Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF9465

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-05-2003
Datum publicatie
03-06-2003
Zaaknummer
Kort-gedingnummer: 53767 / KG ZA 03-111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Samenvatting:Toepasselijkheid van auteursrecht op confectiebroeken. Slaafse nabootsing van modellen.

Onrechtmatig handelen van ex-werknemers die niet aan enig concurrentiebeding zijn onderworpen, getoetst aan de daarvoor geldende criteria.

SECTOR CIVIEL

VOORZIENINGENRECHTER

Kort-gedingnummer: 53767 / KG ZA 03-111

vonnis van : 19 mei 2003

Vonnis in kort geding in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEDEX FASHION GROUP B.V.,

gevestigd te [woonplaats]

eiseres bij dagvaarding van 11 april 2003,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat: mr. A.J.H. Rutten te Nijmegen,

tegen:

1. [gedaagde A],

wonende te [woonplaats]

2. [gedaagde B]

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRENTINO B.V.,

gevestigd te Doetinchem,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WARRINK INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Doetinchem,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MANEL INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Dinxperlo,

gedaagden,

advocaat: mr. R. Bagasrawalla te Nieuwegein.

Partijen worden hierna mede Hedex en gezamenlijk Warrink c.s. dan wel afzonderlijk [gedaagde A], [gedaagde B], Trentino, [gedaagde A] B.V. en Manel genoemd.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Hedex heeft onder overlegging van producties [gedaagde A] c.s. gedagvaard tegen de openbare zitting van 24 april 2003.

Ter zitting hebben [gedaagde A] c.s. onder overlegging van producties geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van Hedex in de proceskosten.

Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitnota's mondeling toegelicht, waarna de zaak is aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het geschil onderling te regelen. Bij brieven van 1 mei 2003 hebben zij alsnog vonnis gevraagd.

2. VASTSTAANDE FEITEN

De volgende feiten zullen in dit kort geding als tussen partijen voorlopig vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen, voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn

erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.1 Hedex houdt zich bezig met het ontwerpen, produceren en verhandelen van kleding onder de drie volgende merknamen:

- Traffic : broeken, shorts en jacks;

- Dex: broeken en shorts;

- Oxford: kostuums en colberts.

2.2 Voor de merken Traffic en Dex heeft Hedex één productmanager en voor het merk Oxford eveneens één productmanager.

2.3 [gedaagde A] is als productmanager Traffic en Dex gedurende 3½ jaar in loondienst werkzaam geweest bij Hedex. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 31 oktober 2002 ontbonden.

2.4 [gedaagde B] is circa 30 jaar in loondienst werkzaam geweest bij Hedex. Aanvankelijk bediende hij een groot rayon met circa 80 klanten en sedert 1998 bediende hij als verkoopleider de circa 10 grootste klanten van Hedex. Per 1 januari 2003 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van [gedaagde B] beëindigd.

2.5 Trentino is op 8 januari 2003 opgericht en op 13 januari 2003 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Centraal Gelderland, met als bedrijfsomschrijving: De im- en export van kleding, stoffen en accessoires; het ontwerpen, inkopen, de productie en verkoop van kleding, stoffen en accessoires, alsmede alle andere zakelijke dienstverlening met betrekking tot bovenstaande. De bestuurders van Trentino zijn Warrink Investments B.V. en Manel Investments B.V.

2.6 Warrink Investments B.V. is op 28 november 2002 opgericht en op 16 december 2002 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Centraal Gelderland, met als bedrijfsomschrijving: Vermogensbeheer. Bestuurder van Warrink B.V. is [gedaagde A].

2.7 Manel Investments B.V. is op 23 december 2002 opgericht en op 7 januari 2003 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Centraal Gelderland, met als bedrijfsomschrijving: Vermogensbeheer. Bestuurder van Manel is [gedaagde B].

3. DE VORDERING, DE GRONDEN EN HET VERWEER

3.1 Hedex vordert - na vermeerdering van eis - dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. [gedaagde A] c.s. zal bevelen om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van de

productie en/of de handel in kleding gelijk of nagenoeg gelijk aan de kleding, welke

Hedex op basis van haar in eigendom toekomende ontwerpen en tekeningen produceert

en verhandelt;

b. [gedaagde A] c.s. zal bevelen om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van de handel

in kleding door het systematisch benaderen van de (vaste) afnemers van Hedex;

c. [gedaagde A] c.s. zal bevelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan Hedex

schriftelijk rekening en verantwoording af te leggen van alle door hen gebezigde

verkopen en afleveringen, met specificatie van modellen, aantallen, prijzen en afnemers;

d. zal bepalen dat Warrink c.s. hoofdelijk tezamen een dwangsom van € 10.000,00 aan

Hedex zullen verbeuren voor iedere overtreding van één van de hiervoor sub a of b

omschreven bevelen en een dwangsom van € 1.000,00 euro voor iedere dag dat Warrink c.s.

het hiervoor sub c omschreven bevel niet opvolgen;

e. Warrink c.s. zal veroordelen aan Hedex een voorschot op schadevergoeding te betalen

groot € 100.000,00,euro althans een door de voorzieningenrechter in redelijkheid vast te

stellen bedrag, zulks hoofdelijk, des dat de één betaald hebbende de ander gekweten zal

zijn;

f. Warrink c.s. zal bevelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis hun

monstercollectie aan Hedex af te geven, bij gebreke waarvan Warrink c.s. hoofdelijk

tezamen een dwangsom van € 10.000,00 euro aan Hedex zullen verbeuren voor iedere

overtreding van het hiervoor omschreven bevel en een dwangsom van € 1.000,00 euro voor

iedere dag dat Warrink c.s. het bevel niet opvolgen;

g. Warrink c.s. zal bevelen om zich met onmiddellijke ingang te onthouden van het direct of

indirect in dienst nemen van óf opdrachten te verstrekken aan óf het laten verrichten van

werkzaamheden door (ex-)personeelsleden van Hedex, de heer [betrokkene C] daaronder

begrepen, die vóór of tot 24 april 2003 bij Hedex in dienst zijn geweest, betaald of

onbetaald, direct of indirect en zal bepalen dat Warrink c.s. hoofdelijk tezamen een

dwangsom van € 10.000,00 euro aan Hedex zullen verbeuren voor iedere overtreding van het

hiervoor omschreven bevel en een dwangsom van € 1.000,00 euro voor iedere dag dat

Warrink c.s. het bevel niet opvolgen;

h. Warrink c.s. zal veroordelen in de kosten van dit geding;

3.2 Aan deze vordering heeft Hedex tegen de achtergrond van de vaststaande feiten het volgende ten grondslag gelegd.

Warrink c.s. maken inbreuk op de auteursrechten van Hedex doordat door hen kleding te koop wordt aangeboden, welke identiek is aan de kleding welke Hedex ontwerpt, produceert en verhandelt.

Daarnaast handelen Warrink c.s. onrechtmatig jegens Hedex door de modellen van haar broeken slaafs na te bootsen, door haar op onrechtmatige wijze concurrentie aan te doen door middel van het schenden van bedrijfsgeheimen van Hedex, door het systematisch benaderen van klanten van Hedex, door het doen van aanbiedingen aan de vaste afnemers van Hedex van dezelfde producten tegen een aanzienlijk lagere prijs en door het benaderen van werknemers van Hedex met het verzoek om voor hen werkzaam te zijn.

Door deze gedragingen van Warrink c.s. lijdt Hedex een aanzienlijke schade, zodat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen.

3.3 Warrink c.s. hebben het volgende ten verwere aangevoerd.

Het fabriceren van broeken en riemen valt niet onder de bescherming van de Auteurswet, zodat Hedex aan die wet geen rechtsbescherming kan ontlenen. Subsidiair zijn er belangrijke verschillen aan te wijzen in de door Hedex enerzijds en door hen anderzijds aangeboden

producten, zodat ook daarom geen sprake kan zijn van schending van aan Hedex toekomend auteursrecht.

Zij betwisten Hedex op onrechtmatige wijze concurrentie te hebben aangedaan op de door Hedex gestelde wijze, zoals hiervoor vermeld.

4. DE BEOORDELING

4.1 Het door Hedex gedane beroep op auteursrechtelijke bescherming van haar producten treft geen doel. Krachtens het bepaalde in artikel 1 juncto artikel 10 van de Auteurswet 1912 is het auteursrecht het uitsluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen. Onder het werk van kunst dient in dit kader te worden verstaan een voortbrengsel met een eigen, oorspronkelijk karakter, dat het persoonlijk karakter van de maker draagt, op het gebied van de (toegepaste) kunst of nijverheid.

4.2 In een geval als het onderhavige, waarbij auteursrechten worden geclaimd op confectiebroeken, dient voorop te worden gesteld dat stijlen (in beginsel), kleuren en het gebruikte materiaal waarvan bedoelde producten zijn vervaardigd, niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen. Onvermijdelijk is dat bij de onderhavige - voor een breed publiek bestemde - producten de ene producent voortbouwt op het thema van de andere producent, bij welk voortbouwen de wens van het publiek een niet onbelangrijke rol speelt.

Vergelijking van door Hedex vervaardigde confectiebroeken met andere op de markt verschenen confectiebroeken leidt voorshands tot het oordeel dat de Hedex broeken weliswaar eigen details kennen doch in tegenstelling tot bijvoorbeeld haute couture producten in zijn totaliteit onvoldoende oorspronkelijk van aard zijn en onvoldoende het persoonlijk stempel van de maker dragen om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen.

4.3 Met betrekking tot het door Hedex gepretendeerde onrechtmatig handelen door Warrink c.s., staat tussen partijen onweersproken vast dat Warrink en [gedaagde B] jegens Hedex niet aan enig concurrentiebeding zijn gebonden. Het staat hen derhalve in beginsel vrij om concurrerende activiteiten te ontplooien, zodat het in deze zaak slechts gaat om het antwoord op de vraag of [gedaagde A] c.s. met de gewraakte activiteiten binnen de grenzen van het maatschappelijk betamelijke zijn gebleven. Kern daarbij is, dat de werknemer die in zijn voormalige dienstbetrekking een duurzaam debiet mee heeft helpen opbouwen, onrechtmatig handelt door dit op stelselmatige en substantiële wijze af te breken door relaties - waarmee hij een duurzame relatie heeft ontwikkeld tijdens dat dienstverband - of personeelsleden van zijn vroegere werkgever af te nemen met behulp van de speciale kennis en gegevens die hij van of bij de werkgever heeft verkregen.

4.4 In dat verband is door Hedex aangevoerd, dat Warrink c.s. jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door:

a. modellen van haar broeken slaafs na te bootsen;

b. bedrijfsgeheimen van haar te schenden;

c. aan haar vaste afnemers aanbiedingen te doen van dezelfde producten tegen een

aanzienlijk lagere prijs;

d. systematisch klanten van haar te benaderen, en

e. werknemers van haar te benaderen met het verzoek om voor hen werkzaam te zijn.

4.5 Zowel tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding als in hun brief van 17 april 2003 hebben Warrink c.s. erkend dat Hedex specifieke details en kenmerken gebruikt, die het typische

Hedex-beeld in de broekenlijn bepalen. Het betreft de verwerking van stretchbanden, de specifieke details die toegevoegd zijn aan de zijzakken, zoals biesjes en stiksel, de verwerking van de door Hedex gebruikte safety-pocket, de specifieke stiksels welke door Hedex zijn gebruikt bij de verwerking van de achterzakken, de verwerking van de U-band en de inleg in de broek bij de zitnaad.

4.6 Aan de hand van het ter zitting door beide partijen getoonde (video)materiaal is voorshands voldoende vast komen te staan, dat Warrink c.s. direct dan wel zeer kort na het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten van Warrink en [gedaagde B] een broekenlijn op de markt hebben gebracht met zodanige details en kenmerken dat het typische Hedex-beeld wordt opgeroepen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat hier sprake is van een vrij vergaande nabootsing van de door Hedex geproduceerde broekenlijn. Warrink c.s. hebben weliswaar betoogd, dat er ook vele verschillen zijn aan te wijzen tussen de door partijen geproduceerde broekenlijnen doch dit maakt het voorgaande niet anders. Het totaalbeeld van diverse door hen geproduceerde broeken vertoont immers sterke overeenkomsten met het typische Hedex-beeld. Daarbij komt dat voorshands voldoende aannemelijk is dat Warrink c.s. deze broeken stelselmatig aanbieden tegen lagere prijzen dan Hedex hanteert voor de door haar verhandelde modellen.

4.7 Dit klemt te meer nu Warrink c.s. hebben erkend, dat [gedaagde B] buiten Hedex om vóór het einde van het dienstverband met Hedex een aantal vaste klanten van Hedex heeft bezocht en dat tijdens die bezoeken bij meerdere klanten aan de orde is gekomen, dat [gedaagde A] en hij voor zichzelf zouden gaan beginnen. Tevens zijn reeds toen en in ieder geval kort nadien met diverse klanten afspraken gemaakt voor het tonen van de door Warrink c.s. nog te produceren monstercollectie.

4.8 Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, te weten het door [gedaagde B] nog tijdens zijn dienstverband met Hedex ten behoeve Warrink c.s. al leggen van zakelijke contacten met klanten van Hedex voor een door Warrink c.s. te produceren broekenlijn die sterke overeenkomsten vertoont met het typische Hedex-beeld, maakt dat voorshands voldoende aannemelijk is, dat de bodemrechter - later oordelend - tot de conclusie zal komen, dat Warrink c.s. aldus onrechtmatig hebben gehandeld jegens Hedex. De onder 3.1 sub a vermelde vordering van Hedex zal dan ook worden toegewezen als na te melden, waarbij aansluiting is gezocht bij het door Warrink c.s. bij de hiervoor vermelde brief van 17 april 2003 aan Hedex gedane aanbod. Daarmee zijn de belangen van Hedex voorlopig voldoende gewaarborgd.

4.9 De stelling van Hedex dat Warrink c.s. bedrijfsgeheimen hebben geschonden, heeft zij onderbouwd door aan te voeren dat Warrink c.s. in het bezit moeten zijn van door Hedex ontworpen en gebruikte patronen. Zonder in het bezit te zijn van dergelijke patronen is het onmogelijk om in een zo kort tijdsbestek een soortgelijke broekenlijn te produceren.

4.10 Warrink c.s. hebben betwist, dat zij het in bezit zouden zijn van door Hedex ontworpen en gebruikte patronen. Daartoe hebben zij gesteld dat de door Hedex gebruikte patronen door haar bij nagenoeg al haar producenten zijn aangeleverd, onder meer in Roemenië, Polen en Turkije. Het is daarom niet uitgesloten te achten dat één of meer van deze producenten en/of afnemers gebruik hebben gemaakt van deze patronen en dat er daardoor soortgelijke producten op de markt zijn gekomen. Zij stellen slechts gebruik te hebben gemaakt van patronen die bij haar producent van de monstercollectie voorhanden waren en dat deze producent een andere is dan de producent van Hedex.

Zonder uitgebreide bewijslevering, waarvoor in kort geding geen plaats is, is de juistheid van

deze stelling van Hedex dan ook niet vast te stellen, zodat voorshands hieraan moet worden voorbij gegaan.

4.11 In beginsel zijn Warrink c.s. vrij om ook zaken te doen met afnemers van Hedex. In wezen is dit zelfs min of meer onvermijdelijk nu, zoals onweersproken is aangevoerd, Hedex binnen de relevante markt in Nederland een zeer dominante positie inneemt.

In de gegeven verhoudingen staat het Warrink c.s. echter niet vrij zelf het initiatief te nemen en de vaste afnemers van Hedex systematisch te benaderen. Warrink c.s. erkennen overigens ook deze vrijheid thans niet te hebben. De vordering onder 3.1 sub b zal in het licht van hetgeen is overwogen onder 4.7 worden toegewezen.

4.12 Warrink c.s. hebben zich blijkens hun hiervoor vermelde brief van 17 april 2003 bereid getoond om schriftelijk rekening en verantwoording af te leggen van alle door hen gebezigde verkopen en afleveringen, met specificatie van modellen, aantallen, prijzen en afnemers, zodat de onder 3.1 sub c vermelde vordering voor toewijzing vatbaar is.

4.13 Voor het toekennen van een voorschot op door Hedex geleden schade is voorshands geen plaats. Door Hedex is immers haar stelling dat zij schade heeft geleden op geen enkele wijze feitelijk onderbouwd. Evenmin is door Hedex gesteld en ook op andere wijze is niet gebleken dat zij een spoedeisend belang heeft bij het vaststellen van een dergelijk voorschot. De onder 3.1 sub e vermelde vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.14 De onder 3.1 sub f vermelde vordering tot afgifte door Warrink c.s. van haar monstercollectie zal worden toegewezen voor zover het monsters betreft die voldoen aan de onder 4.5 genoemde kenmerken (de Hedex-lijn).

4.15 Met betrekking tot haar stelling dat Warrink c.s. personeel van haar heeft benaderd met het verzoek om voor hen werkzaam te zijn, heeft Hedex enkel gesteld, dat zij sterke aanwijzingen heeft dat [betrokkene C], die bij haar verantwoordelijk was voor de patronen, betrokken is bij de activiteiten van Warrink c.s.. Deze aanwijzingen bestaan volgens Hedex hierin, dat [betrokkene C] in november 2002 diverse telefoongesprekken met [gedaagde A] heeft gevoerd en dat [betrokkene C] op 26 februari 2003 na een dienstverband van omstreeks 30 jaar op ..-jarige leeftijd ontslag heeft gevraagd bij Hedex. Tevens zouden Warrink c.s. tegenover derden hebben verklaard, dat [betrokkene C] op freelance-basis coupeurswerkzaamheden voor hen zou verrichten.

4.16 Dienaangaande hebben Warrink c.s. erkend met [betrokkene C] besprekingen te voeren over een eventuele deelname van [betrokkene C] in hun bedrijven. Zij hebben echter gemotiveerd bestreden, dat het initiatief daartoe van hen is uitgegaan.

Uit de door Hedex gestelde feiten en omstandigheden valt niet zonder meer af te leiden, dat Warrink c.s. [betrokkene C] op onrechtmatige wijze hebben benaderd met het verzoek voor hen werkzaam te zijn. Zonder uitgebreide bewijslevering, waarvoor in kort-geding geen plaats is, is de juistheid van deze stelling van Hedex dan ook niet vast te stellen, zodat voorshands hieraan moet worden voorbij gegaan. De onder 3.1 sub g vermelde vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.17 Aan de op grond van hetgeen hiervoor is overwogen te geven bevelen zullen dwangsommen worden verbonden tot de hierna hoogte en maximum.

4.18 Warrink c.s. zullen tevens als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. BESLISSING

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:

1. beveelt Warrink c.s. om zich na betekening van dit vonnis te onthouden van de productie en/of handel van kleding, gelijk of nagenoeg gelijk aan de kleding welke door Hedex tot nu toe is geproduceerd en verhandeld en waarbij gebruik is gemaakt van specifieke details en kenmerken die het typische Hedex-beeld in de broekenlijn bepalen, te weten:

- de verwerking van stretchbanden,

- de specifieke details die zijn toegevoegd aan de zijzakken, zoals biesjes en stiksels,

- de verwerking van de door Hedex gebruikte safety-pocket,

- de specifieke stiksels, welke door Hedex zijn gebruikt bij de verwerking van de

achterzakken,

- de verwerking van de U-band,

- de inleg in de broek bij de zitnaad,

- de door Hedex tot nu toe gebruikte stofkwaliteiten,

- het door Hedex gebruikte, van Knobo B.V. afkomstige, "horseylabel",

- gebruik van riemen in de door hen geproduceerde broeken;

2. verbiedt Warrink c.s. een collectiebeeld te ontwikkelen, identiek of bijna identiek aan de collectie van Hedex, of dat een verband zou kunnen leggen tussen de wederzijdse collecties;

3. verbiedt Warrink c.s. gebruik te maken van modellen van Hedex die door haar op de markt gebracht worden;

4. beveelt Warrink c.s. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis van hun monstercollectie aan Hedex af te geven de monsters die voldoen aan de onder 4.5 genoemde kenmerken (de Hedex-lijn);

5. beveelt Warrink c.s. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan Hedex schriftelijk rekening en verantwoording af te leggen van alle door hen gebezigde verkopen en afleveringen, met specificatie van modellen, aantallen, prijzen en afnemers;

6. veroordeelt Warrink c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 (vijfduizend euro) voor iedere overtreding van het hiervoor onder 5.1 omschreven bevel en de hiervoor onder 5.2 en 5.3 gegeven verboden en een dwangsom van € 500,00 (vijfhonderd euro) voor iedere dag dat Warrink c.s. in gebreke mochten blijven met de nakoming van de onder 5.4 en 5.5 gegeven bevelen;

7. bepaalt het maximum van de te verbeuren dwangsommen op een bedrag van €euro100.000,00 (eenhonderd duizend euro);

8. veroordeelt Warrink c.s. in de kosten van het geding die voor zover gevallen aan de zijde van Warrink c.s. tot op deze uitspraak worden begroot op euro 1.968,20 wegens verschotten en euro 703,36 wegens salaris procureur.

9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

10. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. D. Vergunst, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2003 in tegenwoordigheid van Chr.D.W. van Meurs, griffier.

cm/vg