Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF6831

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-04-2003
Datum publicatie
04-06-2003
Zaaknummer
00/1305
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Van rechtswege totstandgekomen omzettingsbesluit dient ter kennis van betrokkene gebracht te worden.

Omzetting studieschuld in lening. Bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Betrokkene stelt geen kennisgeving te hebben ontvangen. Verweerster is van mening dat de omstandigheid dat eiser de kennisgeving niet heeft ontvangen niet in de weg staat aan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de beslissing omdat de omzetting rechtsstreeks uit de wet voortvloeit en om die reden niet aan de student bekend behoeft te worden gemaakt.

Ingevolge art. 3:40 Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. In het onderhavige geval vindt de omzetting ingevolge art. 31d.1 WSF van rechtswege plaats, zodat voor het intreden van de rechtsgevolgen bekendmaking als bedoeld in art. 3:40 Awb niet nodig is.

Het vorenstaande laat naar het oordeel van de rechtbank evenwel onverlet dat met het oog op de toepassing van de in de Awb neergelegde voorschriften over bezwaar en beroep een van rechtswege totstandgekomen omzettingsbesluit als het onderhavige ter kennis van betrokkene dient te worden gebracht. Eerst nadat deze kennisgeving is verzonden vangt de bezwaartermijn van art. 6:7 e.v. van de Awb aan. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank onder meer in art. 46.5 en art. 58 Woningwet alsmede in art. 31d.2 WSF.

Volgt gegrondverklaring van het beroep.

De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, verweerster.

mr. M.J. van Lee

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 00/1305

UITSPRAAK

in het geding tussen:

A, wonende te B, eiser

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep te Groningen, verweerster

1. Aanduiding bestreden besluit

Het besluit van verweerster van 24 mei 2000.

2. Feiten

Nadat aan verweerster bekend was geworden dat eiser in het studiejaar 1996/1997 onvoldoende studiepunten had behaald, heeft zij eiser bij bericht van 2 januari 1998 medegedeeld dat hij zijn prestatiebeurs over de maanden september 1996 tot en met februari 1998 na zijn studie dient terug te betalen. Verweerster heeft eiser voorts medegedeeld dat de schuld van zijn prestatiebeurs is verlaagd met fl. 5.752,10 welk bedrag is ondergebracht bij eisers rentedragende lening waarvan het saldo na die toevoeging fl. 8.653,67 beliep.

Bij bericht van 6 februari 2000 heeft verweerster eiser medegedeeld dat voor zijn in een lening omgezette studieschuld een nieuw rentepercentage was vastgesteld alsmede dat hij vanaf 1 januari 2001 een bedrag van fl. 102,33 per maand dient te betalen. Eiser is daarbij tevens geïnformeerd over het feit dat zijn totale schuld inmiddels is opgelopen tot een bedrag van fl. 12.564,62.

Bij brief van 12 februari 2000 heeft eiser verweerster medegedeeld dat hij niet akkoord gaat met de vaststelling van zijn schuldopbouw. Verweerster heeft deze brief enerzijds aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen het hiervoorgenoemde besluit van 2 januari 1998 (hierna: de omzettingsbeslissing) en anderzijds als een verzoek om herziening van dat besluit.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens (niet-verschoonbare) termijnoverschrijding. Bij afzonderlijk besluit heeft verweerster het verzoek om herziening afgewezen.

3. Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 29 juni 2000 beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 14 januari 2003, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Hummel.

4. Motivering

Niet in geschil is en ook de rechtbank is van oordeel dat eisers brief van 12 februari 2000 door verweerster terecht is aangemerkt als bezwaarschrift gericht tegen de omzettingsbeslissing. Blijkens de gedingstukken was die beslissing gebaseerd op artikel 31d, eerste lid, van de Wet op de Studiefinanciering zoals die gold ten tijde van de omzettingsbeslissing (hierna: WSF). In het verweerschrift is de periode waarop die beslissing betrekking heeft teruggebracht tot de maanden september 1996 tot en met februari 1997 en september 1997 tot en met januari 1998.

Ingevolge artikel 31d, eerste lid, van de WSF wordt over het studiejaar waarin de studerende blijkens de mededeling aan de Informatie Beheer Groep als bedoeld in artikel 17f, vijfde lid, dan wel de mededeling als bedoeld in artikel 7.9b, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek onvoldoende studieprestatie heeft behaald met betrekking tot het eerste studiejaar met studiefinanciering in het hoger onderwijs, met ingang van 1 januari van het kalenderjaar volgend op dat studiejaar, de voorwaardelijk toegekende rentedragende lening, bedoeld in artikel 17f, eerste lid, van rechtswege definitief als rentedragende lening vastgesteld.

Eiser heeft in beroep evenals in bezwaar gesteld dat hij de kennisgeving van de omzettingsbeslissing nooit heeft ontvangen. Verweerster heeft desgevraagd meegedeeld dat de kennisgeving per gewone post is verzonden. Van die verzending zijn geen bewijsstukken voorhanden. De omstandigheid dat eiser de kennisgeving niet heeft ontvangen staat naar de mening van verweerster evenwel niet in de weg aan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de beslissing, omdat – zo begrijpt de rechtbank - de omzetting (van de prestatiebeurs in een lening) rechtstreeks uit de wet voortvloeit en om die reden niet aan de student bekend behoeft te worden gemaakt. Voorts heeft verweerster aangevoerd dat eiser uit de aan hem in januari en februari 1998 toegezonden berichten heeft kunnen afleiden dat omzetting had plaatsgevonden, zodat het in de rede had gelegen dat hij veel eerder daartegen bezwaar had gemaakt dan hij heeft gedaan. Ook het uitblijven van een bericht zijdens verweerster dat eisers prestatiebeurs was omgezet in een beurs had hem op die gedachte moeten brengen evenals het bericht van zijn onderwijsinstelling over zijn studiepunten.

De rechtbank kan verweerster hierin niet volgen.

Ingevolge artikel 8:1, jo. artikel 7:1 van de Awb kan tegen een besluit (in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb) bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een vaststelling als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, van de WSF heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. In het onderhavige geval vindt de omzetting ingevolge artikel 31d, eerste lid, van de WSF van rechtswege plaats, zodat voor het intreden van de rechtsgevolgen bekendmaking als bedoeld in artikel 3:40 van de Awb niet nodig is.

Het vorenstaande laat naar het oordeel van de rechtbank evenwel onverlet dat met het oog op de toepassing van de in de Awb neergelegde voorschriften over bezwaar en beroep een van rechtswege totstandgekomen omzettingsbesluit als het onderhavige ter kennis van betrokkene dient te worden gebracht. Eerst nadat deze kennisgeving is verzonden vangt de bezwaartermijn van artikel 6:7 e.v. van de Awb aan. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank onder meer in artikel 46, vijfde lid en artikel 58 van de Woningwet alsmede in artikel 31d, tweede lid, van de WSF.

Desgevraagd heeft verweerster niet aannemelijk gemaakt dat het bericht van 2 januari 1998 ook daadwerkelijk is verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank moet het er dan ook voor worden gehouden dat dat niet is gebeurd en dat de bezwaartermijn niet op 2 februari 1998 is aangevangen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de berichten van 31 januari 1998 en 21 februari 1998 bepaald niet kan worden opgemaakt dat de daarin vermelde (hogere) studieschulden mede voortvloeiden uit de omzetting van eisers prestatiebeurs in een lening, doch daaruit blijkt onmiskenbaar wel dat de van die schulden deel uitmakende lening veel hoger was geworden. Eiser heeft niet gesteld dat hij de berichten van 31 januari 1998 en 21 februari 1998 niet heeft ontvangen. Dat eiser eerder weet heeft gehad van de vastgestelde hogere lening leidt de rechtbank af uit zijn bezwaarschrift waarin hij schrijft dat hij nogmaals reageert op een mededeling van verweerster over de schuldopbouw.

Een en ander levert evenwel onvoldoende aanknopingspunten op om aannemelijk te achten dat eiser eerder kennis heeft genomen van de omzettingsbeslissing. De rechtbank vermag voorts niet in te zien dat eiser heeft moeten begrijpen dat er een omzetting als hier aan de orde had plaatsgevonden omdat hij niet een omzettingsbericht als bedoeld in artikel 31d, tweede lid, van de WSF had ontvangen. Het bericht van eisers onderwijsinstelling over zijn studievoortgang bevindt zich niet onder de gedingstukken. Daaraan kan derhalve reeds om die reden geen betekenis worden gehecht.

Gezien het vorenoverwogene heeft verweerster de bezwaren van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is dan ook gegrond. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb zijn geen termen aanwezig omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerster op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op eisers bezwaarschrift te nemen;

- bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het betaalde griffierecht van € 27,23 aan eiser vergoedt.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: