Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF5953

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-03-2003
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
Parketnr.: 06.060274-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Samenvatting:

Verdachte heeft in het eten van haar echtgenoot verdovende en/of drogerende middelen gedaan, zoadat deze in een versufte / verdoofde toestand is geraakt en hem vervolgens meermalen met een mes in de borst gestoken.

De rechtbank acht verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Meervoudige kamer voor strafzaken

Uitspraak d.d.: 4 maart 2003

Tegenspraak - dip/oip

VERKORT VONNIS

Parketnr.: 06.060274-02

In de zaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum] 1956 te [geboorteplaats]

wonende te [adres,woonplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Breda.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting

van 18 februari 2003.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 23 juli 2002 te Laren, althans in de gemeente Lochem, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten radet[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg,

- (een) verdovende en/of drogerende middel(en) in het eten van voornoemde

[slachtoffer] heeft gestopt/gedaan en/of

- (zodoende) heeft bewerkstelligd dat die [slachtoffer] in een versufte/suffe en/of

verdoofde toestand is gebracht/geraakt en/of

- (vervolgens) die (op de bank liggende) [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

met een mes in de borst, althans het lichaam, heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 23 juli 2002 te Laren, althans in de gemeente Lochem, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] meermalen,

althans eenmaal, met een mes in de borst, althans het lichaam, heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 23 juli 2002 te Laren, althans in de gemeente Lochem, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten rade [.]t[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg,

- (een)verdovende en/of drogerende middel(en) in het eten van voornoemde

[slachtoffer] heeft gestopt/gedaan en/of

- (zodoende) heeft bewerkstelligd dat die [slachtoffer] in een versufte/suffe en/of

verdoofde toestand is gebracht/geraakt en/of

- (vervolgens) die (op de bank liggende) [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

met een mes in de borst, althans het lichaam, heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wat meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte be-hoort daarvan te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het opzet overweegt de rechtbank dat de aard van de gedraging en de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien redelijkerwijs geen andere conclusie toelaten dan dat verdachte zich tenminste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer dodelijk letsel zou oplopen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf poging tot moord, strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank verenigt zich met de tevens tot haar oordeel gemaakte conclusie uit het multidisciplinair rapport d.d. 12 februari 2003 van S.R. Schipper, psycholoog, J.M.J.F. Offermans, psychiater en J.M. Oudejans, psycholoog, allen verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, inhoudende dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het ten laste gelegde sprake was van een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, als gevolg van een ziekelijke stoornis harer geestvermogens.

Verdachte is strafbaar, nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aanne-melijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen-verklaarde en de omstandigheden waar-onder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich uit rancune jegens haar echtgenoot en met voorbijgaan aan de gevoelens van hun beider zonen, heeft schuldig gemaakt aan poging tot het zwaarste levensdelict uit het Wetboek van Strafrecht. Een dergelijk delict draagt voor de naastbetrokkenen en voor de rechtsorde in het algemeen een zeer schokkend karakter.

Anderzijds heeft de rechtbank in haar straftoemeting ook de, naar haar oordeel concludente, inhoud van voormeld multidisciplinair rapport betrokken. Naast de reeds eerder vermelde conclusie met betrekking tot verdachte's sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, houdt dit rapport als bevindingen en advies van de deskundigen, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in: "bij verdachte is sprake van een waanstoornis van het jaloersheidstype. Deze lijkt gerelateerd aan somatische problemen in de afgelopen jaren en mogelijk ook aan het 'empty nest syndroom', waardoor de relatie tussen verdachte en haar echtgenoot (nog) ernstig(er) onder druk is komen te staan. Dit heeft bij verdachte geleid tot de waan dat haar (toenmalige) echtgenoot een relatie heeft onderhouden waaruit een buitenechtelijk kind geboren is. Een sterk verband wordt aanwezig geacht tussen de waanstoornis en het ten laste gelegde. Recidivegevaar op korte termijn wordt niet aanwezig geacht. Op (middel)lange termijn wordt er geen reëel gevaar aanwezig geacht voor derden. Wel zou er enig gevaar kunnen persisteren voor verdachtes ex-echtgenoot.

Het ondergaan van een (poliklinische of dagklinische) behandeling wordt geadviseerd, teneinde het beperkt geachte recidivegevaar te verminderen."

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van verdachte (mede) aan haar toebehorend, is vat-baar voor verbeurd-verklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezen-verklaarde is begaan.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van ver-dachte.

Overige toepasselijke wetsartikelen

De strafoplegging is behalve op de hiervoor al vermelde artikelen gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24, 27, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 maanden, niet zal worden tenuitvoerge-legd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroor-deelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzon-dere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich geduren-de de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voor-schriften die haar zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Zutphen, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen door een door of namens de Reclassering Nederland aan te wijzen instelling. De veroordeelde zal zich dan houden aan regels die veroordeelde door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven.

Geeft de Reclassering Nederland te Zutphen de opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerleg-ging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge-bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, nog niet terugge-ge-ven voorwerp, te weten:

een mes van het merk Zwilling.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen, nog niet terugge-geven voorwerp aan veroordeelde, te weten: een foedraal van het merk Gero.

Aldus gewezen door mr. Van Harreveld, voorzitter, mrs. De Bie en Draisma, rechters,

in tegenwoordigheid van Wiering, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting

van 4 maart 2003.

Mr. Draisma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.