Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF7073

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-03-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
175619 HA 03-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton - Locatie Zutphen

Zaaknummer : 175619 HA 03-16

Beschikking d.d. : 24 maart 2003

Afschrift aan : mr. Bloemendal

Grosse aan : mr. Vermeulen

Verzonden d.d. :

BESCHIKKING

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gems Metaalwerken BV,

gevestigd en kantoorhoudende te Vorden,

verzoekster,

gemachtigde: mr. B.J. Bloemendal, advocaat en procureur ten kantore van de Vereniging FME-CWM te 2700 AD Zoetermeer, postbus 190,

tegen:

de heer [verweerder],

wonende te [plaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. G.G. Vermeulen, advocaat ten kantore van Damsté Advocaten te 7609 RE Almelo, Twentelaan 15.

Partijen worden hierna mede aangeduid als werkgeefster respectievelijk werknemer.

1. PROCESVERLOOP

Dit blijkt uit:

- een verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 20 januari 2003;

- een verweerschrift;

-de mondelinge behandeling ter terechtzitting op 6 maart 2003.

2. DE FEITEN

2.1 Werknemer, geboren op 11 april 1954, is op 25 maart 2002 op verzoek van werkgeefster bij haar in dienst getreden als productieleider, zulks tegen een salaris van EUR 5.250,-- bruto per maand exclusief 8% vakantietoelage.

2.2Nadat werkgeefster in juni en september 2002 mondeling kritiek had geleverd op de prestaties van werknemer, zette zij bij brief van 24 oktober 2002 de kritiek nader uiteen - kort gezegd inhoudende dat te weinig (concrete) stappen waren genomen ter verbetering van de productiviteit(smeting), het logistieke proces en de planning - om aldus te vervolgen:

"[...…]

Ik wil u in de gelegenheid stellen uw functioneren de komende tijd, en wel tot 1 december 2002, op het niveau te brengen zoals wij in de sollicitatiegesprekken naar voren hebben gebracht en zoals verwoord in uw functieomschrijving.

Hetgeen ik in deze periode van u verwacht is het volgende:

- U dient te stoppen met de huidige wijze van plannen en over te gaan op een effectievere planning die concreet gebruik kan worden uiterlijk 22 november a.s.

- Het door u opgestelde plan "Volop kansen voor verbetering" dient geconcretiseerd ingevuld te worden voor 22 november a.s.

- Het opleidingsplan dient door u te worden aangepast op de huidige behoefte van Gems en van de medewerkers. Dit plan moet uiterlijk 15 november a.s. in mijn bezit zijn.

- U zult een wekelijkse rapportage aan mij verstrekken van de productiviteit en de geboekte uren.

- Het met u besproken outsourcingsplan dient eveneens op 15 november a.s. in mijn bezit te zijn.

- U zult zich intensief gaan bezighouden met het optimaliseren van het KAM-beleid..

- Wekelijks zullen wij op maandagen de voortgang van de hierboven genoemde actie bespreken.

Het hierboven genoemde zal ik op 29 november met u evalueren en indien nodig zullen verdere stappen genomen worden. Derhalve zal dit schrijven aan uw personeelsdossier worden toegevoegd.

[...…]"

2.3 Bij schrijven van 6 januari 2003 is werknemer op non-actief gesteld in afwachting van beëindiging van het arbeidscontract.

2.4 Werkgever vraagt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, kort gezegd bestaande uit een gebrek aan vertrouwen dat werknemer in staat is om theoretische problemen om te (leren) zetten in praktische oplossingen. Werknemer voert hiertegen gemotiveerd verweer.

3.DE BEOORDELING

3.1 Van de toepasselijkheid van een wettelijk opzegverbod is niet gebleken.

3.2 Bij de behandeling van het verzoek is voldoende komen vast te staan dat de verstandhouding tussen partijen, met name vanwege uiteenlopende verwachtingen en beleving rondom het vervullen van de betreffende functie, zodanig ernstig verstoord is geraakt dat voortzetting van het dienstverband niet langer tot de reële mogelijkheden behoort. De arbeidsver-houding zal dan ook worden ontbonden in voege als hierna te melden.

3.3 Voor wat de (eventuele) ontbindingsvergoeding betreft is bij een verstoorde arbeidsverhouding uitgangspunt dat deze conform de kantonrechtersformule wordt berekend met de factor C = 1. Van dat uitgangspunt wordt met name afgeweken indien en voor zover genoegzaam aannemelijk is dat de verstoring van de arbeidsver-houding in overwegende mate aan een der partijen moet worden geweten.

3.4 Werkgeefster heeft in dit verband gemotiveerd aangevoerd (samengevat) dat werknemer van meet af aan niet beantwoordde aan de verwachtingen die werkgeefster van hem had. Werknemer heeft, eveneens gemotiveerd, betwist dat hij disfunctioneerde.

3.5 De kantonrechter stelt voorop dat werkgeefster niet heeft gesteld (laat staan aannemelijk gemaakt) dat werknemer zich onvoldoende heeft ingespannen of anderszins verwijtbaar heeft gehandeld, terwijl het voorts niet aan de rechter is om uit te maken welke acties in het bedrijf c.q. door werknemer precies moesten worden genomen en evenmin of de acties en producten die werkgeefster wenste en die welke werknemer op tafel legde voor het bedrijf geëigend waren. Of werknemer voor zijn specifieke taak berekend was, althans beantwoordde aan de verwachtingen daaromtrent van werkgeefster, kan ook overigens in het midden blijven. Immers, ook indien het antwoord op die vraag negatief zou zijn, dan betekent dit onder bovengeschetste omstandigheden vooral dat werkgeefster bij het aantrekken van werknemer een beoordelingsfout heeft gemaakt die mede voor haar risico komt en die zij niet eenzijdig op werknemer kan afwentelen. Zulks klemt te meer nu werknemer blijkens het verhandelde ter zitting door werkgeefster voor de onderhavige functie is gevraagd, al kan niet worden gezegd dat van "wegkopen" sprake is geweest.

3.6 Bovendien heeft werkgeefster niet dan wel onvoldoende weersproken de gemotiveerde stelling van werknemer dat werkgeefster hem (in elk geval) het laatste half jaar bijna uitsluitend negatief heeft bejegend, hetgeen ook steun vindt in de inhoud van de brief van 24 oktober 2002, de wekelijkse gespreksverslagen nadien, het niet-houden van de op 24 oktober 2002 toegezegde evaluatie en het zonder meer op non-actief stellen op 6 januari 2003 in afwachting van ontbinding. Zulks klemt te meer nu van de gesprekken in juni en september 2002 geen schriftelijke vastlegging voorhanden is. De opmerking zijdens werkgeefster ter zitting dat de directeur van werkgeefster "wel wat anders te doen had dan met werknemer wekelijks intensieve gesprekken te voeren" kan de kantonrechter niet volgen, nu het hier - volgens werkgeefster zelf - ging om de tweede man in het bedrijf die bovendien pas vrij kort in dienst was. Als het al niet zo is geweest dat werkgeefster al op 24 oktober 2002 had besloten zich van werknemer te ontdoen, dan moet in elk geval worden geconstateerd dat werknemer nadien niet is gestimuleerd en nauwelijks opbouwende kritiek heeft ontvangen.

3.7 Daarbij komt dat met werknemer een opzegtermijn (aan werkgeverszijde) van zes maanden was overeengekomen. Ongetwijfeld stond het werkgeefster vrij om de arbeidsovereenkomst niet op te zeggen en in plaats daarvan ontbinding te vragen. Dat neemt niet weg dat de kantonrechter ook in de lengte van de opzegtermijn, gecombineerd met het feit dat werknemer voor deze functie is gevraagd, een reden ziet om (naar boven) af te wijken van het uitgangspunt van C = 1. Zulks betekent echter niet dat de kantonrechter op de door werknemer gevraagde wijze rekening zal houden met de zogenaamde fictieve opzegtermijn als bedoeld in artikel 16 lid 3 WW. Het lijdt geen twijfel dat de wetgever met deze bepaling in feite een (beperkte) anticumulatieregel in het leven heeft willen roepen ten laste van de werknemer. Tegen die achtergrond bezien zijn er geen termen om, bij dreigende toepassing van artikel 16 lid 3 WW, ten laste van de werkgever een hogere vergoeding toe te kennen dan voortvloeit uit de kantonrechtersrichtlijnen (met inbegrip van correctiefactor C).

3.8 De kantonrechter ziet, anders dan werknemer, overigens geen reden tot verhoging van de C-factor op grond van het feit dat werkgeefster al jaren flink verliesgevend bleek. Werknemer heeft immers erkend dat hem voor zijn indiensttreding te kennen was gegeven dat er met verlies werd gedraaid; dat hij, om hem moverende redenen, kennelijk op dit punt niet heeft doorgevraagd, moet voor zijn risico komen.

3.9 Tenslotte heeft werkgeefster terecht en onweersproken aangevoerd dat het uitstel van de mondelinge behandeling vanwege het feit dat werknemer bij nader inzien een andere gemachtigde wenste in te schakelen, in de toe te kennen vergoeding verdisconteerd moet worden.

3.10 Alles overziende en mede in aanmerking nemende dat werknemer meer dan 40 jaar oud is, acht de kantonrechter een vergoeding van EUR 41.000,-- bruto (ongeveer overeenkomend met zeven maandsalarissen) op haar plaats.

3.11Er zijn termen de proceskosten tussen partijen te compenseren al na te melden, behoudens voor het geval dat het verzoek wordt ingetrokken.

4. DE BESLISSING

De kantonrechter, beschikkende,

I. stelt verzoekster in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk op 28 maart 2003 om 12.00 uur in te trekken;

en voor het geval het verzoek wordt ingetrokken:

II. verwijst verzoekster in de proceskosten van verweerder, tot op deze uitspraak begroot op een bedrag van EUR 360,-- wegens salaris gemachtigde;

en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

III. ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2003;

IV. kent daarbij aan verweerder ten laste van verzoekster een vergoeding toe ten bedrage van EUR 41.000,-- bruto ineens;

V. bepaalt dat ieder der partijen met de eigen proceskosten belast blijft.

Deze beschikking is genomen door mr. J.A.M. Smulders, kantonrechter te Zutphen, en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.