Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF8256

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
06-05-2003
Zaaknummer
123509
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Arbeidsomstandighedenbesluit
Arbeidsomstandighedenbesluit 5.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2003/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Aansprakelijkheid werkgever op grond van 7:658 BW voor schade werkneemster met RSI-klachten.

Sector Kanton

Locatie Apeldoorn

zaaknummer : 123509

rolnummer : 00/2716

vonnis d.d. : 16 april 2003

Toevoeging eiseres nr. 4CK3449 d.d. 20-04-1999

grosse aan : M. Karreman

afschrift aan : M. Karreman en mr. A.M. Klunne

verzonden d.d.

VONNIS IN DE ZAAK VAN:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres,

gemachtigde: mr. R. van de Water, advocaat te Utrecht,

rolgemachtigde: M. Karreman, gerechtsdeurwaarder te Apeldoorn,

tegen:

EUROMA NETHERLANDS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Wapenveld,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.M. Klunne, advocaat te 3000 BM Rotterdam, postbus 1507,

HET VERDERE PROCESVERLOOP:

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het interlocutoir vonnis d.d. 6 februari 2003;

- de conclusie aan zijde van gedaagde;

- de conclusie aan zijde van eiseres;

- de conclusie aan zijde van gedaagde.

DE BEOORDELING:

In het in deze zaak op 6 februari 2002 tussen partijen gewezen vonnis is eiseres uitdrukkelijk uitgenodigd haar vordering te wijzigen en concrete schadebedragen te vorderen. Eiseres heeft dit niet gedaan, zodat zal worden beslist op basis van de bij dagvaarding ingestelde vordering.

In dat vonnis is al aangekondigd dat een onderzoek door deskundigen niet nodig zou zijn. Dat blijkt inderdaad het geval. Ook een bewijsopdracht is niet nodig. De uitvoerig gedocumenteerde conclusiewisseling verschaft voldoende basis voor een eindbeslissing. Voorzover partijen bewijs hebben aangeboden, is dit in algemene bewoordingen gedaan. Specifieke feiten en omstandigheden zijn in dat kader niet genoemd, zodat aan deze bewijsaanbiedingen voorbij kan worden gegaan.

Eiseres is op 1 april 1992 voor gedaagde gaan werken; eerst als uitzendkracht en vanaf 1 augustus 1992 in vaste dienst. Aanvankelijk werkte zij als secretaresse van de technisch directeur/administratief medewerkster bedrijfsbureau. Vanaf april 1995 werkte zij als planningsassistent. Haar werkzaamheden bestonden voornamelijk uit beeldschermwerk. Zij werkte 36 uur per week; incidenteel was sprake van overwerk. In april 1997 is eiseres uitgevallen met RSI-klachten. Per 22 april 1998 is aan haar een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is ontbonden bij beschikking van de kantonrechter van 14 juni 1999 met ingang van 16 juli 1999.

Eiseres stelt dat gedaagde op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die zij in de uitoefening van haar werkzaamheden bij gedaagde heeft geleden, lijdt en nog zal lijden. Zij vordert veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, alsmede een voorschot op die schadevergoeding van ƒ 50.000,- en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Deze laatste post is niet toewijsbaar, nu de werkzaamheden van de gemachtigde van eiseres voorafgaand aan de procedure hebben gediend tot instructie van de procedure; de vergoeding daarvoor is begrepen in beslissing omtrent de proceskosten. Overigens is de vordering toewijsbaar in voege als hierna te melden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ten aanzien van eiseres is de diagnose 'epicondylitus medialus' gesteld. Dit kan als één van de verschijningsvormen van RSI worden beschouwd. Uit de overgelegde rapportages blijkt dat eiseres de klachten heeft ontwikkeld in de jaren waarin zij voor gedaagde veelal beeldschermwerk verrichtte. Gesteld noch gebleken is dat eiseres in die jaren andere activiteiten heeft verricht die de klachten veroorzaakt zouden kunnen hebben. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat de klachten en de daaruit voortvloeiende schade zijn ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden.

Gedaagde heeft gewezen op de rapportage van de orthopeed Dierckx die op 30 maart 1998 schrijft: 'Anamnese: Sinds 6 à 7 jaar klachten rechterelleboog.' Gedaagde verbindt hieraan de conclusie dat eiseres al bij indiensttreding RSI had. Dit verweer moet worden verworpen. Het gaat hier om een ruwe schatting die in de korte variant samenvalt met de eerste werkzaamheden van eiseres voor gedaagde. Weliswaar had eiseres bij haar vorige werkgever kwartaalsgewijs berekeningen uitgevoerd op een elektronische rekenmachine, maar in die tijd verrichtte zij vrijwel geen beeldschermwerk en bovendien is die arbeidsovereenkomst al enige tijd voordat zij voor gedaagde ging werken, beëindigd. Overigens is gesteld noch gebleken dat eiseres ook in die tijd andere activiteiten ontplooide die aanleiding zouden kunnen hebben gegeven tot klachten aan haar bovenste bewegingsapparaat.

Maar zelfs wanneer dat anders zou zijn, komt het aan op de zorgplicht van gedaagde. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat eiseres in april 1992 al problemen met haar arm zou hebben gehad, dan nog staat voorop dat het op de weg van gedaagde had gelegen haar werkplek en haar werkzaamheden zo in te richten dat (verergering van de eventuele) klachten voorkomen kon worden.

Het ligt veel meer voor de hand af te gaan op de rapportages waaruit blijkt dat eiseres eerst in de loop van het dienstverband (in ieder geval steeds meer) RSI-klachten heeft gekregen en dan rijst de vraag of gedaagde voldoende heeft gedaan om dat te voorkomen.

Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Het meest pregnant is wel dat gedaagde stelt dat eiseres regelmatig heeft deelgenomen aan werkoverleg, waar zij eventuele wensen naar voren had kunnen brengen. De zorgplicht van de werkgever is echter een zelfstandige; een piepsysteem volstaat niet.

Uit de overgelegde ARBO-jaarverslagen van gedaagde blijkt wel dat gedaagde aandacht heeft besteed aan de inrichting van (beeldscherm)werkplekken, maar daarvan moet in het geval van eiseres worden gezegd: 'to little to late'.

In ieder geval staat vast dat gedaagde art. 4 van het Besluit Beeldschermwerk/ art. 5.10 Arbo-besluit niet heeft nageleefd. In dat kader moet worden opgemerkt dat het niet voldoende is werknemers te instrueren hun beeldschermwerk af te wisselen met andersoortige arbeid en/of door een rusttijd, maar dat de werkgever gehouden is erop toe te zien dat dit ook effectief gebeurt.

Het meest saillant komt het probleem uit in de visie van P&O van gedaagde (cursivering gedaagde): [eiseres] was zelf niet achter de PC weg te slaan. Weliswaar vraagt de normstelling van het Besluit Beeldschermwerk/Arbo-besluit niet om fysiek geweld, maar in casu is zelfs van een begin van handhaving van de normstelling niet gebleken.

In aanvulling hierop wordt er nog op gewezen dat het op de weg van de werkgever ligt stress op het werk en daaruit voortvloeiend ziekteverzuim te voorkomen. Uit de stukken blijkt van een - kennelijk té - enthousiaste inzet van eiseres bij het werk, welke gedaagde, ook in het belang van eiseres zelf, had behoren te temperen.

Bij het licht van het hiervoor overwogene mist hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd zelfstandige betekenis; dit behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

DE BESLISSING:

Voor recht wordt verklaard dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade die eiseres ten gevolge van haar arbeidsongeschiktheid heeft geleden, lijdt en nog zal lijden.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling aan eiseres van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling aan eiseres als voorschot op deze schade van een bedrag van € 22689,01 EURO.

Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 2703,12 EURO te voldoen als volgt:

1.)aan de griffier van de Rechtbank Zutphen, sector Kanton, locatie Apeldoorn:

door storting op banknummer 1923.25.922 ten name van DS 547 Arrondissement Zutphen

terzake:

- in debet gesteld griffierecht € 107,21 EURO

- salaris gemachtigde € 2500,-- EURO

- kosten dagvaarding € 51,21 EURO

- BTW over de dagvaardingskosten € 8,96 EURO __________

in totaal € 2667,38 EURO

2.)aan de eisende partij:

terzake:

- niet in debet gesteld griffierecht€ 35,74 EURO

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Aldus gewezen door mr. D.J. Buijs, kantonrechter te Apeldoorn, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 april 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.

DJB/kj