Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF6521

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-03-2003
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
parketnr.: 06.060162-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Samenvatting:

Verdachte is een (voormalige) vriend in een rivaliteitssituatie op een zodanige wijze met een uitbeenmes te lijf gegaan - een wijze die kan worden getypeerd als afslachten - dat deze daaraan is overleden.

De rechtbank heeft het beroep op noodweer c.q. noodweer-exces verworpen.

Meervoudige kamer voor strafzaken

Uitspraak d.d.: 4 maart 2003

Tegenspraak - dip/oip

VERKORT VONNIS

In de zaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum] 1971 te [geboorteplaats]

wonende te [adres,woonplaats]

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting

van 18 februari 2003.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2002, althans in mei 2002, te Twello, gemeente

Voorst, althans in het arrondissement Zutphen, opzettelijk en met

voorbedachten rade [slacht[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer],

meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de

rug en/of het hoofd en/of de hals en/of (elders) in het lichaam gestoken en/of

gesneden, althans getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 10 mei 2002, althans in mei 2002, te Twello, gemeente

Voorst, althans in het arrondissement Zutphen, opzettelijk [slacht[slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer], meermalen,

althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de rug en/of het

hoofd en/of de hals en/of (elders) in het lichaam gestoken en/of gesneden,

althans getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 10 mei 2002, althans in mei 2002, te Twello, gemeente

Voorst, althans in het arrondissement Zutphen, aan H. B. [slachtoffer] opzettelijk en

al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel , heeft

toegebracht, door opzettelijk gewelddadig en al dan niet na kalm beraad en

rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een

scherp voorwerp, in de rug en/of het hoofd en/of de hals en/of (elders) in het

lichaam te steken en/of te snijden, althans te treffen, tengevolge waarvan die

[slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 10 mei 2002, althans in mei 2002, te Twello, gemeente

Voorst, althans in het arrondissement Zutphen, opzettelijk en al dan niet

met voorbedachten rade [slacht[slachtoffer] heeft mishandeld, door opzettelijk

gewelddadig en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp in de

rug en/of het hoofd en/of de hals en/of (elders) in het lichaam te steken

en/of te snijden, althans te treffen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is

overleden.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2002, althans in mei 2002, te Twello, gemeente

Voorst, althans in het arrondissement Zutphen, opzettelijk [slacht[slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer], meermalen,

althans eenmaal, met een mes, althans een scherp voorwerp, in de rug en/of het

hoofd en/of de hals en/of (elders) in het lichaam gestoken en/of gesneden,

althans getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Wat meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte be-hoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van verdachte

Het bewezene levert op het misdrijf doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover verdachte geacht moet worden als verweer te hebben aangevoerd dat er aan zijn zijde sprake is geweest van noodweer of noodweer-exces,

wordt in de eerste plaats overwogen, dat uit de stukken en het ter terechtzitting verhandelde niet aannemelijk is geworden, dat verdachte zich in een voor hem (ogenschijnlijk) zeer bedreigende situatie bevond toen hij besloot een zijner messen te pakken en daarmee in te steken op het latere slachtoffer.

Daarnaast wordt overwogen, dat verdachte zich ook bij de door hem gestelde bedreigende situatie niet met vrucht op noodweer en aldus ook niet op noodweer-exces kan beroepen, enerzijds omdat hij zich uit boosheid onnodig heeft begeven in een situatie die zeer wel zou kunnen leiden tot een geweldsescalatie en anderzijds omdat de feitelijk ontstane situatie hem voldoende mogelijkheden bood om zich, op andere wijze dan met een preventieve aanval, te onttrekken aan gevaar voor eigen lijf.

De rechtbank verwerpt aldus het beroep op noodweer c.q. noodweer-exces.

De rechtbank neemt de conclusie over uit het multidisciplinair rapport d.d. 22 januari 2003 van F.A.M.M. Koenraadt, psycholoog en J.R. Haas, psychiater, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, en maakt deze tot de hare voorzover die conclusie inhoudt dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het ten laste gelegde sprake was van een verminderde toerekeningsvatbaarheid, als gevolg van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aanne-melijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen-verklaarde en de omstandigheden waar-onder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidstraf

van na te melden duur leiden - dat verdachte een (voormalige) vriend in een rivaliteitssituatie met een uitbeenmes te lijf is gegaan op een wijze die kan worden getypeerd als afslachten. Door dit handelen is op brute wijze aan een jongeman zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen en is aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. Een dergelijk delict draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en veroorzaakt ook gevoelens van grote angst en onveiligheid rond de plaats waar de overledene op de openbare weg door buurtbewoners werd aangetroffen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging vereist van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het daartoe strekkende advies van voormelde deskundigen, die in dat kader onder meer vermelden: "dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en dat hij lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis met vooral afhankelijke en vermijdende antisociale trekken, die wisselend in tijd en afhankelijk van de druk het beeld bepalen. De kans dat verdachte zonder verpleging vanuit zijn specifieke gevoeligheid en persoonlijkheidsstoornis, bij een eventuele nieuwe relatiebreuk, waarbij hij verlaten wordt, wederom zal kunnen komen tot een delict als het thans ten laste gelegde, wordt groot geacht. Geadviseerd wordt aan verdachte een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen."

Overige toepasselijke wetsartikelen

De strafoplegging is behalve op de hiervoor al vermelde artikelen gegrond op de artikelen 10, 27, 37a en 37b en van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerleg-ging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge-bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door mr. Elders, voorzitter, mrs. Van Harreveld en Draisma, rechters,

in tegenwoordigheid van Wiering, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting

van 4 maart 2003.

Mr. Draisma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.