Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF9056

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-05-2003
Datum publicatie
22-05-2003
Zaaknummer
02/1356 NABW 58
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 02/1356 NABW 58

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[naam], wonende te [plaats] eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eibergen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 augustus 2002.

2. Feiten

Per 4 september 2000 is de bijstandsuitkering van eiser en zijn toenmalige echtgenote ingetrokken, aangezien de door verweerder gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn waren verstrekt.

Eiser heeft vervolgens op 13 oktober 2000 en 9 maart 2001 nieuwe aanvragen om bijstand ingediend, welke niet in behandeling zijn genomen casu quo zijn afgewezen, omdat eiser geen bewijsstukken heeft aangeleverd waaruit blijkt hoe hij in de periode voorafgaande aan de aanvraag in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien.

Op 27 november 2001 heeft eiser een nieuwe aanvraag om bijstand bij verweerder ingediend. Bij brieven van 22 januari 2002 en 11 februari 2002 is eiser verzocht gegevens te verstrekken betreffende de aan- en verkoop van diverse auto's. Voorts is verzocht om bewijsstukken waaruit blijkt hoe eiser in de periode voorafgaande aan de aanvraag in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien. Namens eiser zijn vervolgens een vijftal verklaringen overgelegd van personen die verklaren eiser geld en/of onderdak te hebben verleend in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Voorts zijn bewijzen van

achterstallige huurbetalingen tot een bedrag van €EUR 1169,25 overgelegd.

Verweerder heeft deze verklaringen vervolgens door een ambtenaar bijzonder onderzoek van de gemeente Deventer laten verifiëren.

Bij primair besluit van 17 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag om bijstand afgewezen omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat aan de hand van de door eiser overgelegde informatie het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij het bestreden besluit is het tegen het besluit van 17 mei 2002 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Namens eiser is door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, beroep ingesteld op de in het (aanvullend) beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Op 10 februari 2003 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald, dat de kennisgeving van enkele, met name aangeduide gedingstukken, niet aan eiser maar uitsluitend aan zijn gemachtigde is toegestaan.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van 24 april 2003, waar voor eiser is verschenen mr. dr. H.H. van Steijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevr. S.G. Kruit.

4. Motivering

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de resultaten van het onderzoek naar aanleiding van de door eiser ingediende verklaringen, niet aannemelijk is geworden dat eiser op de hem voorgestelde wijze in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

Om die reden heeft verweerder de aanvraag met toepassing van het bepaalde in de artikelen 65 eerste lid, 66 tweede lid en 7 van de Algemene bijstandswet (Abw) afgewezen, aangezien aan de hand van de door eiser verschafte informatie het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat uit de bepalingen van de Abw volgt dat in het kader van een bijstandsaanvraag door de aanvrager die informatie wordt verschaft, welke noodzakelijk is om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. In de omstandigheden van het onderhavige geval heeft verweerder voldoende aanleiding kunnen zien om van eiser tevens

te verlangen dat hij inzichtelijk maakt hoe hij in de periode voorafgaande aan de aanvraag in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien.

Gelet op de resultaten van het zijdens verweerder ingestelde onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat eiser in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag middels financiële bijdragen van diverse personen, waaronder zijn ouders en nicht, in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De rechtbank acht in dit verband (onder meer) van belang dat bedoelde personen, welke blijkens hun verklaringen ieder afzonderlijk in een tijdsbestek van enkele maanden aanzienlijke geldbedragen aan eiser zouden hebben geleend, deels uitkeringen op bijstandsniveau genoten, dan wel ten tijde in geding minderjarig en nog inwonend bij hun ouders waren. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat deze personen in staat zijn geweest in een relatief kort tijdsbestek dergelijke grote geldbedragen, waarvan overigens geen schuldbekentenissen voorhanden zijn, aan eiser te lenen. Ook anderszins geven de resultaten van het ingestelde onderzoek voldoende aanleiding om het waarheidsgehalte van de afgelegde verklaringen in twijfel te trekken.

Tenslotte acht de rechtbank van belang dat eiser op zijn aanvraagformulier van 27 november 2001 van het bestaan van deze schulden (welke in totaal een bedrag van fl. 17.500,-betreffen en blijkens de verklaring van eisers gemachtigde ter zitting dienen te worden terugbetaald), geen melding heeft gemaakt.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aan de op hem rustende informatieplicht heeft voldaan, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. In een zodanige situatie bieden de artikelen 65, tweede lid, en 7 van de Abw, in onderlinge samenhang bezien, voldoende grondslag om de aanvraag af te

wijzen.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.