Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF9186

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
Zaaknr/rolnr: 27841 HAZA 99-941
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector civiel

Meervoudige handelskamer

Zaaknr/rolnr: 27841 HAZA 99-941

Uitspraak: 28 mei 2003

VONNIS

in de zaak aanhangig tussen:

de naamloze vennootschap REESINK N.V.,

gevestigd te Zutphen,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat: mr. F.H.A.M. Thunnissen te 's-Gravenhage,

en

de gemeente APELDOORN,

zetelende te Apeldoorn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur: mr. G.H.W.J. de Koning,

advocaat: mr. D.M.C. Schuurmans te 's-Gravenhage.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Reesink en de Gemeente.

Het verloop van de procedure

In deze zaak is eerder vonnis gewezen en wel op 4 mei 2000 en 18 januari 2001.

Vervolgens zijn de volgende stukken gewisseld:

- een akte in conventie van de zijde van Reesink;

- een akte in conventie van de zijde van de Gemeente;

- een akte uitlating productie van de zijde van Reesink.

Tenslotte is op verzoek van partijen op het griffiedossier vonnis bepaald.

Beoordeling van het geschil in conventie

1 Vaststaande feiten

1.1 In haar vonnis van 18 januari 2001 heeft de rechtbank de vordering in reconventie afgewezen. Ten aanzien van de vordering in conventie heeft de rechtbank:

a. voor recht verklaard dat de Gemeente gehouden is de tussen partijen gesloten overeenkomst van 12 maart 1997 onverkort en ongewijzigd na te komen;

b. de Gemeente veroordeeld de in de overeenkomst van 12 maart 1997 bedoelde eerste fase aan Reesink in eigendom te leveren tegen fl. 99,-- exclusief BTW per m², zodra voor die fase ten behoeve van de daarop te realiseren bebouwing de vereiste (bouw)vergunningen afgegeven zijn, zulks conform artikel 5.2.A van die overeenkomst en de aan die overeenkomst gehechte koopakte;

c. de Gemeente veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan Reesink van fl. 500.000,-- voor iedere dag dat de Gemeente na afloop van 14 dagen na ontvangst van een oproep om aan die eigendomsoverdracht mee te werken in gebreke blijft aan de inhoud van dit vonnis te voldoen;

d. de Gemeente veroordeeld de aanleg van de ontsluitingsweg bedoeld in artikel 5.1. van de bij de intentie-overeenkomst van 12 maart 1997 gevoegde koopakte na de aanvang van de aanleg voortvarend te voltooien en bepaalt dat de Gemeente tot de voltooiing van die ontsluitingsweg aan Reesink over gemeentegrond toegang dient te verlenen tot de ingevolge dit vonnis aan Reesink te leveren grond;

e. de Gemeente veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan Reesink van fl. 500.000,-- voor iedere dag dat de Gemeente na afloop van 14 dagen na betekening van dit vonnis aan haar in gebreke blijft aan dit onderdeel van dit vonnis te voldoen;

f. partijen opgedragen zich bij akte uit te laten omtrent hetgeen onder 7.21 van het vonnis is overwogen.

Rechtsoverweging 7.21 van dit vonnis luidt aldus:

"7.21 Partijen hebben zich in de procedure voornamelijk uitgelaten over de onder 7.2 weergegeven centrale vraag. De vordering van Reesink strekt onder meer ook tot veroordeling van de Gemeente tot het betalen van een schadevergoeding op te maken bij staat. Hieromtrent hebben partijen zich nog onvoldoende inhoudelijk uitgelaten. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zulks alsnog bij akte te doen, waarbij met name aan de orde kan komen - bezien in het kader van artikel 4 van de intentie-overeenkomst- welk moment voor het begin van een schadeclaim bepalend is, welke schadeposten de claim van Reesink omvat - de in de dagvaarding onder 12c genoemde posten gaan deels uit van het geheel niet meer kunnen realiseren van de bedrijfsverplaatsing, terwijl de bij conclusie van repliek door Reesink genoemde schadefactoren door haar "niet limitatief" zijn genoemd- en tot welke hoogte deze posten reeds (voldoende) bepaalbaar zijn."

1.2 Van dit vonnis is de Gemeente in hoger beroep gekomen. Bij arrest d.d. 4 juni 2002 heeft het Hof het vonnis bekrachtigd, behalve voor wat betreft de hoogte van de toegewezen dwangsomveroordeling. Tegen dit arrest heeft de Gemeente geen cassatieberoep ingesteld. De Gemeente heeft Reesink op 3 september 2002 laten weten van cassatie af te zien.

1.3 In het vonnis heeft de rechtbank de vaststaande feiten weergegeven. In aanvulling op deze feiten geldt dat het volgende vast staat.

1.4 Op 14 januari 2002 heeft de Gemeente het eerste deel (fase 1) van de grond aan Reesink geleverd. In de considerans van de akte van levering zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

"a. De Gemeente en Reesink hebben op twaalf maart negentienhonderdzevenennegentig de intentieovereenkomst gesloten onder meer met betrekking tot Fase 1;

Naar de mening van Reesink is toen ook de Koopovereenkomst gesloten, de Gemeente betwist dit;

(...…)

f. de gemeente heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem, en betwist derhalve de geldigheid van de titel op grond waarvan de onderhavige levering plaatsvindt. De Gemeente betwist de fictieve bouwvergunningverlening waarop Reesink de verplichting tot levering overeenkomstig het rechtbankvonnis baseert. Door de gemeente is terzake administratief bezwaar gemaakt.

Tenslotte betwist de Gemeente (deels) de voorwaarden (de koopprijs daaronder begrepen) waaronder deze levering plaatsvindt en behoudt zij zich het recht voor een en ander ter beslechting aan de rechter voor te leggen;

(...…)

i. Partijen verschillen voorts van mening of Fase 2 deel uitmaakt van het Verkochte. De Gemeente is van mening dat zulks niet het geval is. Reesink is van mening dat zulks wel het geval is."

Artikel 12 "Afstand ontbindingsrechten Fase 1" van de leveringsakte luidt alsvolgt:

"12.1 Partijen doen, voor wat betreft Fase 1, afstand van het recht om de Overeenkomst en de in deze akte verwoorde overeenkomst van levering op welke grond ook te ontbinden. Daaronder wordt niet begrepen de situatie waarin tengevolge van anders luidende gerechtelijke respectievelijk uitspraken in het kader van de beslechting van desbetreffende geschillen tussen Partijen geen en/of onvolledige levering blijkt te hebben plaatsgevonden op de onderhavige voorwaarden.

12.2 Indien en zodra in het kader van de in lid 1 bedoelde geschillen sprake is van gerechtelijke uitspraken, waaruit blijkt dat de onderhavige levering op grond van een juiste en geldige titel en op juiste voorwaarden heeft plaatsgevonden en die uitspraken in kracht van gewijsde zijn gegaan respectievelijk onherroepelijk zijn, is ieder van de Partijen bevoegd daarvan te doen blijken door inschrijven daarvan in de openbare registers."

1.5 Na de levering van de grond heeft de Gemeente, op 11 maart 2002, conservatoir beslag tot (terug)levering op de grond gelegd en bij deze rechtbank een procedure tegen Reesink aanhangig gemaakt, waarin zij teruglevering van de grond vordert.

1.6 Op 3 juli 2002 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op het door (onder meer) Reesink ingestelde beroep tegen het besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 14 maart 2000, waarbij goedkeuring is verleend aan het door de gemeenteraad van de Gemeente op 23 september 1999 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Apeldoorn-Oost: Ecofactorij". De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft het beroep van Reesink gedeeltelijk gegrond verklaard en alsnog goedkeuring onthouden aan enkele door Reesink bestreden planvoorschriften. Enkele andere bezwaren van Reesink tegen planvoorschriften zijn door de Afdeling verworpen. In rechtsoverweging 2.5 heeft de Afdeling onder meer overwogen:

"De afdeling overweegt dat verweerders (GS van Gelderland - toevoeging rechtbank) zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gemeenteraad de intentie van beide partijen heeft miskend of zijn bevoegdheid tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft misbruikt".

2 Standpunten van partijen

2.1 Reesink stelt dat thans in rechte vast staat dat de Gemeente in strijd met de intentieovereenkomst gehandeld heeft, door eerst in strijd met de overeenkomst een aantal vitale punten niet in het voorontwerp en ontwerp-bestemmingsplan op te nemen en door vervolgens de overeenkomst ten onrechte te ontbinden. Volgens Reesink is dit handelen van de gemeente welbewust en in weerwil van herhaalde sommaties van Reesink geschied. Door dit handelen van de gemeente heeft Reesink, stelt zij, (vertragings)schade geleden doordat zij haar bouwplannen pas veel later heeft kunnen realiseren. Bovendien heeft zij extra kosten moeten maken.

Reesink stelt primair dat haar vertragingsschade vanaf 8 maart 1999, de datum van het ter visie leggen van het ontwerp-bestemmingsplan, althans vanaf maart 1999, toen de gemeente ondanks een brief van Reesink van 10 maart 1999 weigerde het ontwerp-bestemmingsplan terug te nemen althans aan te passen, te wijten is aan ernstige nalatigheid c.q. schuld van de gemeente in de zin van artikel 4.2 van de overeenkomst tussen partijen. Subsidiair meent Reesink dat de schade vanaf 20 juli 1999, toen de gemeente in een brief aan Reesink liet weten dat Reesink de grond op basis van het toen voorliggende ontwerp-bestemmingsplan diende af te nemen, althans vanaf 23 augustus 1999, de datum van ontbinding van de overeenkomst door de gemeente, voor rekening van de gemeente komt, omdat de gemeente op die data geweigerd heeft de overeenkomst na te komen.

Reesink wijst er op dat de wanprestatie van de Gemeente niet op 14 januari 2002, de datum van levering van fase 1, geëindigd was. Doordat de Gemeente toen niet gaaf en onvoorwaardelijk leverde, heeft Reesink vanaf de datum van levering slechts getemporiseerd kunnen bouwen, hetgeen -meent Reesink- schade heeft veroorzaakt die voor rekening van de gemeente komt.

Reesink stelt verder dat de door haar genoemde schadeposten, zoals kosten om de oude huisvesting operationeel te houden, gemiste efficiencyvoordelen, stijgende bouwkosten en gemiste groei, pas kunnen worden vastgesteld zodra de bebouwing van fase 1 gereed is. Het komt haar praktisch voor dat de rechtbank eerst beslist over de schadeperiode. Vervolgens kan, bijvoorbeeld na een comparitie van partijen, bepaald worden hoe de verdere periode wordt ingericht.

2.2 De Gemeente betwist dat, zoals Reesink stelt, in rechte vaststaat dat zij ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Volgens de Gemeente is in het vonnis slechts beslist dat Reesink niet zo ernstig in de nakoming van haar verplichtingen is tekort geschoten dat een ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd was. Indien de rechtbank wel beslist zou hebben dat de Gemeente ernstig in haar verplichtingen is tekort geschoten, is dat in de visie van de Gemeente geen bindende eindbeslissing. Wanneer wel sprake zou zijn van een bindende eindbeslissing, kan de rechtbank daar volgens de Gemeente van terugkomen, nu sprake is van nieuwe en uitzonderlijke omstandigheden, die de binding aan een bindende eindbeslissing onaanvaardbaar maken.

De Gemeente betoogt dat die omstandigheden gelegen zijn in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 3 juli 2002. Met het hiervoor in rechtsoverweging 1.6 aangehaalde citaat uit de uitspraak van de Afdeling is, stelt de gemeente, de bodem weggeslagen onder de stelling van Reesink dat de Gemeente in strijd met de intentieovereenkomst heeft gehandeld. De Gemeente wijst er op dat de Afdeling het voorontwerp en het ontwerp bestemmingsplan geheel buiten beschouwing heeft gelaten en haar beslissing uitsluitend gebaseerd heeft op het door de gemeenteraad vastgestelde plan. Volgens de Gemeente heeft de Afdeling daarmee bevestigd dat het voorontwerp en ontwerp bestemmingsplan niet beslissend, zelfs rechtens niet relevant, zijn. Uit de uitspraak blijkt volgens de Gemeente verder dat de Gemeente correct gehandeld heeft en dat geen sprake is van (ernstige) nalatigheid van de Gemeente in de zin van artikel 4.2 van de overeenkomst tussen partijen. Niet die bepaling, maar artikel 4.1 -de ontbindingsmogelijkheid voor Reesink indien planaanpassingen niet naar genoegen van (een van) partijen mogelijk is- is van toepassing, stelt de Gemeente. Bovendien blijkt uit de uitspraak, meent de Gemeente, dat een bouwvergunningsaanvraag niet, zoals Reesink heeft gesteld, aangehouden of geweigerd had moeten worden vanwege het (voor)ontwerp bestemmingsplan.

De Gemeente maakt verder bezwaar tegen de door Reesink genoemde begindata van de schadeperiode.

3 Beoordeling van het geschil

3.1 Tekortschieten door de Gemeente

Anders dan de Gemeente veronderstelt, heeft de rechtbank in het vonnis bepaald dat de Gemeente in strijd gehandeld heeft met de overeenkomst tussen Reesink en de Gemeente. Dat volgt, onder meer, uit de volgende overwegingen uit het vonnis:

- Allereerst heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7.15 uitdrukkelijk overwogen:

" Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het door de Gemeente ter visie gelegde (voor)ontwerp bestemmingsplan op een aantal voor Reesink cruciale punten niet overeenstemde met de letter of de geest van de intentie-overeenkomst".

- Vervolgens heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7.17 overwogen:

Zoals hiervoor al overwogen, heeft de Gemeente op ondeugdelijke gronden de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Dit brengt met zich dat de vordering van Reesink voor recht te verklaren dat de Gemeente gehouden is de overeenkomst van 12 maart 1997 na te komen, voor toewijzing vatbaar is".

- Tenslotte heeft de rechtbank in de hiervoor aangehaalde rechtsoverweging 7.21 bepaald dat partijen zich nader dienden uit te laten over de schadeperiode en de omvang van de schade. De Gemeente mag er van uit gaan dat de rechtbank partijen alleen opdraagt nadere informatie te verstrekken indien zulks voor de beslechting van het geschil wenselijk is, hetgeen niet het geval zou zijn indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de Gemeente niet in strijd met de overeenkomst gehandeld zou hebben.

Overigens heeft het hof de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank bekrachtigd door te overwegen:

"5.17 (…...) Naar het oordeel van het hof handelde de Gemeente door die punten in het (voor-) ontwerp bestemmingsplan op te nemen en die ook na uitdrukkelijk en indringend protest van Reesink niet te wijzigen in strijd met de letter en de geest van de intentieovereenkomst.

(…...)

5.20 Dit brengt mee dat grief VI faalt voor zover daarin wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat het de Gemeente niet vrijstond de overeenkomst te ontbinden, omdat Reesink niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de intentieovereenkomst."

3.2 De rechtbank ziet -daargelaten of zulks gelet op het karakter van haar beslissing in dezen mogelijk zou zijn- geen aanleiding terug te komen op dit oordeel, ook niet vanwege de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak inzake het bestemmingsplan. Zoals Reesink opmerkt, heeft de uitspraak van de Afdeling betrekking op het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan. Het tekortschieten van de Gemeente is niet gelegen in het vaststellen van dit bestemmingsplan (dat op cruciale punten is gewijzigd ten opzichte van het (voor)ontwerp) -Reesink heeft dat ook niet aan haar schadevergoedingsvordering ten grondslag gelegd- maar in het ter visie leggen van een (voor)ontwerp bestemmingsplan, dat in strijd met de letter en geest van de intentieovereenkomst was, alsmede in het ten onrechte ontbinden van de overeenkomst tussen partijen. Over de vraag of het door de Gemeente opstellen en ter visie leggen van het (voor)ontwerp bestemmingsplan in strijd was met de overeenkomst tussen partijen heeft de Afdeling zich, gelet op het aan de Afdeling ter toetsing voorgelegde besluit van GS, niet uitgelaten.

Uit de uitspraak van de Afdeling kan, anders dan de Gemeente betoogt, evenmin worden afgeleid dat Reesink al wel in de fase van het (voor)ontwerp bestemmingsplan een bouwvergunning had dienen aan te vragen. De Afdeling heeft zich niet uitgelaten over de kans van slagen van een eventuele aanvraag van een bouwvergunning in bedoelde periode. De rechtbank ziet geen enkele reden terug te komen op hetgeen zij hieromtrent in het vonnis heeft overwogen. In dit kader zij opgemerkt dat het hof het oordeel van de rechtbank op dit punt heeft bekrachtigd, gelet op rechtsoverweging 5.18 van het arrest:

"Het voorgaande brengt, gezien het hiervoor onder 5.7 overwogene, mee dat Reesink niet gehouden was om een aanvraag voor een bouwvergunning in te dienen nadat het voorontwerp bestemmingsplan bekend was geworden, omdat er op dat moment, gezien dat voorontwerp, voor Reesink geen uitzicht op bestond dat de bouwvergunning zou worden verleend en bovendien fase 2 onvoldoende planologische mogelijkheden bood, zodat fase 1 niet zou behoeven te worden afgenomen.

3.3 Aansprakelijkheid van de Gemeente

Het enkele feit dat de Gemeente is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst met Reesink betekent nog niet dat zij aansprakelijk is voor de door Reesink geleden schade. De Gemeente heeft zich op artikel 4.1 van de overeenkomst beroepen ter onderbouwing van haar stelling dat de Gemeente niet aansprakelijk is voor de eventueel door Reesink geleden schade. De Gemeente miskent echter dat artikel 4.1 een regeling biedt voor situaties waarin een door de Gemeente in procedure gebracht (voor)ontwerp bestemmingsplan tengevolge van door derden ingebrachte zienswijzen of ingediende bezwaren gewijzigd moet worden. Van een dergelijke situatie, waarin het (voor)ontwerp bestemmingsplan gewijzigd diende te worden naar aanleiding van zienswijzen of bezwaren van derden is geen sprake. Door de Gemeente is dat overigens ook niet gesteld. Het beroep van de Gemeente op de regeling van artikel 4.1 van de overeenkomst faalt derhalve.

Artikel 4.2 bepaalt dat de Gemeente slechts dan aansprakelijk is voor schade van Reesink die voortvloeit uit (vertraging in) de ruimtelijke ordeningsprocedures en eventuele anticipatieprocedures indien dit te wijten is aan ernstige nalatigheid c.q. schuld van de Gemeente, danwel hernieuwde nalatigheid van de Gemeente ondanks ingebrekestelling door Reesink.

Bij de uitleg van artikel 4.2 komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij ten deze redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij oordeelt de rechtbank van belang dat de regeling van afdeling 6.1.8. BW van aanvullend recht is en partijen kennelijk met artikel 4.2 bedoeld hebben daarvoor een eigen regeling in de plaats te stellen. Voorts oordeelt de rechtbank van belang dat Reesink gesteld heeft, althans zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Reesink, dat artikel 4.2 een afwijking vormt van artikel 6: 74 BW. Deze stelling is niet door de Gemeente weersproken. Door een onderscheid te maken tussen ernstige nalatigheid en hernieuwde nalatigheid en alleen voor vergoeding van schade door de laatste vorm van nalatigheid het vereiste van een ingebrekestelling te stellen, hebben partijen met artikel 4.2 kennelijk bedoeld dat in een situatie van ernstige nalatigheid een ingebrekestelling niet vereist is.

3.4 Reesink heeft gesteld dat vanaf 8 maart 1999, toen de Gemeente het ontwerp bestemmingsplan ter visie legde en nadien weigerde dat ontwerp in te trekken of te wijzigen, sprake was van een situatie van ernstige nalatigheid. De rechtbank volgt Reesink in dit betoog. Daarbij overweegt de rechtbank allereerst dat het ontwerp bestemmingsplan, zoals de rechtbank in het vonnis al heeft overwogen, op cruciale punten in strijd was met de overeenkomst tussen partijen en Reesink ernstig belette in haar mogelijkheden om de van de Gemeente gekochte gronden overeenkomstig de met de Gemeente gemaakte afspraken te bebouwen en te gebruiken. Vervolgens is van belang dat aan het ontwerp bestemmingsplan een voorontwerp was voorafgegaan, dat eveneens -soortgelijke- afwijkende bepalingen bevatte, dat Reesink de Gemeente op deze afwijkingen gewezen heeft en er bij de Gemeente, zoals door haar onbetwist is gesteld en zoals ook volgt uit de overgelegde correspondentie, herhaalde malen op heeft aangedrongen het ontwerpplan aan te passen aan de overeenkomst tussen partijen. Tenslotte leidde het ter visie leggen van een dergelijk ontwerp bestemmingsplan, na een voorontwerp bestemmingsplan met vergelijkbare bepalingen, ertoe dat Reesink geblokkeerd werd in haar mogelijkheden met enige kans op succes middels een anticipatieprocedure een bouwvergunning overeenkomstig de overeenkomst tussen partijen te verkrijgen.

Aldus geldt dat de Gemeente niet alleen een ontwerp bestemmingsplan ter visie heeft gelegd dat ingrijpende, en voor Reesink nadelige, afwijkingen bevatte ten opzichte van de overeenkomst tussen partijen, maar dat zij zulks ook welbewust, immers ondanks de verzoeken en waarschuwingen van Reesink, heeft gedaan. Dit handelen van de Gemeente is, mede gelet op de, aan de Gemeente kenbare, ingrijpende gevolgen voor Reesink te kwalificeren als ernstige nalatigheid c.q. schuld in de zin van artikel 4.2 van de overeenkomst tussen partijen. Aan de vraag of, en zo ja vanaf welk moment, is voldaan aan het alternatieve aansprakelijkheidscriterium van artikel 4.2 van de overeenkomst -hernieuwde nalatigheid na ingebrekestelling- komt de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet toe.

3.5 Op 23 augustus 1999 heeft de Gemeente de overeenkomst met Reesink -zoals in het vonnis is overwogen: ten onrechte- ontbonden. Ook het onterecht ontbinden van de overeenkomst en de daarin begrepen weigering de verplichtingen uit de overeenkomst verder na te komen leidt tot schadeplichtigheid van de Gemeente. De brief waarin de Gemeente de overeenkomst ontbond vormt een mededeling in de zin van artikel 6: 83 sub c BW, zodat de Gemeente -los van de gang van zaken rond het (voor)ontwerp bestemmingsplan- terzake van de nakoming van haar overige verplichtingen uit de overeenkomst op 23 augustus 1999 in verzuim kwam te verkeren en in verzuim bleef, ook nadat de Gemeenteraad op 23 september 1999 het bestemmingsplan vaststelde en daarbij op een aantal voor Reesink cruciale punten tegemoet kwam aan de bedenkingen van Reesink.

3.6 De Gemeente heeft op 14 januari 2002 de grond voor fase 1 geleverd. Reesink heeft terecht aangevoerd dat toen van een gave en onvoorwaardelijke levering nog geen sprake was. Uit de in rechtsoverweging 1.4 aangehaalde passages uit (met name de considerans van) de akte van levering volgt ook dat van een onvoorwaardelijke levering geen sprake was, omdat de Gemeente zich het recht voorbehield om de levering ongedaan te maken. Dat het de Gemeente op dit punt ernst was, en dat het in de akte van levering opgenomen voorbehoud niet maar een formaliteit was, blijkt uit het door de Gemeente na de levering gelegde (terug)leveringsbeslag en de in aansluiting daarop door de Gemeente aanhangig gemaakte procedure, waarin de Gemeente teruglevering van de door haar onder protest geleverde grond vordert.

Reesink heeft onbetwist gesteld dat de Gemeente pas op 3 september 2002 liet weten af te zien van cassatie, zodat zij pas vanaf dat moment er van uit mocht gaan dat de grond niet aan de Gemeente teruggeleverd behoefde te worden. De verzuimperiode van de Gemeente is dan ook eerst op 3 september 2002 geëindigd.

De slotsom is dat sprake is van een verzuimperiode van 8 maart 1999 tot en met 3 september 2002.

3.7 Verdere procedure

Reesink heeft schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd. In haar akte in conventie heeft zij haar stellingen over de schade uitgewerkt, onder meer door een aantal schadeposten te benoemen, maar heeft zij tevens aangegeven de daarmee gemoeide schadebedragen nog niet te kunnen vaststellen. Nu Reesink geen schadebedragen genoemd heeft en informatie op basis waarvan de rechtbank de schade zou kunnen begroten ontbreekt -ook omdat de omvang van een deel van de schade, zoals Reesink terecht aanvoert, pas kan worden vastgesteld nadat de verhuizing is gerealiseerd en een vergelijking kan worden gemaakt tussen de oude en de nieuwe situatie-, kan de rechtbank thans niet zelf de schade begroten. Omdat wel aannemelijk is dat Reesink door het handelen van de Gemeente schade heeft geleden, zal de rechtbank de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat toewijzen.

Reesink heeft tevens wettelijke rente over het vast te stellen schadebedrag vanaf 17 september 1999 gevorderd. Omdat de ingangsdatum van de wettelijke rente nog niet vast te stellen is -de ingangsdatum zal voor de verschillende schadeposten verschillend zijn- zal de rechtbank in het dictum geen ingangsdatum voor de verschuldigdheid van wettelijke rente bepalen. De wettelijke rente kan in de schadestaatprocedure worden vastgesteld. Zij vormt immers een schadepost. Om die reden is het, nu de ingangsdatum nog niet kan worden vastgesteld, niet nodig om naast de veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat de Gemeente tevens te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de schade. De veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente is in de veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat begrepen.

3.8 Proceskostenveroordeling in conventie

De Gemeente is (ook) in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld. Zij zal dan ook worden belast met de aan de zijde van Reesink gevallen proceskosten, waaronder de kosten van het gelegde beslag, met uitzondering van de kosten van het herstelexploit.

BESLISSING

De rechtbank veroordeelt de Gemeente om aan Reesink te betalen schadevergoeding op te maken bij staat.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

De Gemeente wordt veroordeeld in de kosten van dit geding. Deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van Reesink gevallen, bepaald op EURO 2.768,88. .

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.H.S. Lebens, G. van Rijssen en H. de Hek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.