Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF8572

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-05-2003
Datum publicatie
13-05-2003
Zaaknummer
: 03/549 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 194 met annotatie van A.H.M. Dölle
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nr.: 03/549 VEROR

UITSPRAAK

op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[de heer C.K. ], te Arnhem, verzoeker,

en

de burgemeester van de gemeente Apeldoorn, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 14 april 2003.

2. Procesverloop

Verzoeker heeft bij brief van 23 april 2003 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 mei 2003. Verzoeker is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.L. Bos en G.L. ter Brugge.

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Op 27 maart 2003 heeft verzoeker verweerder in kennis gesteld van zijn voornemen om op 17 mei 2003 in Apeldoorn een demonstratie te houden met als thema 'Geen geld voor links geweld en ANTIFA verbieden'. Voorafgaand daaraan had verweerder op 8 maart 2003 een eerder door verzoeker in overleg met verweerder in het centrum van Apeldoorn te houden demonstratie alsnog verboden, nadat zich tijdens een op diezelfde dag eveneens in overleg met verweerder in het centrum van Apeldoorn gehouden tegendemonstratie ongeregeldheden hadden voorgedaan.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de door verzoeker aangekondigde demonstratie verboden, omdat volgens verweerder ernstig moet worden gevreesd dat het plaatsvinden van de demonstratie leidt tot ingrijpende wanordelijkheden en een ernstige verstoring van de openbare orde. In dit verband heeft verweerder met name gewezen op de ongeregeldheden die zich ondanks een grote inzet van de politie hebben voorgedaan op de dag van de eerder door verzoeker aangekondigde demonstratie in Apeldoorn.

Verweerder heeft nog overwogen om verzoeker een andere locatie om te demonstreren aan te wijzen, doch heeft daarvan afgezien, omdat op 8 maart 2003 ook is gebleken dat de "linkse" en "rechtse" groeperingen met elkaar in verbinding staan, met de kennelijke bedoeling de confrontatie te zoeken, waarbij verweerder heeft opgemerkt dat de Anti-Fascistische Aktie Nijmegen een kennisgeving heeft ingediend om op 17 mei 2003 een tegendemonstratie in Apeldoorn te houden.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het nakomen door verzoeker en anderen van voorwaarden om een regelmatig verloop van de demonstratie niet anders dan met een onevenredig grote inzet van politie is af te dwingen.

In artikel 9, eerste lid, van de Grondwet wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

In het tweede lid is bepaald dat de wet regels kan stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Regels als hier bedoeld zijn met name opgenomen in de Wet openbare manifestaties (Wom).

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wom kan de burgemeester voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

Ingevolge artikel 2 van deze wet kunnen bevoegdheden tot beperking van het recht op betoging slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Niet in geschil is dat de door verzoeker aangekondigde demonstratie als een betoging in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Grondwet is aan te merken.

De hiervoor genoemde bepalingen, in hun onderlinge samenhang bezien, brengen met zich dat een betoging slechts in dwingende situaties preventief verboden mag worden. Er dienen zwaarwegende omstandigheden in het geding te zijn voor een beperking van het recht om te demonstreren. Een dergelijke beperking kan in beginsel geen rechtvaardiging vinden in de overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover de deelnemers aan een betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zal hebben. Er van uitgaande dat de betoging zelf zoals door verzoeker aangekondigd ordentelijk zal verlopen, behoort de burgemeester aan de betoging de nodige politiebescherming te bieden, teneinde deze doorgang te doen vinden. Een verbod is slechts gerechtvaardigd, indien er een bestuurlijke overmachtssituatie dreigt te ontstaan. Daarvan is sprake wanneer de betoging naar redelijke verwachting gepaard zal gaan met dermate ernstige wanordelijkheden, dat er niet voldoende politie kan worden ingezet om de veiligheid van burgers en goederen adequaat te beschermen.

De rechter dient met de nodige terughoudendheid te beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verbieden van de aangekondigde demonstratie. Dit neemt echter niet weg dat, nu het hier gaat om de uitoefening van een grondrecht, verweerder zal moeten aantonen dat hij zich in voldoende mate heeft ingespannen bij de uitvoering van de op hem rustende verplichting om te onderzoeken of door het treffen van passende maatregelen, dan wel het stellen van voorschriften en/of beperkingen, een vreedzaam verloop van de aangekondigde demonstratie mogelijk is.

Mede gelet op de ongeregeldheden die zich op 8 maart 2003 hebben voorgedaan acht de voorzieningenrechter het - ondanks het gegeven dat verweerder de door de Anti-Fascistische Aktie Nijmegen aangekondigde tegendemonstratie op 17 mei 2003 eveneens heeft verboden - op voorhand niet uit te sluiten dat zich op 17 mei 2003 opnieuw ongeregeldheden kunnen voordoen. Dat ontslaat verweerder echter niet van de verplichting om een gedegen risico-analyse te maken met betrekking tot de door verzoeker aangekondigde demonstratie op 17 mei 2003.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder vooralsnog onvoldoende geconcretiseerd dat een vreedzaam verloop van de door verzoeker aangekondigde demonstratie niet anders dan met een onevenredig grote inzet van de politie is af te dwingen. Noch uit de gedingstukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder een gedegen risico-analyse heeft gemaakt met betrekking tot de door verzoeker aangekondigde demonstratie op 17 mei 2003. In dat verband is ook niet gebleken dat serieus onderzoek is verricht naar mogelijke alternatieve locaties voor de te houden demonstratie. Ter zitting is door verweerder weliswaar gesteld dat eventuele andere locaties op een zodanige afstand van het station zijn gelegen dat de veilige begeleiding van deelnemers aan de demonstratie van en naar die locaties onvoldoende kan worden gewaarborgd, doch gesteld noch gebleken is dat verweerder daarbij concrete andere locaties in ogenschouw heeft genomen.

Het eerst ter zitting overgelegde interne memo van de Regiopolitie Noord en Oost Gelderland van 9 mei 2003 bevat evenmin een (toereikende) risico-analyse waarbij mogelijke andere locaties voor de te houden demonstratie zijn betrokken. Voorts blijkt uit dit memo niet dat op 17 mei 2003 onvoldoende politie beschikbaar zal kunnen zijn om een vreedzaam verloop van de demonstratie te waarborgen. Overigens wekt het memo, met name gelet op de daarin vervatte slotzin, niet de indruk dat de voorliggende problematiek met de vereiste zorgvuldigheid is benaderd.

De voorzieningenrechter acht nog van belang dat verzoeker heeft verklaard te allen tijde bereid te zijn met verweerder te overleggen aangaande de aan de te houden demonstratie - onder meer met betrekking tot een eventuele andere locatie en het aantal door verzoeker naar de demonstratie mee te brengen deelnemers - te verbinden voorwaarden.

Op grond van het vorenstaande kan vooralsnog niet worden geoordeeld dat het bestreden besluit gelet op de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb in de bodemprocedure stand zal kunnen houden. Hetgeen verweerder ter zitting nog heeft aangevoerd met betrekking tot de - niet nader gekwantificeerde - inzet van politie voor de vogelpestbestrijding en de op 17 mei 2003 in Apeldoorn te houden (landelijke) wielerronde leidt de voorzieningenrechter voorshands niet tot een ander oordeel.

Gelet op het vorenoverwogene zal het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening worden toegewezen. Verweerder heeft ter zitting, gevraagd naar de te treffen maatregelen bij een eventuele toewijzing van het verzoek, geen te stellen voorschriften en/of beperkingen genoemd, maar aangekondigd in dat geval een noodverordening te zullen vaststellen. Onder deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter thans volstaan met schorsing van het bestreden besluit zonder zelf bij wijze van voorlopige voorziening aan de te houden demonstratie concrete voorwaarden te verbinden. Dit laat onverlet dat verweerder alsnog voorschriften en/of beperkingen aan de te houden demonstratie kan stellen met betrekking tot onder meer de locatie, het tijdstip, de tijdsduur en het aantal door verzoeker mee te brengen deelnemers.

Niet is gebleken dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank,

recht doende:

- schorst het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Apeldoorn het betaalde griffierecht ad EURO 116,-- aan verzoeker vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.R. Borgerhoff Mulder en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.