Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF8348

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-04-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
Rolnummer: 42454 HAZA 01-951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2003/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Samenvatting: Automobilist wordt zowel in 1994, 1997 en 1998 van achteren aangereden. De eerste aanrijding vond in België plaats. Whiplashklachten. Slachtoffer was ten tijde van de tweede aanrijding nog arbeidsongeschikt (met negatieve prognose v.w.b. herstel) en niet aan het werk. Dit heeft tot gevolg dat zijn inkomensschade (waaronder begrepen pensioenschade) ook zonder het ongeval van 7 januari 1997 zou zijn doorgelopen. Na derde aanrijding is in België geprocedeerd ter zake van de eerste aanrijding, waarop Belgisch recht van toepassing is. Onherroepelijk vonnis, waarbij ook toekomstige schade is vergoed.

In juridische zin is door betaling van de schade ter zake van verlies aan verdienvermogen voldaan aan bestaande verplichtingen tussen de veroorzaker van het eerste ongeval en slachtoffer en lijdt slachtoffer in zoverre geen schade meer ten gevolge van dit ongeval. Na het optreden van het tweede ongeval is dan ter zake van de hiervoor genoemde schade geen sprake van hetgeen door slachtoffer wordt aangeduid als mengschade in de zin van artikel 6:99 BW. Daar komt bovendien nog bij dat slachtoffer niet heeft gesteld dat elk van de drie aanrijdingen op zichzelf de gehele (toekomstige) schade veroorzaakt zou kunnen hebben. Hierdoor mist artikel 6:99 BW toepassing.

Rechtsbijstandsassuradeur treft geen verwijt dat er ter zake van de eerste aanrijding in België is geprocedeerd.

Rolnummer: 42454 HAZA 01-951

Uitspraak : 23 april 2003

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat : mr. I.H.M. Baas te 's-Gravenhage,

en

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. ,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde partij,

procureur: mr. J. Schep.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eiser] en Achmea.

1. Het verdere verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ het vonnis van 6 juni 2002

­ het proces-verbaal van de op 5 september 2002 gehouden comparitie van partijen

­ de conclusie van repliek, tevens houdende akte tot wijziging van eis

­ de conclusie van dupliek.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op 1 augustus 1994 is [eiser] (geboren op [maand] 1938) te [woonplaats,land] als bestuurder van een personenauto ([A]) in stilstand van achteren aangereden door een personenauto ([B]).

Als gevolg van dit ongeval hebben zich bij [eiser] klachten behorend bij een whiplashtrauma ontwikkeld, met name bestaande uit ernstige nek- en hoofdpijnen alsmede concentratie- en geheugenstoornissen.

[eiser], die ten tijde van het ongeval werkzaam was als statutair directeur in dienst van [B.V.]., is als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt geraakt en heeft met ingang van 8 augustus 1994 een Ziektewetuitkering genoten.

Op 15 december 1994 is [eiser] voor 50% aan het werk gegaan, doch op 1 mei 1995 is hij opnieuw uitgevallen wegens dezelfde klachten en beperkingen.

Op 1 juni 1995 is aan [eiser] wegens aanhoudende arbeidsongeschiktheid ontslag verleend als statutair directeur van voormelde vennootschap.

Met ingang van 7 augustus 1995 heeft [eiser] een WAO-uitkering ontvangen (op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55-65%), aangevuld met een Werkloosheidsuitkering.

De neuroloog dr. J.Th.J. Tans heeft in zijn brief aan de huisarts van [eiser] d.d. 13 februari 1996 als conclusie aangegeven:

"patiënt heeft persisterende klachten van een Whiplash-letsel, waarvoor ook ik helaas geen behandelingsmogelijkheden heb."

2.2 Op 7 januari 1997 is [eiser] als bestuurder van een [personenauto C] op de Utrechtsebaan te 's-Gravenhage in stilstand van achteren aangereden door een Audi A4. [eiser] is per ambulance naar het ziekenhuis afgevoerd.

Aan [eiser] is met ingang van 8 januari 1997 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid verstrekt en met ingang van 25 oktober 1997 een WAO-uitkering op basis van 65-80% arbeidsongeschiktheid.

2.3 Op 26 maart 1998 is [eiser] als bestuurder van een [personenauto C] ter hoogte van de afrit Nootdorp, op een moment waarop hij in verband met filevorming had afgeremd tot bijna stilstand, van achteren aangereden door een [personenauto D.]

[eiser] is daarbij even buiten bewustzijn geraakt en is per ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar hij enige uren ter observatie heeft verbleven.

Achmea heeft als WAM-assuradeur van de eigenaar van het aanrijdende voertuig -na aanvankelijke betwisting buiten rechte- thans in rechte de aansprakelijkheid jegens [eiser] erkend.

2.4 [eiser], die met Achmea een rechtsbijstandsverzekering had gesloten, heeft in 1998 in overleg met Europrotector B.V. (de feitelijke -door Achmea aangewezen- rechtshulpverlener, hierna: Europrotector) besloten om ter zake van de eerste aanrijding in België te gaan procederen tegen de N.V. Fortis AG, de WAM-assuradeur van de eigenaar van de aanrijdende auto.

2.5 Europrotector heeft namens [eiser] ter zake van de tweede aanrijding onderhandeld met Aegon Schadeverzekering N.V. (hierna: Aegon), de WAM-assuradeur van de eigenaar van de aanrijdende auto.

Die onderhandelingen hebben ertoe geleid dat [eiser] en Aegon in augustus 1998 met elkaar een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarbij de door [eiser] als gevolg van het tweede ongeval geleden schade (exclusief de autoschade) is vastgesteld op een bedrag van f 15.500,--.

2.6 [eiser] is in oktober 1998 geopereerd in verband met een nekhernia.

[eiser] geniet met ingang van 27 november 1998 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.

2.7 Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de politierechtbank te Mechelen d.d. 27 oktober 2000 is N.V. Fortis AG veroordeeld om aan [eiser] een bedrag van Bfr. 260.465, vermeerderd met rente en kosten, te betalen. De politierechtbank heeft op (de gevolgen van) het eerste ongeval Belgisch recht toegepast en heeft haar vonnis in belangrijke mate gebaseerd op de inhoud van een in overleg tussen de betreffende partijen tot stand gekomen medische rapportage van dr. Van Melkebeke d.d. 18 november 1997.

Tegen dit vonnis heeft N.V. Fortis AG noch [eiser] hoger beroep ingesteld.

3. De vordering

3.1 [eiser] vordert -na wijziging van (de grondslag van de) eis- dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Achmea zal veroordelen om:

a. ter zake de schade wegens verlies arbeidsvermogen:

primair:

aan hem te vergoeden de schade wegens verlies arbeidsvermogen vanaf 7 januari 1997 op basis van een verondersteld voortgezette loopbaan van hem als directeur van [B.V.] te [plaats] tot pensioengerechtigde leeftijd, met inbegrip van de pensioenschade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en om aan hem bij wege van voorschot op vorenbedoelde schade te betalen een bedrag van € 45.000,-- EURO;

subsidiair:

aan hem te vergoeden de schade wegens verlies arbeidsvermogen op basis van een verondersteld voortgezette loopbaan van hem als directeur van een caravan/recreatiebedrijf tot pensioengerechtigde leeftijd, met inbegrip van de pensioenschade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet alsmede

om aan hem bij wege van voorschot op vorenbedoelde schade te betalen een bedrag van € 30.000,-- EURO,

alles onder bepaling dat Achmea gehouden is om in geval de belastingdienst het hiervoor genoemde bedrag of enig deel daarvan zou belasten met inkomstenbelasting en/of premieheffing, deze belasting en/of premieheffing op eerste aanmaning van hem aan hem te vergoeden, met de bevoegdheid van Achmea om op eigen kosten maar op naam van hem het standpunt van de belastingdienst ten hoogste instantie in rechte te bestrijden;

b. ter zake de schade wegens noodzakelijke kosten huishoudelijke hulp:

aan hem te betalen een bedrag ad f 6.500,-- (€ 2.929,57 EURO), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

c. ter zake de kosten herinrichting:

aan hem te betalen een bedrag van f 15.703,-- (€ 7.125,71 EURO), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

d. ter zake de immateriële schade:

aan hem te betalen een bedrag ad f 25.000,-- (€ 11.344,51 EURO), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 januari 1997, alles tot aan de dag der algehele voldoening,

waarbij het toe te wijzen bedrag dient te worden verminderd met de reeds betaalde voorschotten ad f 55.500,-- (€ 25.184,80 EURO), te weten f 15.500,-- (€ 7.033,59 EURO) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 september 1998, f 4.000,-- (€1.815,12 EURO) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 1999 en f 36.000,-- (€ 16.336,08 EURO) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2002,

een en ander met veroordeling van Achmea in de kosten van deze procedure.

3.2 [eiser] legt aan zijn vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

Naar aanleiding van de tweede aanrijding zijn de bestaande klachten verergerd.

Als gevolg van de derde aanrijding zijn de bestaande klachten en beperkingen wederom verergerd en had hij in verhevigde mate last van uitstralende nek- en hoofdpijn, paresthesie aan de rechterarm en verhevigde concentratie- en geheugenstoornissen.

Alle drie de ongevallen (van vergelijkbare aard en ernst) hebben geleid tot klachten duidend op een whiplash-trauma. De vraag welke gevolgen het tweede respectievelijk het derde ongeval zouden hebben gehad, indien de daaraan voorafgaande ongevallen niet zouden hebben plaatsgevonden is niet te beantwoorden.

De veroorzakers van de aanrijdingen zijn hoofdelijk jegens hem aansprakelijk voor de gehele schade gedurende de termijn dat de schadeoorzaken samenlopen.

Europrotector heeft zich bij haar schaderegelingsbeleid ten aanzien van de tweede aanrijding ten onrechte laten leiden door de veronderstelling dat slechts de "extra" schade ten opzichte van de eerder door het ongeval in België ontstane schade voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Waar Europrotector jegens Aegon aanspraak had kunnen maken op vergoeding van de "mengschade" (waaronder bijvoorbeeld de inkomensschade sedert het tweede ongeval) is in het kader van de vaststellingsovereenkomst genoegen genomen met een (relatief) gering bedrag. Deze afwikkeling was te minder aangewezen omdat de mogelijkheden tot schadeverhaal naar Belgisch recht beperkt zijn en Achmea als WAM-assuradeur de aansprakelijkheid voor het derde ongeval betwistte. Los daarvan is sprake van zodanige extra schade als gevolg van het tweede ongeval, dat de met Aegon getroffen regeling niet adequaat kan worden genoemd.

Zo het Belgische vonnis aan vergoeding van schade na het tweede ongeval in de weg staat, geldt dat indien bij de schaderegeling zou zijn onderkend dat Aegon naar Nederlands recht aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor de mengschade van het tweede ongeval, dit had moeten leiden tot het dringend advies aan [eiser] om de kwestie in België te laten rusten, althans in ieder geval voor wat betreft het in rechte vorderen van toekomstschade. Het leeuwendeel van de toekomstige schade had dan op Aegon verhaald kunnen worden.

Achmea is in haar hoedanigheid van rechtsbijstandsverzekeraar aansprakelijk voor de als wanprestatie aan te merken gedragingen van haar hulppersoon Europrotector.

De schade als gevolg van de door Achmea als rechtsbijstandsverzekeraar geleverde wanprestatie dient te worden berekend op basis van het bedrag waarvoor Aegon met succes aansprakelijk had kunnen worden gesteld, onder aftrek van de door Aegon verstrekte uitkering. Dat bedrag moet worden gesteld op de schade welke het gevolg kan zijn van zowel het eerste als het tweede ongeval en die van tenminste van één deze ongevallen het gevolg is, met uitzondering van die schade die niet het gevolg kan zijn geweest van het tweede ongeval.

Subsidiair is Achmea in haar hoedanigheid van WAM-assuradeur aansprakelijk voor de schade welke het gevolg kan zijn geweest van één van de drie ongevallen en die van tenminste één van deze ongevallen het gevolg is, met uitzondering van de schade die niet het gevolg kan zijn geweest van het derde ongeval. Dit laatste geldt voor alle schade geleden tot aan de datum van het derde ongeval.

Hij heeft schade geleden wegens verlies van arbeidsvermogen (waaronder begrepen pensioenschade), welke schade thans niet kan worden begroot. Hierbij dient primair uitgegaan te worden van het inkomen dat hij bij [BV] had kunnen verdienen.

Indien het tweede (en derde) ongeval niet zou(den) hebben plaatsgevonden had hij wederom betalende arbeid kunnen verwerven. Subsidiair dient bij de begroting van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen te worden uitgegaan van het inkomen dat hij in het verleden heeft verdiend in een functie van directeur/verkoper van een caravan/recreatiebedrijf.

Dit laatste is in overeenstemming met het zijdens Achmea aan hem schriftelijk buiten rechte kenbaar gemaakte standpunt. Achmea heeft daarop ter zake van het verlies aan arbeidsvermogen tot en met 1999 op 1 maart 2002 een voorschot van f 36.000,-- (inclusief een bedrag van f 6.000,-- aan wettelijke rente) betaald. Er is sprake van een rechtens bindende toezegging, althans van een zodanige gedraging respectievelijk uitlatingen van de zijde van Achmea dat hij er op mag vertrouwen dat Achmea de schade vergoedt (tenminste) overeenkomstig het door haar tot uitdrukking gebrachte uitgangspunt. Ook de omstandigheid dat partijen met elkaar in een bijzondere contractuele relatie staan (rechtsbijstandsverzekeraar/verzekerde) brengt met zich dat Achmea naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden is om de schadeafwikkeling in vorenstaande zin te doen plaatsvinden.

Nadat hij van het tweede ongeval enigzins was hersteld heeft hij gedurende een aantal weekends (lichte) PR-werkzaamheden ten behoeve van de autoracerij verricht. Daarvoor ontving hij een vergoeding van gemiddeld f 1.000,-- per weekend gedurende circa 12 weekends per jaar. Na het derde ongeval was hij tot het verrichten van die werkzaamheden niet meer in staat. Indien en voor zover het verlies aan arbeidsvermogen op basis van het vorenstaande voor vergoeding in aanmerking komt, maakt hij niet langer aanspraak op vergoeding van de weggevallen inkomsten wegens activiteiten in de autoracebranche.

In het najaar van 1997 zagen hij en zijn echtgenote zich genoodzaakt om te verhuizen. Zij huurden een onderhoudsgevoelig appartement dat uit twee etages bestond. Hij ([eiser]) bleek in steeds mindere mate in staat te zijn om (een gedeelte van) de huishoudelijke taken op zich te nemen en noodzakelijk onderhoud te verrichten. Bovendien was hij in inkomen enorm achteruit gegaan. Door de aankoop van het huidige nieuwbouw-appartement konden de woonlasten met

f 640,-- netto per maand worden verlaagd. In bedoeld appartement moest een aantal basisvoorzieningen (zoals keuken en vloerbedekking) worden getroffen.

Van de herinrichtingskosten vordert hij een bedrag van f 15.703,50, zijnde een in redelijkheid aan de ongevallen toe te rekenen schadepost.

Voorafgaande aan de ongevallen had hij zijn aandeel in de huishoudelijke taken, zoals stofzuigen, zware boodschappen doen, ramen zemen etc. Als gevolg van de verslechtering van zijn lichamelijke conditie kan hij een deel van die taken niet meer uitvoeren, met name die klussen waarbij tillen boven de macht noodzakelijk is.

Hij maakt aanspraak op vergoeding van kosten welke verbonden zijn aan het zo nu en dan inschakelen van huishoudelijke hulp. Hij beperkt zijn vordering ter zake tot een bedrag van f 6.500,-- (€ 2.929,57 EURO).

Als gevolg van de drie ongevallen is zijn levenskwaliteit in aanzienlijke mate verminderd. Niet alleen heeft hij een groot deel van zijn sociale netwerk verloren als gevolg van het feit dat hij niet meer in staat is om betaalde arbeid te verrichten, ook wordt hij in aanzienlijke mate beperkt in zijn dagelijks functioneren. De voortdurende pijnklachten, daardoor veroorzaakte slapeloosheid, concentratie- en woordvindingsproblemen zijn daaraan met name debet. Daarbij komen de frequente medische consulten, met name in verband met de nekklachten en de nekoperatie in oktober 1998. Die operatie is geen blijvend succes gebleken, zodat hij waarschijnlijk opnieuw geopereerd dient te worden. Het ter zake van immateriële schadevergoeding gevorderde bedrag van f 25.000,-- (€ 11.344,51 EURO) is gematigd te noemen.

4. Het verweer

4.1 Achmea concludeert dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] zal afwijzen, met zijn uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van het geding.

4.2 Op het verweer van Achmea zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Allereerst zal ingegaan worden op de vraag of Europrotector zich bij haar schaderegelingsbeleid ten aanzien van het tweede ongeval ten onrechte heeft laten leiden door de veronderstelling dat slechts de 'extra' schade ten opzichte van de eerder door het ongeval in België ontstane schade voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.

Schade is een begrip dat invulling krijgt door het toepasselijke recht. Tussen partijen is in confesso dat op het eerste ongeval Belgisch recht van toepassing was. Verder staat vast dat de politierechtbank te Mechelen de schade heeft bepaald die [eiser] heeft geleden en in de toekomst zal lijden als gevolg van het eerste ongeval. Anders dan [eiser] heeft gesteld, is het door de politierechtbank te Mechelen toegewezen bedrag ter zake van verlies aan verdienvermogen niet beperkt tot een jaar na het eerste ongeval. Immers, in bedoeld vonnis wordt -naast een tijdelijke procentueel aflopende arbeidsongeschiktheid- uitgegaan van een blijvende arbeidsongeschiktheid van 3%. Dat ter zake niet een hoger bedrag is toegewezen dan een bedrag van

Bfr. 137. 550,-- is mede te wijten aan het feit dat [eiser] in de betreffende procedure bedoelde post niet heeft onderbouwd. Tegen bedoeld vonnis is [eiser] niet in hoger beroep gegaan en hij verwijt Achmea in haar hoedanigheid van rechtsbijstandsassuradeur ook niet dat van hoger beroep is afgezien. In juridische zin is door betaling van de schade ter zake van verlies aan verdienvermogen (waaronder, nu het tegendeel niet door [eiser] is betoogd, mede begrepen is de door [eiser] te lijden pensioenschade) voldaan aan bestaande verplichtingen tussen de veroorzaker van het eerste ongeval en [eiser] en lijdt [eiser] in zoverre geen schade meer ten gevolge van dit ongeval. Na het optreden van het tweede ongeval is dan ter zake van de hiervoor genoemde schade geen sprake van hetgeen door [eiser] wordt aangeduid als mengschade in de zin van artikel 6:99 BW. Daar komt bovendien nog bij dat [eiser] niet heeft gesteld dat elk van de drie aanrijdingen op zichzelf de gehele (toekomstige) schade veroorzaakt zou kunnen hebben. Hierdoor mist artikel 6:99 BW toepassing.

Het bovengenoemde verwijt van [eiser] aan Europrotector treft reeds daarom geen doel. Een andere opvatting zou bovendien tot gevolg hebben, dat de veroorzaker van het tweede ongeval de gedeeltelijke gevolgen van het eerste ongeval dient te dragen, omdat geen rechtsgrond voor regres aanwezig is. Opmerking verdient voorts nog dat, ook al zou het op de eerste aanrijding van toepassing zijnde Belgische recht voor whiplashslachtoffers als [eiser] voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding minder gunstig zijn in vergelijking met het Nederlandse recht, deze omstandigheid geen rechtvaardiging vormt om het daaruit voor [eiser] kennelijk voortvloeiende nadeel af te wentelen op de veroorzaker van het tweede/derde ongeval, waarop Nederlands recht van toepassing is.

5.2 De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of Europrotector [eiser] op de door hem aangevoerde gronden dringend zou hebben moeten adviseren om af te zien van een gerechtelijke procedure tegen de veroorzaker van het eerste ongeval, dan wel om de vordering in bedoelde procedure te beperken tot vergoeding van de schade tot aan de datum van het tweede ongeval.

Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Op het tijdstip waarop Europrotector de beslissing nam om in België te gaan procederen was het -gezien de toenmalige stand van rechtspraak en literatuur- voor Europrotector als rechtsbijstandsassuradeur redelijkerwijze niet met voldoende redelijke zekerheid in te schatten dat Aegon naar Nederlands recht aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor de mengschade van het tweede ongeval. In het verlengde daarvan kon ook niet met voldoende redelijke zekerheid worden aangenomen dat het voor wat betreft de hoogte van de in rechte te verkrijgen schadevergoeding beter en verantwoord was om in Nederland te procederen tegen de veroorzaker van het tweede ongeval dan wel om in België een beperkte vordering in te stellen tegen de veroorzaker van het eerste ongeval en de vanaf het tweede ongeval geleden en te lijden schade trachten te verhalen op de veroorzaker van het tweede ongeval. Bovendien is het -mede in aanmerking genomen dat uit het vonnis van de politierechtbank te Mechelen blijkt dat [eiser] zijn schade onvoldoende heeft onderbouwd- nog maar de vraag of de verder niet onderbouwde stelling van [eiser], dat naar Belgisch recht bij letselzaken zonder meer een lagere schadevergoeding wordt toegekend dan in het geval dat Nederlands recht van toepassing is, juist is.

5.3 Door [eiser] is vervolgens naar voren gebracht dat de met Aegon getroffen regeling voor de extra schade als gevolg van het tweede ongeval niet adequaat genoemd kan worden. Hij verwijst naar een e-mail bericht van de stichting Stichting Achmea Rechtsbijstand d.d. 3 mei 2001, waarin onder meer is opgenomen:

"Nimmer is aangegeven dat Uw stellingen inzake de mengschade worden aanvaard. Wel is aangegeven dat na intern beraad Achmea Rechtsbijstand Uw mening deelt dat de afwikkeling van de schade ten gevolge van het 2e ongeval door Europrotector niet zorgvuldig is geweest. Immers uit niets blijkt dat, ondanks de stringente wens van de heer [eiser] om die schade af te wikkelen, hij gewezen is op de mogelijke consequenties die dat kan hebben op de afwikkeling van met name het 3e ongeval. Tevens was onduidelijk of de schadevergoeding van f 15.000,00 gelet op alle omstandigheden wel een passende vergoeding was.

Als door die handelwijze van Europrotector schade zou zijn ontstaan, dan zou ARB die schade moeten vergoeden. In zoverre heeft U ons terecht aansprakelijk gesteld."

Nu Achmea haar aansprakelijkheid voor schade door de handelwijze van Europrotector niet heeft betwist, dient de afwikkeling van de schade ten gevolge van het tweede ongeval opnieuw bekeken te worden, echter met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.1 is overwogen.

5.4 Achmea heeft als WAM-verzekeraar erkend dat zij de schade ten gevolge van het derde ongeval dient te vergoeden. Nu Achmea geen bezwaar heeft gemaakt tegen een gezamenlijke behandeling van de schade ten gevolge van het tweede en derde ongeval, zullen de door [eiser] gestelde schadeposten beoordeeld worden zonder onderscheid te maken tussen de gevolgen die uitsluitend aan het tweede of aan het derde ongeval toe te rekenen zijn en de mengschade.

Verlies van arbeidsvermogen

5.5 Met betrekking tot de belangrijkste schadepost, de schade ter zake van verlies van arbeidsvermogen, wordt voorop gesteld dat [eiser] niet heeft bestreden dat zijn door de eerste aanrijding in België ontstane arbeidsongeschiktheid nog bestond op het moment dat hij op 7 januari 1997 voor de tweede maal slachtoffer werd van een achterop-aanrijding. Dit heeft tot gevolg dat zijn inkomensschade (waaronder begrepen pensioenschade) ook zonder het ongeval van 7 januari 1997 zou zijn doorgelopen. [eiser] heeft niet aangetoond dat hij als gevolg van de tweede en derde aanrijding meer pensioenschade zal lijden. Mede in aanmerking genomen dat [eiser] ten tijde van het tweede ongeval bijna 59 jaar oud was en de neuroloog dr. Tans in februari 1996 al geen behandelingsmogelijkheden voor [eiser] had en het GAK in zijn rapport van 25 juni 1996 [eiser] ongeschikt achtte voor eigen werk, komt het onwaarschijnlijk voor dat [eiser], het tweede en derde ongeval weggedacht, op enig moment na 7 januari 1997 een veeleisende directeursfunctie, zoals hij ten tijde van het eerste ongeval bekleedde, dan wel een functie als directeur van een caravan/recreatiebedrijf zou hebben verworven. Het enkele feit dat [eiser] na het tweede ongeval (lichte) PR-werkzaamheden verrichtte doet daaraan niet af.

[eiser] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat hij wederom betalende arbeid had kunnen verwerven door het overleggen van nader op te maken expertiserapporten, hetgeen aldus wordt verstaan als een aanbod tot bewijs door deskundigen.

Dit aanbod wordt gepasseerd, nu de rechtbank vrij is om al dan niet een deskundigenbericht te bevelen en er in het licht van het evenoverwogene over de prognose van de kansen van [eiser] op het in de toekomst verrichten van relevante arbeid geen grond bestaat om een deskundigenbericht te bevelen.

5.6 Daarnaast heeft [eiser] als grondslag van zijn subsidiaire begroting van het verlies van arbeidsvermogen aangevoerd dat Achmea aan hem een schriftelijke bindende toezegging zou hebben gedaan (welk geschrift niet is overgelegd) om aan [eiser] te vergoeden de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen op basis van een verondersteld voortgezette loopbaan als directeur van een caravan/recreatiebedrijf tot de pensioengerechtigde leeftijd (met inbegrip van pensioenschade) alsmede dat de door Achmea op 1 maart 2002 aan [eiser] gedane voorschotbetaling dient te worden gezien als een uitvoeringshandeling van bedoelde toezegging.

Nu Achmea heeft bestreden dat van een (onvoorwaardelijke) toezegging sprake is en [eiser] niet meer heeft kunnen reageren op het verweer van Achmea dat het slechts een bod betrof dat bij gebreke van acceptatie zou komen te vervallen, zal [eiser] overeenkomstig zijn aanbod met na te melden bewijs worden belast.

Schade wegens noodzakelijke kosten huishoudelijke hulp

5.7 Dat [eiser] -in aanmerking genomen dat zijn echtgenote naar hij stelt gedurende 20 uur per week buitenshuis is gaan werken- zo nu en dan behoefte heeft aan huishoudelijke hulp omdat hij een aantal huishoudelijke taken, welke hij voor het eerste ongeval placht te verrichten, niet meer kan uitvoeren, is zonder nadere

toelichting, die ontbreekt, ongenoegzaam om tot toewijzing van het daarop betrekking hebbende onderdeel van de vordering te kunnen komen.

Schade ter zake van de kosten van herinrichting

5.8 [eiser] heeft niet weersproken dat zijn verhuisplannen reeds in 1996 bestonden en dat hij in 1996 reeds ter zake van de koop/bouw van het nieuwe appartement heeft gecontracteerd. Nu [eiser] zelf heeft aangegeven dat die verhuizing noodzakelijk was vanwege zijn lichamelijke beperkingen alsmede zijn inkomensachteruitgang, een en ander als gevolg van de eerste aanrijding in 1994, kan de door [eiser] gevorderde vergoeding van herinrichtingskosten, ook al zijn die kosten eerst in 1997 daadwerkelijk gemaakt, in redelijkheid niet (mede) aan de veroorzaker van het tweede en/of derde ongeval worden toegerekend. Ook hier geldt dat [eiser] Achmea niet verwijt dat zij in haar hoedanigheid van rechtsbijstandsverzekeraar tekortgeschoten zou zijn bij het behartigen van zijn belangen in het kader van de eerste en/of tweede aanrijding.

Ook deze post komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

Immateriële schade

5.9 Voor de beantwoording van de vraag in welke omvang [eiser] jegens Achmea aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade is van belang in welke mate de situatie van [eiser] als gevolg van de tweede en derde aanrijding is verslechterd.

[eiser] heeft door overlegging van de als productie 26 overgelegde schriftelijke verklaring van de arts W.A. van der Kaaij-Veneklaas Slots d.d. 3 oktober 2002 genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de nekhernia als een gevolg van het derde ongeval dient te worden aangemerkt. Achmea heeft dit ongenoegzaam gemotiveerd tegengesproken. De door die hernia verhevigde pijnklachten en de daarmee samenhangende hersteloperatie, die naar [eiser] onweersproken heeft gesteld niet blijvend succesvol is geweest, zodat voorzienbaar is dat [eiser] andermaal geopereerd dient te worden, rechtvaardigen een vergoeding van immateriële schade. Bij de bepaling van de hoogte daarvan wordt meegewogen dat [eiser] als gevolg van de derde aanrijding zijn PR-activiteiten heeft moeten staken, hetgeen van invloed is op het sociale leven van [eiser].

Het door Achmea ter zake in rechte aangeboden bedrag van f 5.000,-- komt gerechtvaardigd voor.

5.10 [eiser] heeft -voor het geval dat vergoeding van de primair dan wel subsidiair gevorderde schade wegens verlies aan verdienvermogen niet toewijsbaar mocht zijn- in zijn conclusie van repliek nog aanspraak gemaakt op vergoeding van schade die hij lijdt doordat hij als gevolg van het derde ongeval geen PR- werkzaamheden meer kan verrichten. Nu [eiser] zijn gewijzigde eis daarop niet heeft ingericht, wordt reeds nu overwogen dat een veroordeling van Achmea tot schadevergoeding ter zake niet mogelijk is.

5.11 Het vorenoverwogen leidt tot na te melden beslissing. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

laat [eiser] toe tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit blijkt dat

Achmea aan hem een schriftelijke bindende toezegging heeft gedaan om aan hem te vergoeden de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen op basis van een verondersteld voortgezette loopbaan als directeur van een caravan/recreatiebedrijf tot de pensioengerechtigde leeftijd (met inbegrip van pensioenschade) alsmede dat de door Achmea op 1 maart 2002 aan [eiser] gedane betaling van f 36.000,-- dient te worden gezien als een uitvoeringshandeling van bedoelde toezegging;

bepaalt dat, zo [eiser] het bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, getuigen zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank, Martinetsingel 2 in Zutphen, voor mr. J.A.M. Strens-Meulemeester, hierdoor tot rechter-commissaris benoemd, op een nader te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de enquêterol van 7 mei 2003 om partijen in de gelegenheid te stellen opgave te doen van het aantal en de personalia van de te horen getuigen bij (tegen)getuigenverhoor alsmede om de verhinderdata over de periode van 8 mei 2003 tot 1 september 2003 over te leggen, voor welk overleggen geen uitstel zal worden verleend, derhalve ambtshalve peremptoir;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.C. de Visser, G.W. Brands-Bottema en

J.A.M. Strens-Meulemeester en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

23 april 2003.

Th/VI/GB/ST