Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF6264

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
26-03-2003
Zaaknummer
Rolnummer: 48030 HA ZA 02-570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 48030 HA ZA 02-570

Uitspraak : 26 maart 2003

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

1.de naamloze vennootschap VREDESTEIN N.V.,

gevestigd te Velp,

2.de naamloze vennootschap AIG EUROPE (NETHERLANDS) N.V.,

gevestigd te Rotterdam

3.de naamloze vennootschap AMEV SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

4.de naamloze vennootschap ROYAL & SUNALLIANCE SCHADEVERZEKERING N.V. (h.o.d.n. Royal & Sunalliance Global & Large Risks),

gevestigd te Rotterdam,

5.de vennootschap naar Zwitsers recht WINTERTHUR SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ,

kantoorhoudende te Amsterdam,

6.de naamloze vennootschap AXA SCHADE N.V.,

gevestigd te Utrecht,

7.de naamloze vennootschap ALLIANZ ROYAL NEDERLAND N.V., als rechtsopvolgster onder algemene titel van ALLIANZ NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rotterdam

eisende partijen,

procureur: mr. C.B. Gaaf,

advocaat: mr. R.N.E. Visser te Amsterdam

en

1.de besloten vennoootschap met beperkte aansprakelijkheid HOLLAND RECREATIE B.V.,

gevestigd te Gaanderen,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

G.M. VASTGOED B.V.,

gedaagde partijen,

procureur: mr. A.G.P.M. Gijselhart,

advocaat: mr. J.W. Kobossen te Nijmegen.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Vredestein, de gedaagden 2 tot en met 7 als de Verzekeraars, Holland Recreatie en Vastgoed, alsmede de laatste twee als Holland Recreatie c.s.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ de dagvaarding d.d. 6 juni 2002

­ het herstelexploit d.d. 18 juni 2002

­ de akte houdende inbreng producties

­ de conclusie van antwoord

­ het vonnis van 3 oktober 2002

­ het proces-verbaal van de op 5 december 2002 gehouden comparitie van partijen, ter gelegenheid waarvan de Verzekeraars aantekeningen hebben overgelegd

­ de akte uitlating van de zijde van Holland Recreatie c.s.

2. De vaststaande feiten

2.1 Holland Recreatie als verhuurder heeft met Intertech Pariba B.V. (hierna: Intertech Pariba) als huurder een huurovereenkomst gesloten op 22 mei 1989 ter zake van een in 1978 gebouwde fabriekshal, gelegen aan d[adres] te Gaanderen. Bij brief van 22 juli 1996 heeft Holland Recreatie aan Intertech Pariba de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 september 1999. Voor de periode 1 september 1998 tot 1 september 1999 heeft Intertech Pariba de fabriekshal onderverhuurd aan Vredestein onder dezelfde voorwaarden en bepalingen als de huurovereenkomst tussen Holland Recreatie en Intertech Pariba. Bij brief van 28 september 1998 heeft Vastgoed toestemming verleend voor de onderhuur.

Per 1 januari 1995 is een economische eigendomsoverdracht van de fabriekshal van Holland Recreatie aan Vastgoed geëffectueerd.

2.2 In de overgelegde schriftelijke huurovereenkomst tussen Holland Recreatie en Intertech Pariba is -onder meer- het volgende bepaald:

"(...…)

4. De huurder is verplicht het gehuurde als een goed huisvader te onderhouden tot aan het einde van de overeenkomst voor wat betreft de binnenzijde.

5. Geringe en dagelijkse reparaties zoals ruiten en sloten zijn voor rekening van de huurder.

6. Alle schaden in of aan het gehuurde ontstaan door schuld of nalatigheid van de huurder (…...) zijn voor rekening van de huurder. (…...)"

2.3 Bij brief van 7 december 1994 heeft [naam] namens Vastgoed aan Intertech Pariba -onder meer- het volgende laten weten:

"(..…) Per 1 januari 1995 gaat het pand over naar G.M. Vastgoed (...…). U hoefde geen nieuw huur contract. We hebben afgesproken dat U vanaf 1 januari stipt zou gaan betalen. De rekeningen voor verstopping van riool worden door Pariba betaald alsmede het onderhoud van riool en regenafvoer. Het buiten terrein word schoon gehouden door pariba. (..…)"

Deze brief namens Vastgoed is geschreven op 'Holland Recreatie-papier'.

2.4 In de op 29 december 1994 notarieel verleden koopovereenkomst-economische eigendom tussen Holland Recreatie als verkoper en Vastgoed als koper staan -onder meer- de volgende bepalingen:

AFLEVERING, ECONOMISCHE OVERDRACHT

Het verkochte wordt op heden in economische zin overgedragen (afgeleverd) aan koper, met het gevolg dat alle baten en lasten, (...…), voor rekening en risico van koper zijn met ingang van heden. Het verkochte is met ingang van heden voor risico van koper (...…)"

"(…...) economische eigendom

Artikel 1

Koper is van heden bevoegd tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen met betrekking tot het verkochte als was hij eigenaar. Daaronder is begrepen het vervreemden, (...…) alles onder de door hem te bepalen voorwaarden en bedingen. De opsomming van deze laatste handelingen houden niet in dat een andere handeling is uitgesloten. Van deze handelingen moet verkoper zich onthouden tenzij op vordering van koper. In het laatste geval is verkoper gehouden de handeling op zijn naam doch voor rekening van koper te verrichten (…)

[naam] is de rechtsgeldig bevoegde directeur van zowel Holland Recreatie als Vastgoed.

2.5 Bij brief van 21 juni 1995 hebben Vastgoed als verhuurder en Intertech Pariba als huurder bij de belastingdienst een verzoek ingediend tot ontheffing van de vrijstelling van omzetbelasting voor de verhuur van de fabriekshal per 1 januari 1995.

2.6 Op 28 oktober 1998 heeft zich een hevige regenbui voorgedaan met harde wind. Op het dak van de fabriekshal, waarin Vredestein toen een racefietsbandenproductie-bedrijf exploiteerde, is wateraccumulatie ontstaan. Een gedeelte van het dak is ingestort, waardoor schade is ontstaan aan het pand en aan de in de fabriekshal aanwezige roerende zaken.

2.7 De schade is door Crawford-THG vastgesteld op ƒ 479.041,00. Behoudens ƒ 50.000,00 die op grond van het eigen risico voor eigen rekening van Vredestein is gekomen, hebben de Verzekeraars overeenkomstig hun respectieve risicoaandelen deze schade vergoed onder de verzekeringsovereenkomst.

3. De vordering

3.1 Vredestein en de Verzekeraars vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

1. voor recht zal verklaren dat Holland Recreatie c.s hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade zoals geleden door de Verzekeraars;

2. Holland Recreatie c.s hoofdelijk zal veroordelen om aan Vredestein tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 22.896,01, EUROte vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 1998, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3. Holland Recreatie c.s hoofdelijk zal veroordelen te betalen aan:

- AIG Europe N.V., 25/100 deel van € 194.690,31 EURO;

- AMEV Schadeverzekering N.V., 20/100 deel van € 194.690,31EURO;

- Royal & Sunalliance Schadeverzekering N.V., 20/100 deel van € 194.690,31 EURO;

- Winterthur, 20/100 deel van € 194.690,31EURO;

- AXA Schade N.V., 7,5/100 deel van € 194.690,31 EURO;

- Allianz Royal Nederland N.V., 7,5/100 deel van € 194.690,31 EURO;

alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 1998, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

4. Holland Recreatie c.s hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2 Vredestein en de Verzekeraars leggen aan hun vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

De schade is veroorzaakt door enerzijds een gebrekkige constructie van dak en hemelwaterafvoer, anderzijds gebrekkig onderhoud aan de hemelwaterafvoer. Holland Recreatie is als bezitter van de opstal uit hoofde van artikel 6:174 lid 1 jo lid 4 BW aansprakelijk, nu de fabriekshal niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld en waardoor zich een gevaar voor personen en zaken heeft verwezenlijkt. Volgens de thans geldende NEN-norm 6702 dienen daken als de onderhavige voorzien te zijn van noodoverlaten. Ten tijde van de bouw gold NEN 3850 waarin wordt bepaald dat met betrekking tot de dakconstructie rekening moet worden gehouden met de belasting door, als gevolg van verstopping, met water gevulde afvoerleidingen.

Daarnaast is primair Holland Recreatie aansprakelijk uit onrechtmatige daad die daarin is gelegen dat Holland Recreatie nagelaten heeft zorg te dragen voor het onderhoud in de wetenschap dat Vredestein belanghebbende was bij het onderhoud. Op grond van artikel 4 van de huurovereenkomst moest Holland Recreatie als verhuurder zorgdragen voor het onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw. Subsidiair is Vastgoed op deze grond aansprakelijk, nu Vastgoed verhuurster van Vredestein is geworden door de economische eigendomsoverdracht van de fabriekshal door Holland Recreatie aan Vastgoed. Mocht Vastgoed niet aangemerkt kunnen worden als verhuurster, dan heeft subsidiair te gelden dat Vastgoed niet heeft voldaan aan haar onderhoudsverplichting krachtens artikel 4 van de huurovereenkomst en is zij naast Holland Recreatie op grond van artikel 6:174 BW hoofdelijk aansprakelijk jegens Vredestein en de Verzekeraars.

4. Het verweer

4.1 Holland Recreatie c.s concluderen dat de rechtbank Vredestein en de Verzekeraars bij vonnis niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans hen deze zal ontzeggen met hun veroordeling in de kosten van het geding.

4.2 Holland Recreatie c.s voeren de navolgende verweren aan.

De door eisers gestelde oorzaken van de schade vloeien niet zonder meer uit de overgelegde rapportages voort. Onvoldoende aandacht is besteed aan de doorslaggevende rol van de specifieke weersomstandigheden bij het ontstaan van de instorting van het dak. Deze weersomstandigheden -hevige regenval in combinatie met harde wind- waren voldoende om het dak te laten instorten. Deze omstandigheden kunnen niet aan Holland Recreatie c.s. worden toegerekend. Met een beroep op de notitie van Bouwtechnisch Adviesbureau J.L. Croes stellen zij dat door noodoverlaten de calamiteit niet had kunnen worden voorkomen. Bij de bouw is aan alle vergunningen en voorschriften voldaan. Nadien zijn geen aanwijzingen van overheidswege gekomen die aanleiding hadden moeten geven tot wijziging of aanpassing van de aanwezige hemelwaterafvoer of de dakconstructie, zodat geen sprake is van een gebrekkige constructie. Een andere mogelijke oorzaak ligt in het ontbreken van goed en regelmatig onderhoud van de hemelwaterafvoeren. Uit hoofde van art. 7A:1619 BW komt deze verplichting ten laste van de huurder, Intertech Pariba.

Niet Holland Recreatie geldt als bezitter van de opstal in de zin van artikel 6:174 BW, maar Vastgoed. De voorschriften inzake de verhuurderaansprakelijkheid derogeren aan het bepaalde in artikel 6:174 BW. Vanaf 1 januari 1995 is Vastgoed de verhurende partij.

De gestelde omvang van de schade wordt betwist. De specificatie van de schade is onvoldoende gedetailleerd en geadstrueerd. Holland Recreatie c.s. behouden zich het recht voor om zo nodig door middel van een contra-expertise hun stellingen te onderbouwen. Voor zover Holland Recreatie c.s. aansprakelijk worden gesteld, voeren zij diverse gronden voor matiging ex artikel 6:109 BW aan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 25 Rv worden de stellingen van de Verzekeraars opgevat als een beroep op subrogatie krachtens artikel 284 WvK. De verzekeraars hebben de door hun verzekerde Vredestein gestelde schade vergoed tot een bedrag van ƒ 429.041,00. Bij wijze van subrogatie gaan de vorderingen die Vredestein ter zake van de geleden schade op derden had over op de Verzekeraars voor zover deze de schade hebben vergoed. In verband met het door Vredestein gedragen eigen risico kan ook Vredestein nog een vordering instellen tegen Holland Recreatie c.s.

5.2 Voor de beoordeling van de vraag wie aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de instorting van het dak, is cruciaal wat de oorzaak van de instorting is geweest. Partijen hebben het schaderapport van de technische buitendienst van Nationale Nederlanden, een rapport opgesteld door ir. B.J. Liemberg van Leembouw BV en een notitie van ing. J.L. Croes van het gelijknamige Bouwtechnisch Adviesbureau overgelegd.

5.3 Het schaderapport d.d. 30 oktober 1998 van Nationale Nederlanden naar aanleiding van een bezoek op 28 oktober 1998 vermeldt onder 'oorzaak en toedracht':

"Tijdens zware regenval is wateraccumulatie op het platte dak ontstaan. De hemelwaterafvoeren aan de zijkant van het dak waren zichtbaar vervuild met blad en zelfs met gras waardoor een vrijelijke afvoer van het vele regenwater niet mogelijk was. De staalconstructie is onder de zware druk van het regenwater gaan doorbuigen waardoor er steeds meer water op het platte dak [is] blijven staan en uiteindelijk boog de horizontale stalen constructie zover door dat de stalen damwand dakplaten geen oplegging meer hadden en naar beneden zakten. De instorting van het dak was een feit (…...)"

5.4 Het rapport van Leembouw d.d. 4 november 1998 naar aanleiding van het bezoek op 30 oktober 1998 vermeldt -voor zover van belang- het volgende:

" 3. -Analyse

(…...) gezien deze marge voldoet de dakligger op sterkte aan de eisen van NEN 3850 en 3851, de TGB's 1972. In NEN 3850 staat echter in artikel 2.2.2.7 dat ook gerekend moet worden met een belasting door, als gevolg van verstopping, met water gevulde goten en afvoerleidingen. Dat is bij deze hallen kennelijk niet gebeurd. (…...). Het bezwijkmoment van de IPE 400 wordt dan duidelijk overschreden, hetgeen gebleken is.

4. - Conclusies

(…...). De oorzaak is het niet functioneren van de waterafvoeren van het dak doordat het riool vol was. Of ook een verstopping van het riool door bladval in het spel is geweest hebben wij niet kunnen waarnemen, doch is niet geheel uit te sluiten. Het aanwezig zijn van noodoverlaten, zgn. spuwers, had een instorting kunnen voorkomen. In de huidige norm NEN 6702 van 1990 staan de eisen hiervoor nauwkeurig omschreven, doch in de norm van 1972 was dit beperkt tot artikel 2.2.2.7, zoals onder 3 - de analyse, is genoemd. De konstructie was niet op een verstopping berekend. ...…)"

In het overgelegde rapport ontbreekt de bladzijde waarop '2 - de instorting' zou staan vermeld.

5.5 Croes tot slot heeft in zijn notitie d.d. 15 september 1999 -onder meer- het volgende opgemerkt:

"(…...) Verder stelt men in het rapport van Leembouw b.v. onder "4. Conclusie" dat zogenaamde spuwers een instorting hadden kunnen voorkomen; dit is niet geheel juist want spuwers kunnen maar een beperkte hoeveelheid water verwerken. Bij zware regenval, in combinatie met harde wind die het regenwater opstuwt, valt er weinig te doen. Volgens 2.2.2.7. van de TGB 1972 moet er extra belasting worden gerekend als gevolg van verstopping van met water gevulde goten en afvoerleidingen. Volgens het schaderapport van Nationale Nederlanden waren de afvoeren dichtgeslibd, maar in het rapport van Leembouw b.v. onder "4. Conclusies" staat dat men een verstopping van het riool door bladafval niet heeft kunnen waarnemen. Er kunnen dus ten aanzien van eventuele verstoppingen geen conclusies getrokken worden. Wij menen dat een uitzonderlijke combinatie van diverse gelijktijdig optredende factoren tot de instorting van het dak heeft geleid. (...…)"

5.6 Op grond van bovenstaande gegevens, mede in onderling verband, en de stellingen van partijen neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de dakgoten verstopt waren op 28 oktober 1998 en een vlotte afvoer van het hemelwater hebben verhinderd. Een twistpunt is op wie van partijen de verplichting van het schoonmaken en schoonhouden van de hemelwaterafvoeren rust. Vredestein en de Verzekeraars verdedigen met een beroep op artikel 4 van de huurovereenkomst dat Holland Recreatie als verhuurder -of Vastgoed als moet worden aangenomen dat Vastgoed als verhuurder moet worden aangemerkt- moest zorgdragen voor het onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw. Holland Recreatie c.s. verdedigen dat uit artikel 7A:1619 volgt dat de huurder hiervoor zorg draagt.

5.7 In artikel 4 van de huurovereenkomst wordt bepaald dat op de huurder de verplichting rust om als een goed huisvader het gehuurde te onderhouden voor wat betreft de binnenzijde. Hierin valt niet de uitdrukkelijke verplichting te lezen dat de verhuurder zorg draagt voor het onderhoud aan de buitenzijde. Dit betekent dat bij afwezigheid van een uitdrukkelijk beding teruggevallen moet worden op de wettelijke regeling zoals opgenomen in art. 7A:1619 BW. Gesteld noch gebleken is dat een plaatselijk gebruik meebrengt dat het schoonmaken en schoonhouden van de goten valt onder de geringe en dagelijkse reparaties die voor rekening van de huurder zijn. Holland Recreatie c.s. hebben een beroep gedaan op het rapport "Van service naar kosten" van het Ministerie van VROM (mei 1984) waarin voor het antwoord op de vraag wat moet worden verstaan onder geringe en dagelijkse reparaties wordt verwezen naar een fragment uit de circulaire d.d. 24 april 1946 van de toenmalige minister van Openbare Werken en Wederopbouw. Hierin staat onder meer vermeld dat tot de overige verplichtingen van de huurder het schoonhouden en ontstoppen van goten behoort. Deze circulaire heeft weliswaar uitsluitend betrekking op woningen, maar uit de brief van 7 december 1994 (zie 2.3) is af te leiden dat de verstopping van het riool, alsmede het onderhoud van riool en regenafvoer in de verhouding verhuurder Vastgoed en huurder Intertech Pariba voor rekening van de huurder Intertech Pariba werd gebracht. Nu de onderhuurovereenkomst gelijkluidend aan de huurovereenkomst was, brengt het voorgaande mee dat het schoonmaken en schoonhouden van de hemelwaterafvoeren op de datum van de instorting viel onder de verplichtingen van de huurder Vredestein. Ook de Verzekeraars moeten het door Holland Recreatie c.s. gevoerde verweer tegen zich laten gelden.

5.8 Vredestein en de Verzekeraars hebben Holland Recreatie en Vastgoed hoofdelijk aansprakelijk gesteld krachtens artikel 6:174 BW. Holland Recreatie heeft zich verweerd met de stelling dat -voor zover er al sprake zou zijn van een gebrek van de fabriekshal, hetgeen zij betwist- deze aansprakelijkheidsgrond niet meer op haar rust, maar op Vastgoed.

5.9 Artikel 6:174 BW wijst de bezitter als aansprakelijke persoon aan. Krachtens lid 4 van dit artikel wordt degene die in de openbare registers als eigenaar van de opstal of van de grond staat ingeschreven, vermoed de bezitter van de opstal te zijn. Niet betwist wordt dat Holland Recreatie dit is. De economische eigendomsoverdracht heeft daarin ook geen verandering gebracht. Zolang de levering van de fabriekshal aan Vastgoed niet is geëffectueerd, moet Vastgoed aangemerkt worden als houder van de opstal. Uit lid 2 van dit artikel blijkt dat ook een houder als aansprakelijke persoon kan worden aangemerkt. Blijkens de parlementaire geschiedenis (p. 759) heeft de wetgever in lid 2 van dit artikel buiten twijfel willen stellen dat de erfpachter in plaats van de bezitter aansprakelijk is. Volgens de wetgever ligt deze regel voor de hand bij erfpacht omdat de buitengewone lasten van artikel 5:96 BW ten laste van de erfpachter worden gebracht. Dit in tegenstelling tot de regeling in artikel 3:220 BW bij vruchtgebruik waar de buitengewone herstellingen voor rekening van de bloot eigenaar komen. Om deze reden is de vruchtgebruiker niet opgenomen in lid 2 van artikel 6:174 BW. Daarnaast vormt artikel 6:180 lid 2 BW een uitzondering op het uitgangspunt dat de bezitter de aansprakelijke persoon is. De eigenaar onder opschortende voorwaarde kan worden aangemerkt als houder op wie (doorgaans) alle aan de zaak verbonden lasten rusten. Nu de economische eigendomsoverdracht tussen Holland Recreatie en Vastgoed zodanig is vorm gegeven (zie 2.4) dat alle lasten voor rekening van Vastgoed zijn gekomen, en Vastgoed daarmee in een positie is gekomen die vergelijkbaar is met die van de erfpachter dan wel de eigenaar onder opschortende voorwaarde, zal de aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 6:174 BW op Vastgoed worden gelegd met uitsluiting van Holland Recreatie, nu geen gronden zijn aangevoerd die meebrengen dat de regeling van artikel 6:180 lid 1 BW van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard tussen Holland Recreatie en Vastgoed.

5.10 Partijen verschillen van mening over de oorzaak of oorzaken van de instorting. Als mogelijke oorzaken komen de uitzonderlijke weersomstandigheden, onvoldoende onderhoud van de hemelwaterafvoeren en/of een gebrek van de opstal in aanmerking, dan wel een combinatie van genoemde oorzaken. Nu niet alle mogelijke oorzaken voor risico van dezelfde procespartij komen, zal moeten komen vast te staan welke de oorzaken zijn geweest en in welke mate ze de instorting hebben veroorzaakt.

5.11 Teneinde de vraag naar de oorzaak of oorzaken van de instorting te kunnen beantwoorden is behoefte aan uitgebreidere voorlichting door (een) deskundige(n). Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de hoedanigheid en de persoon van de deskundige(n), de aan deze te stellen vragen en de hoogte van een voorschot. Nu niet uitgesloten is dat verschillende oorzaken tezamen de instorting hebben veroorzaakt waarvoor ieder der partijen aansprakelijk kan zijn, zal het te betalen voorschot bij helfte ten laste van de eisende en gedaagde partijen worden gebracht.

5.12 Mede gelet op het belang van de voortgang van de procedure worden onvoldoende termen aanwezig geacht om te bepalen dat hoger beroep van dit tussenvonnis kan worden ingesteld.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

draagt Vredestein en de Verzekeraars op zich bij akte uit te laten omtrent hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 5.11, waartoe de zaak wordt verwezen naar de rol van 30 april 2003, amtshalve peremptoir;

bepaalt dat Holland Recreatie c.s. in de gelegenheid zal worden gesteld op deze akte bij antwoord-akte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2003.

St/Ka