bij de brief van mr. Stoffels van 30 augustus 2002 in productie 8 enige correspondentie tussen partijen over de verdeling van de inboedel overgelegd waaruit volgens de vrouw blijkt dat de inboedel verdeeld is. Bij de brief van mr. Schijven-Bours van 21 februari 2003 wordt door de man een uitgebreid overzicht overgelegd van inboedelgoederen. Hij wenst die goederen niet toebedeeld te krijgen doch meent dat het redelijk is dat deze gewaardeerd worden en dat berekend wordt voor welk bedrag de vrouw zal zijn overbedeeld. In het door de man overgelegde overzicht heeft hij niet aangegeven of het hier betreft goederen die gezamenlijk eigendom zijn van partijen dan wel privé-goederen van partijen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man daardoor onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen welke de te verdelen gemeenschappelijke inboedelgoederen zijn. Bovendien heeft de man niet gereageerd op de stelling van de vrouw dat er al een verdeling van de gemeenschappelijke goederen heeft plaatsgevonden. Om die redenen zal de rechtbank het verzoek op dit punt afwijzen.

Het huurrecht

2.20 Uitgaande van een verkoop van de woning zoals hierboven onder 2.14 is aangegeven, hebben partijen geen belang meer bij een beslissing ten aan zien van het nevenverzoek ter zake van het huurrecht. Om die reden zullen de verzoeken van partijen dienaangaande afgewezen worden.

De conclusie

2.21 Op grond van voorgaande overwegingen zal de rechtbank niet zelf de verdeling vaststellen nu deze zaak zich daarvoor niet leent, omdat eerst nog een aantal voorbereidende handelingen dient plaats te vinden. Wel zal de rechtbank de wijze van verdeling vaststellen zoals hiervoor is aangegeven en, als onderdeel daarvan, daarbij tevens een notaris benoemen voor de uitvoering van die verdeling voor het geval partijen in onderling overleg niet tot een keuze van een notaris kunnen komen.

Het verzoek van de vrouw ter zake van de in de plaats stelling van deze uitspraak voor de benodigde handelingen van partijen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet in de verzochte vorm worden toegewezen, aangezien thans nog niet duidelijk is om welke concrete (rechts)handelingen het gaat en het verzoek van de vrouw niet van toepassing kan zijn op haar eigen handelingen. Gezien de grote problemen die partijen blijkens de stukken in dit geding, mede door de ziekte van de man, hebben gehad om in onderling overleg tot enige voortgang van de verdeling te komen, zal de rechtbank de minder vergaande vorm van reële executie toewijzen, bestaande in de benoeming van de uitvoerend notaris tot vertegenwoordiger van de man die de benodigde (rechts)handelingen zal verrichten, in de zin van artikel 3: 300 Burgerlijk Wetboek, indien de man niet bereid is daaraan mee te werken.

2.22 De proceskosten zullen, nu partijen voormalige echtelieden zijn, aldus worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen plaats dient

te vinden zoals aangegeven onder 2.14 tot en met 2.18;

benoemt - echter alleen voor het geval dat partijen over de keuze van een notaris niet binnen drie weken na deze beschikking tot overeenstemming kunnen komen -

mr. H.J. van Weeghel, notaris te Doetinchem, of diens waarnemer of opvolger tot uitvoerder van de verdeling;

Benoemt tot vertegenwoordiger van de man de notaris, die de verdeling uitvoert, om de (rechts)handelingen te verrichten waartoe de man gehouden is om tot de verdeling te komen, zoals aangegeven onder 2.14 tot en met 2.18, indien de man niet binnen een maand na betekening van deze beschikking meewerkt aan die (rechts)handelingen;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.M. Boon en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.

conc.: Bn