Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF5948

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
24-03-2003
Zaaknummer
Rolnummer: 41059 HA ZA 01-703
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2003/60

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

De samenvatting heeft betrekking op de uitspraak van twee vonnissen met rolnummer41059 HAZA 01-703 d.d. 26-02-03 en 28-02-03:

Pensioenvoorziening, arbeidsongeschiktheid, groepsovereenkomst, aanmelding werknemers, voorlopige dekking, clausule Wet Medische Keuringen, gevolgen einde dienstverband, bevorderen van revalidatie.

Uitspraak: 26 februari 2003

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TOPFICIE FINANCE B.V.,

gevestigd te Rijswijk,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partijen,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amstelveen

en

de naamloze vennootschap ACHMEA PENSIOEN- EN LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde partij,

procureur: mr. S.W. Knoop,

advocaat: mr. A.S. Fransen van de Putte te Amsterdam.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Topficie en [eiser] respectievelijk Achmea.

1. Het verdere verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ het vonnis d.d. 20 juni 2002

­ het bericht van de deskundige dr. J.W. Stenvers, ingekomen ter griffie op 21 november 2002

­ de beschikking van 21 november 2002

­ de akte van de zijde van Achmea

­ de akte van de zijde van Topficie en [eiser].

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1 Overgenomen en volhard wordt bij hetgeen in voornoemd vonnis is overwogen.

2.2 Bij vonnis van 20 juni 2002 is een deskundigenbericht bevolen. Als deskundige is benoemd dr. J.W. Stenvers, neuroloog te Amsterdam. Deze deskundige heeft een rapport uitgebracht, ingekomen op 21 november 2002.

2.3 Aan de deskundige is onder meer ter beoordeling voorgelegd de vraag of de arbeidsongeschiktheid van [eiser] die is ingetreden per 5 januari 2000 een voorzienbaar gevolg is geweest van de medisch vast te stellen oorzaak van de soortgelijke klachten die zich in de vakantie van 1999 hebben gemanifesteerd bij [eiser].

De deskundige antwoordt in zijn rapport het volgende.

"Er is geen duidelijke uitspraak te doen over de klachten die zich in de vakantie van 1999 hebben gemanifesteerd. Wel staat vast dat betrokkene voor zover na te gaan voor deze klachten geen medische hulp gezocht heeft en wegens deze klachten ook niet verzuimd heeft.

Voor zover na te gaan is de arbeidsongeschiktheid die per 5 januari 2000 is opgetreden geen voorzienbaar gevolg geweest van "de soortgelijke klachten" die zich in de vakantie van 1999 hebben voorgedaan."

Tevens is aan de deskundige voorgelegd de vraag of er een direct of indirect medisch verband bestaat tussen de klachten van [eiser] in januari 2000 en de soortgelijke klachten van [eiser] in 1999.

De deskundige antwoordt in zijn rapport het volgende.

"Ook deze vraag is alleen te beantwoorden op basis van de anamnese. Voor zover na te gaan is er geen direct of indirect medisch verband geweest tussen de klachten van betrokkene in januari 2000 en de klachten in 1999."

2.4 Achmea heeft zich ten aanzien van het deskundigenbericht gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en Topficie en [eiser] hebben verzocht overeenkomstig de conclusies van de deskundige te beslissen. Nu overigens geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel leiden, wordt het standpunt van de deskundige overgenomen dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] die per 5 januari 2000 is opgetreden geen voorzienbaar gevolg is geweest van de soortgelijke klachten die zich in de vakantie van 1999 hebben voorgedaan.

Nu vast staat dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] geen voorzienbaar gevolg is geweest van een medisch als zodanig vastgestelde oorzaak, welke geheel of ten dele bij [eiser] bekend was voor of bij de aanvang van de verzekering, kan Achmea geen beroep doen op artikel 1.1. van de WMK-clausule. Dit verweer van Achmea wordt derhalve verworpen.

2.5 Achmea heeft voorts als verweer gevoerd dat de dekking voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is vervallen, omdat [eiser] binnen één jaar na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid en dus voor het ingaan van zijn recht op WAO-uitkering uit dienst van Topficie is getreden. Achmea beroept zich hierbij op de artikelen 11 en 12 van het pensioenreglement.

2.6 Het pensioenreglement houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Artikel 11

(…...)

3. Het recht op wezenpensioen, WAO-hiaat-rente, WAO-excedent-rente en de eventueel meeverzekerde ANW-hiaat-rente vervallen bij beëindiging van het dienstverband, voor zover dit geen reeds ingegane WAO-hiaat-rente betreft waar nog geen recht op bestaat.

(…...)

Artikel 12

1. Indien de beëindiging van het dienstverband het gevolg is van arbeidsongeschiktheid, zal, in tegenstelling tot het in artikel 11 omschrevene, de verzekering zonder premiebetaling ongewijzigd van kracht blijven, indien, voor zover en voor zolang door de verzekeringsmaatschappij premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid wordt verleend volgens de van toepassing zijnde voorwaarden.

(…....)

2.7 [eiser] is op 5 januari 2000 arbeidsongeschikt geworden en op 30 juni 2000, derhalve binnen één jaar na het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid, uit dienst van Topficie getreden.

Het risico, zijnde arbeidsongeschiktheid, heeft zich echter reeds voltrokken voor het moment dat [eiser] uit dienst is getreden. Vanaf het moment van intreden van het risico biedt de verzekering [eiser] dekking tegen dit risico. Dit betekent dat er sprake is van verkregen rechten vanaf 5 januari 2000. Het feit dat [eiser] nog geen aanspraak kan maken op WAO-uitkering doet hieraan niets af, nu niet als voorwaarde is gesteld dat de verzekerde aanspraak kan maken op WAO-uitkering.

Artikel 11 van het pensioenreglement ziet op de situatie dat het risico zich nog niet heeft voltrokken op het moment van beëindiging van het dienstverband. In die situatie is geen sprake van reeds verkregen rechten voor de verzekerde en heeft de verzekerde geen recht op uitkering indien het risico zich na de beëindiging van het dienstverband alsnog voltrekt. Deze situatie doet zich thans niet voor.

Het verweer van Achmea wordt op grond van het bovenstaande verworpen.

2.8 Voorts heeft Achmea als verweer aangevoerd dat [eiser] niet heeft voldaan aan de formaliteiten om voor enige uitkering in aanmerking te komen. Zo heeft [eiser] (nog) niet het vereiste bewijs voor zijn arbeidsongeschiktheid overgelegd, aldus Achmea.

Kennelijk heeft Achmea met deze stelling bedoeld te verwoorden dat [eiser] niet aan zijn verplichting op grond van artikel 2 lid 1 sub a van de algemene voorwaarden van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, door Topficie en [eiser] overgelegd bij conclusie van eis als productie 2, heeft voldaan. Dit artikel verplicht de verzekerde een officieel stuk over te leggen waaruit een oordeel blijkt van de bevoegde instantie van de WAO/AAW omtrent de mate en/of duur van de arbeidsongeschiktheid.

In lid 1 sub b van dit artikel is vervolgens bepaald dat indien de verzekerde niet een officieel stuk met zo een oordeel heeft overgelegd, de arbeidsongeschiktheid ten genoege van de maatschappij dient te worden aangetoond, indien de maatschappij dat verlangt door middel van een onderzoek in Nederland van de verzekerde door één of meer door de maatschappij aan te wijzen medische en/of andere deskundigen.

[eiser] heeft volgens Achmea niet voldaan aan zijn uit artikel 2 lid 1 sub a voortvloeiende verplichting. Topficie en [eiser] hebben dit ook niet betwist.

Nu Achmea in deze procedure niet betwist heeft dat [eiser] op 5 januari 2000 arbeidsongeschikt is geworden en Achmea niet heeft gesteld dat dit door middel van een onderzoek in Nederland van [eiser] door één of meer door de maatschappij aan te wijzen medische en/of andere deskundigen nader dient te worden aangetoond, kan aangenomen worden dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] genoegzaam is aangetoond in de zin van voornoemd artikel 2 lid 1 sub b.

Het verweer van Achmea wordt derhalve verworpen.

2.9 Voorts heeft Achmea onweersproken aangevoerd dat [eiser] niet voldoet aan zijn verplichting om zijn herstel zo veel mogelijk te bevorderen. Achmea heeft hiertoe aangevoerd dat [eiser] reeds enkele dagen na zijn ziekmelding in januari 2000 is begonnen met het opstarten van een eigen bedrijf en dat hij niet langer onder behandeling van een arts of een fysiotherapeut staat.

Achmea doet hiermee kennelijk een beroep op de uit artikel 4 lid 1 sub a van voornoemde algemene voorwaarden voortvloeiende verplichting van [eiser] om zich onder behandeling van een arts te laten stellen en al het mogelijke te doen om zijn revalidatie te bevorderen. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat indien en zodra de verzekerde enige uit deze voorwaarden voortvloeiende verplichting niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomt, geen vrijstelling c.q. recht op uitkering wordt verleend of het recht op vrijstelling c.q. uit te keren rente eindigt.

Nu Topficie en [eiser] de stellingen van Achmea inhoudende dat [eiser] niet voldoet aan zijn verplichting om zijn herstel zo veel mogelijk te bevorderen, dat [eiser] reeds enkele dagen na zijn ziekmelding in januari 2000 is begonnen met het opstarten van een eigen bedrijf en dat hij niet langer onder behandeling van een arts of een fysiotherapeut staat, niet hebben weersproken en uit het deskundigenrapport blijkt dat [eiser] bezig is een bedrijf op te richten, wordt voorshands uitgegaan van de juistheid van de inhoud van deze stellingen.

Gezien dit oordeel zullen Topficie en [eiser] worden toegelaten om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [eiser] niet voldoet aan zijn verplichting om zijn revalidatie zo veel mogelijk te bevorderen en dat hij niet langer onder behandeling van een arts of een fysiotherapeut staat.

2.10 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

laat Topficie en [eiser] toe tot het tegenbewijs van het voorshands bewezen geachte feit dat [eiser] niet voldoet aan zijn verplichting om zijn revalidatie zo veel mogelijk te bevorderen en dat hij niet langer onder behandeling van een arts of een fysiotherapeut staat;

bepaalt dat, zo Topficie en [eiser] het bewijs door middel van getuigen wensen te leveren, getuigen zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank, Martinetsingel 2 in Zutphen, op een nader te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de enquêterol van 12 maart 2003 om partijen in de gelegenheid te stellen opgave te doen van het aantal en de personalia van de te horen getuigen bij (tegen)getuigenverhoor alsmede om de verhinderdata over de periode tot 1 juli 2003 over te leggen, voor welk overleggen geen uitstel zal worden verleend, derhalve ambtshalve peremptoir;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.C. de Visser, D. Vergunst en J.A.M. Strens-Meulemeester en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2003.

mh/vi/vg/st

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 41059 HA ZA 01-703

Uitspraak: 28 februari 2002

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TOPFICIE TELECOM B.V.,

gevestigd te Rijswijk,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partijen,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amstelveen,

en

de naamloze vennootschap ACHMEA PENSIOEN- EN LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde partij,

procureur: mr. S.W. Knoop,

advocaat: mr. A.S. Fransen van de Putte te Amsterdam.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als Topficie en [eiser] respectievelijk Achmea.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ de beschikking van de president van deze rechtbank op grond van de artikelen 7 (oud) en 145 (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

­ de dagvaarding d.d. 5 juli 2001

­ de conclusie van eis

­ de conclusie van antwoord

­ de op 17 januari 2002 gehouden pleidooien, waarbij over en weer pleitnotities in het geding zijn gebracht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Topficie heeft voor haar werknemers een pensioenvoorziening getroffen, neergelegd in een pensioenreglement. Topficie heeft die pensioenvoorziening bij Fairgo, rechtsvoorgangster van Achmea verzekerd door middel van een groepsverzekering gesloten op 30 december 1999 en ingegaan op 1 december 1999.

2.2 Het pensioenreglement luidt, voor zover thans van belang:

" DEFINITIES

Artikel 1

(…)

c. De deelnemer:

De werknemer, die in de pensioenregeling is opgenomen.

(…)

(…) PENSIOENAANSPRAKEN

Artikel 3

(…)

4. Bij aanvang van de deelname aan de regeling, kan de deelnemer een keuze maken voor het meeverzekeren van één of meer van de volgende pensioenen:

a - een WAO-hiaat-rente (…)

b - een WAO-excedent-rente (…)

c - een ANW-hiaat-rente (…)

Indien de keuze niet binnen 3 maanden na de aanvang van de deelname aan de regeling is gemaakt, zal deze keuze geacht te zijn gemaakt als een keuze tot het niet meeverzekeren van een WAO-hiaat-rente, WAO-excedent-rente en/of ANW-hiaat-rente.

(…)"

2.3 De tussen Topficie en de rechtsvoorgangster van Achmea gesloten overeenkomst van groepsverzekering luidt, voor zover thans van belang:

(…)

Artikel 1 - Grondslag van de overeenkomst

Fairgo verplicht zich de personen, die deelnemen of zullen deelnemen aan de pensioenregeling(en) van de werkgever, zoals omschreven in het (de) aan dit contract gehechte pensioenreglement(en) (…), te verzekeren overeenkomstig de bepalingen van dit contract.

Bijlage I en II alsmede de betreffende polissen en polisvoorwaarden maken deel uit van deze overeenkomst.

(…)

Artikel 2 - Aard en acceptatie der verzekeringen

De werkgever zal iedere deelnemer voor aanvang van het deelnemerschap bij FairGo aanmelden door middel van een "aanvraagformulier voor een pensioenverzekering".

(…)

Uitsluitend voor wijzigingen genoemd onder artikel 2 van aanhangsel 67B, gelden de acceptatiecriteria die vermeld zijn in bijlage I.

(…)

De polissen worden opgemaakt als verzekeringsovereenkomsten als bedoeld in artikel 2, vierde lid onder C van de Pensioen- en spaarfondsenwet en zijn aan de bepalingen van deze wet onderhevig.

(…)

Artikel 5 - Individuele keuzemogelijkheden

Overeenkomstig het gestelde in het reglement heeft de deelnemer bij aanvang eenmalig recht op een keuze in de te verzekeren pensioenen. Deze keuze dient plaats te vinden bij de aanmelding van de deelnemer. Indien geen keuze gemaakt is, wordt geacht te zijn gekozen voor de standaard regeling conform het gestelde in het reglement.

(…)

Indien aanmelding van een nieuwe deelnemer niet heeft plaatsgevonden binnen 3 maanden na aanvang van het deelnemerschap, zoals omschreven in het reglement, wordt de deelnemer geacht een keuze te hebben gemaakt voor het niet verzekeren van overlijdens- en arbeidsongeschiktheidsrisico. Wordt na aanmelding alsnog gekozen voor overlijdens- en/of arbeidsongeschiktheidsrisico, dient de werknemer medische waarborgen te leveren, als vermeld in bijlage I artikel 3, alvorens de verzekering kan worden gesloten.

(…)".

2.4 Voornoemde bijlage II luidt, voor zover thans van belang:

"(…)

Artikel 1 - Voorlopige dekking na aanmelding

Fairgo neemt vanaf het moment van aanmelding het overlijdensrisico en het arbeidsongeschiktheidsrisico uit hoofde van de te verzekeren pensioenen in voorlopige dekking op de hierna volgende voorwaarden:

- De voorlopige dekking geldt voor aangemelde deelnemers mits de aanmelding van de deelnemer heeft plaatsgevonden uiterlijk 14 dagen na de aanvang van het deelnemerschap zoals omschreven in het reglement.

- De voorlopige dekking gaat niet eerder in dan op de datum van aanvang van het deelnemerschap en duurt voort tot de datum van definitieve aanneming of afwijzing van de verzekeringen.

(…)".

2.5 In artikel 1.1. van de clausule Wet Medische Keuringen (verder te noemen WMK-clausule) staat:

"(…) Arbeidsongeschiktheid (indien meeverzekerd) Geen recht op vrijstelling van premiebetaling of recht op uitkering van pensioen wegens arbeidsongeschiktheid bestaat, indien die arbeidsongeschiktheid zich openbaart binnen drie jaar na acceptatie van de verzekering en een voorzienbaar gevolg is van een medisch als zodanig vastgestelde oorzaak, welke geheel of ten dele, direct of indirect, bij de verzekerde reeds bekend was voor of bij de aanvang van de verzekering. (…)".

2.6 Aan de definitieve verzekering gingen twee voorlopige dekkingen vooraf ingaande 1 respectievelijk 7 december 1999. Tot de werknemers voor wie deze voorlopige dekking werd verleend, behoorde [eiser].

2.7 Op of omstreeks 3 april 2000 heeft [eiser] het aanvraagformulier aan Achmea gezonden, met keuze voor verzekering van de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen. Op 3 april 2000 is het aanvraagformulier door Achmea ontvangen. Deze aanvraag is door Achmea geaccepteerd met 1 december 1999 als ingangsdatum. De polisbladen zijn gedagtekend op 7 augustus 2000.

2.8 In een rapportage van GAK Nederland B.V. d.d. 9 november 2000 staat, voor zover thans van belang:

"(…)

Anamnese

Betrokkene heeft pijnklachten van beide handen en rechterarm. Ervaart geen invloeden van koude of warmte. Voor ziekmelding had hij dit wel eens eerder kortstondig.

(…)".

2.9 In het formulier "AANVRAAG VOOR VRIJSTELLING VAN PREMIE-BETALING EN/OF TOEKENNING VAN EEN ARBEIDSONGESCHIKTHEIDS-PENSIOEN", ingevuld door F.B. [eiser], d.d. 19 september 2000 staat:

"(…)

Van welke aard zijn die klachten ?

5b. Vlammende pijn re pols + onderarm + hand

Li pols

(…)

Welke diagnose is er gesteld ? Door welke arts is deze diagnose gesteld ?

Wanneer ?

5d. diagnose: RSI, door dokter De Groot, per 5 (rest weggevallen)

Had u voordien klachten ? Zo ja, welke wanneer ?

5e. vergelijkbare klachten in vakantie '99

(…)".

2.10 [eiser] is op 5 januari 2000 arbeidsongeschikt geraakt.

2.11 Achmea heeft de aanvraag om [eiser] in aanmerking te brengen voor de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen afgewezen.

2.12 Bij tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de fungerend president van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2001 is de vordering om [eiser] door Achmea in aanmerking te laten komen voor de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen krachtens de polis afgewezen.

2.13 Op 30 juni 2000 is de arbeidsovereenkomst van [eiser] geëindigd.

3. De vordering

3.1 Topficie en [eiser] vorderen - na wijziging van eis - dat de rechtbank Achmea bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a.1. primair zal veroordelen om [eiser] in aanmerking te brengen voor de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen als bedoeld in het pensioenreglement van Topficie en om de hieruit voortvloeiende uitkeringen aan [eiser] toe te kennen vanaf 5 januari 2000, althans zodanig latere datum als de rechtbank juist acht, met vergoeding van wettelijke rente vanaf 5 januari 2000;

a.2. subsidiair zal veroordelen tot vergoeding van schade wegens het niet totstandkomen van dekking van het arbeidsongeschiktheids-risico met vergoeding van wettelijke rente vanaf 5 januari 2000;

b. zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 Topficie en [eiser] leggen aan hun vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

3.3 Belang

Topficie heeft tegenover [eiser] de verplichting op zich genomen inkomensschade als gevolg van arbeidsongeschiktheid te voorkomen door het treffen van de bij Achmea verzekerde pensioenvoorzieningen. Topficie en [eiser] hebben er derhalve belang bij dat Achmea veroordeeld wordt tot het in aanmerking brengen van [eiser] voor de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen.

3.4 Groepsovereenkomst

Topficie en Achmea als rechtsopvolgster van Fairgo hebben een verzekerings-overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst is een mantelovereenkomst, uit hoofde waarvan Achmea zich verplicht om alle werknemers van Topficie te verzekeren overeenkomstig de bepalingen van het contract en het daaraan gehechte pensioenreglement. Deze constructie wordt genoemd B-polis. De verzekering is totstandgekomen per 1 december 1999 op grond van de op 30 december 1999 gesloten verzekeringsovereenkomst. Voorts volgt uit de definitie van deelnemerschap in artikel 2 van het reglement dat de verzekering krachtens de B-polis tot stand komt zonder enige vorm van aanmelding. De in artikel 1 genoemde verplichting tot aanmelding van werknemers doet hieraan niet af, die heeft kennelijk de strekking van een administratieve bevestiging. Het werknemerschap impliceert aldus automatisch opname in de verzekering.

Voornoemd reglement in combinatie met de verzekeringsovereenkomst betekent een acceptatieplicht.

Ook op grond van de dwingendrechtelijke bepalingen van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) en de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW zou dit zo moeten zijn. Op deze verzekeringsovereenkomst zijn van toepassing de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW, vastgesteld op grond van artikel 2, lid 4 PSW. Blijkens artikel 1 sub d van deze Regelen is Topficie verzekeringnemer en blijkens artikel 1, sub e jo. artikel 3 van bedoelde Regelen is [eiser] verzekerde en begunstigde van de uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.

De aanmelding van [eiser] door middel van het zogeheten aanmeldingsformulier, die plaats vond op 15 april 2000, is irrelevant voor het totstandkomen van de verzekeringsdekking. De C-polis heeft geen andere functie dan het voorheen bestaande verzekeringnemerschap van Topficie over te laten gaan op de werknemers. Daarom is niet van belang dat de afgifte van de C-polis heeft plaatsgevonden nadat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] zich heeft geopenbaard. De arbeidsongeschiktheid heeft zich voorgedaan na totstandkoming en ondertekening van de verzekeringsovereenkomst.

De verzekeraar was bij het tot stand brengen van de C-polis ook niet bevoegd tot een zelfstandige beoordeling van het risico. De verzekeraar was verplicht de verzekering aan te gaan conform vooraf gestelde voorwaarden tegen een vooraf gestelde premie.

Op grond van artikel 4 van de Wet op de medische keuringen is het toetsen en dus het vragen naar de medische situatie van werknemers uitdrukkelijk verboden voor de verzekeraar.

[eiser] komt derhalve voor de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen als bedoeld in het pensioenreglement van Topficie in aanmerking en Achmea dient de hieruit voortvloeiende uitkeringen aan [eiser] toe te kennen. Nu Achmea de aanvraag om [eiser] in aanmerking te brengen voor de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen heeft afgewezen, lijdt [eiser] deels nu en deels op langere termijn inkomensschade.

3.5 Voorlopige dekking

[eiser] kan in ieder geval een beroep doen op de voorlopige dekking. Voorafgaand aan de totstandkoming van de groepsverzekering waren alle werknemers in het kader van twee voorlopige dekkingen aangemeld. Deze voorlopige dekkingen gingen op 1 respectievelijk 7 december 1999 in.

Vanaf 30 december 1999 gold de voorlopige dekking op basis van bijlage II van de op 30 december 1999 gesloten verzekeringsovereenkomst. [eiser] was reeds in het kader van de voorlopige dekkingen voorafgaand aan de overeenkomst aangemeld, en die aanmelding heeft ook te gelden voor de voorlopige dekking op basis van de verzekeringsovereenkomst. Die aanmelding heeft voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid van [eiser] plaatsgevonden. De verzekeraar was bekend met de werknemers door de eerdere aanmelding, bovendien heeft de verzekeraar niet gewaarschuwd voor het vervallen van de voorlopige dekking. Als een nieuwe aanmelding nodig bevonden was, handelt de verzekeraar in strijd met de redelijkheid en billijkheid en de eigen zorgvuldigheidsplichten door zich daar op te beroepen.

3.6 Reeds bekende oorzaak

Primair betwisten Topficie en [eiser] dat de WMK-clausule inroepbaar is nu bij pensioenverzekeringen geen keuringen zijn toegestaan. Subsidiair voeren Topficie en [eiser] aan dat de situatie als bedoeld in artikel 1.1 van de WMK-clausule, zoals vermeld onder 2.5, zich niet voordoet. [eiser] is op 5 januari acuut ziek geworden. Hij heeft wel eerder vergelijkbare klachten gehad, maar dat heeft destijds niet tot arbeidsongeschiktheid geleid. Over de klachten destijds is ook geen medische rapportage opgemaakt, zodat niet van een bekende medische oorzaak gesproken kan worden, laat staan van een voorzienbare arbeidsongeschiktheid. Het beroep van Achmea op de WMK-clausule gaat derhalve niet op.

3.7 Gevolgen einde dienstverband

Dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] is geëindigd voor ingang van de WAO-uitkering betekent niet dat de arbeidsongeschiktheidsdekking is vervallen.

Er is immers sprake van reeds ingegane uitkeringen. Het recht op premievrijstelling vervalt niet blijkens artikel 11, lid 3 van het reglement. De niet continuering van het dienstverband moet op één lijn worden gesteld met beëindiging van het dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 12, lid 1 van het reglement. Voorts heeft [eiser] het recht de verzekering ongewijzigd voort te zetten. Hij heeft ook aangegeven hier gebruik van te willen maken.

3.8 Vertraging aanvraagfomulier

Zelfs als het aanvraagformulier nog wel van belang zou zijn, zou het onaanvaardbaar zijn de gevolgen van de vertraging bij de inzending van het aanvraagformulier op de werknemers van Topficie, onder wie [eiser], af te wentelen. Met medeweten van Achmea is de indiening van de formulieren uitgesteld en gebundeld omdat het beschikbaar gestelde standaard-formulier niet paste bij de inhoud van de pensioenregeling. Achmea heeft op geen enkel moment aangegeven dat bedoelde vertraging meer gevolgen zou kunnen hebben dan dat de polissen eerst later konden worden opgesteld. Indien de verzekering nietig zou moeten worden verklaard, zal Achmea schadevergoeding moeten betalen wegens de haar in dat geval toe te rekenen vertraging bij het tot stand komen van de concrete verzekeringen.

4. Het verweer

4.1 Achmea concludeert dat de rechtbank Topficie en [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans hun die zal ontzeggen met veroordeling van Topficie en [eiser] in de kosten van het geding.

4.2 Achmea voert de navolgende verweren aan.

4.3 Belang

Topficie is bij gebreke van enig opeisbaar belang bij de vorderingen zoals deze in het petitum van de dagvaarding geformuleerd niet-ontvankelijk in deze procedure. Voor zover Topficie zich heeft verplicht een adequate verzekeringsmogelijkheid te realiseren en zij daar niet aan voldaan heeft, geeft dat [eiser] een vordering op Topficie.

4.4 Groepsovereenkomst

In de raamovereenkomst, die is gesloten op 30 december 1999, is geen verplichting tot acceptatie opgenomen. Achmea heeft wel de beperktere verplichting op zich genomen de werknemers van Topficie te verzekeren overeenkomstig de bepalingen van de raamovereenkomst. De raamovereenkomst is geen verzekeringsovereenkomst. Het tijdstip waarop de verzekering tot stand komt, wordt niet bepaald door de contractuele verplichting de verzekering te sluiten, maar door de mededeling van acceptatie door de verzekeraar. Voor dit tijdstip loopt de verzekeraar nog geen risico.

Een verzekeringsovereenkomst kan alleen gesloten worden ten aanzien van risico's die zich nog niet verwezenlijkt hebben, althans waarvan partijen niet op de hoogte zijn dat die zich reeds verwezenlijkt hebben. Achmea beroept zich voorts op artikel 269 van het Wetboek van Koophandel (WvK), waarin staat dat alle verzekeringen gedaan op enig belang hoegenaamd waarvan de schade waartegen verzekerd is, reeds op het tijdstip van sluiten der overeenkomst bestond, nietig is, indien de verzekerde of hij die met of zonder last heeft doen verzekeren, van het aanwezen van de schade kennis heeft gedragen. Artikel 269 WvK ziet ook op het geval dat een verzekering met terugwerkende kracht wordt aangegaan en dat de schade zich al heeft voorgedaan, zoals ook volgt uit de betreffende jurisprudentie. Topficie heeft de verzekering begin mei 2000 aangevraagd door middel van het aanvraagformulier. Op het moment van aanvragen en accepteren van de betreffende verzekering had het risico van arbeidsongeschiktheid zich reeds verwezenlijkt. Achmea is van mening dat de betreffende verzekering nietig is, althans dat deze geen dekking biedt voor de reeds ingegane arbeidsongeschiktheid.

Subsidiair voert Achmea aan dat de verzekeringsovereenkomst op grond van artikel 251 WvK vernietigbaar is, nu deze tot stand is gekomen op basis van onjuiste informatie van de kant van de verzekerde [eiser] en zij de verzekering niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, wanneer zij van de juiste stand van zaken op de hoogte zou zijn geweest. RSI-klachten als die van [eiser] zijn hardnekkig en van langdurige aard. [eiser] had melding moeten maken van de aard van zijn ziekte, althans in ieder geval van het feit dat hij voor langere tijd arbeidsongeschikt was. Achmea was in de gegeven omstandigheden bevoegd naar medische waarborgen te vragen op grond van artikel 5, derde alinea van de raamovereenkomst. [eiser] heeft niet binnen 3 maanden na aanvang van het deelnemerschap zijn keuzes gemaakt, waardoor hij medische waarborgen dient te leveren voor het alsnog verzekeren van de arbeidsongeschiktheid.

4.5 Voorlopige dekking

Achmea heeft niet op voorhand enige voorlopige dekking van [eiser] voor haar risico genomen. De eerste voorlopige dekkingen betroffen uitsluitend arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ongeval, waarvan bij [eiser] geen sprake is. De voorlopige dekking ingevolge bijlage II van de overeenkomst van groepsverzekering geldt alleen voor werknemers die zich 14 dagen na de aanvang van het deelnemerschap, in casu 14 dagen na 30 december 1999, hebben aangemeld. [eiser] heeft zich begin mei 2000 aangemeld, terwijl de termijn voor de voorlopige dekking al enige maanden verstreken was. Achmea heeft er belang bij dat de werknemers die zich willen verzekeren, daar niet te lang mee willen wachten en zo onbeperkt lang verzekerd zouden zijn onder de voorlopige dekking.

De door [eiser] in het kader van de aanvraag voor de verzekering te verstrekken informatie reikte aanzienlijk verder dan die in het kader van de aanmelding van [eiser] voor de eerste voorlopige dekkingen en hield ook de verplichting in zijn reeds ingetreden arbeidsongeschiktheid te melden. Daarnaast diende de aanmelding voor de eerste voorlopige dekkingen door de werkgever te geschieden en de aanmelding in het kader van de voorlopige dekking ingevolge bijlage II van de groepsovereenkomst door de werknemer zelf.

4.6 Reeds bekende oorzaak

Meer subsidiair doet Achmea een beroep op de artikel 1.1. van de WMK-clausule. Achmea stelt dat [eiser] al in zijn vakantie in 1999 RSI-klachten had, die zich hebben voortgezet dan wel zijn verergerd zodat hij daardoor begin januari 2000 arbeidsongeschikt is geworden. Achmea wijst er daarbij op dat RSI-klachten zich opbouwen en niet plotseling gaan en komen. Wanneer deze klachten zich voordoen en er worden geen maatregelen getroffen, verergeren zij. Deze klachten hebben binnen drie jaar na acceptatie van de verzekeringen tot arbeidsongeschiktheid geleid, waardoor Achmea geen dekking hoeft te verlenen.

4.7 Einde dienstverband

[eiser] is binnen één jaar na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid en dus voor het ingaan van zijn recht op WAO uit dienst van Topficie getreden. Nu de arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen pas vanaf de dag van de WAO betekenis krijgen, staat vast dat de dekking voor de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is vervallen. Alleen indien sprake was van reeds ingegane uitkeringen zou dit anders zijn. [eiser] is echter voor het in kunnen gaan van de uitkeringen vertrokken. Daarnaast is er op grond van het bovenstaande in het geheel geen gehoudenheid voor Achmea om dekking te verlenen.

Ook kan er van voortzetting van de verzekeringen geen sprake zijn, nu er geen rechtsgeldige verzekering is gesloten.

4.8 Vertraging aanvraagformulier

Medio december 1999 had Achmea de wat haar betreft adequate aanvraagformulieren voor de individuele verzekeringen ter beschikking gesteld. Nu het kantoor Mercer, dat Topficie in deze bijstond, zelf een eigen formulier wenste te ontwikkelen, kan de hiermee gepaard gaande vertraging niet aan Achmea toegerekend worden. Mercer was immers ingeschakeld door Topficie, waardoor het handelen en nalaten van Mercer voor haar rekening en risico dient te komen.

Nu Topficie werd bijgestaan door een specialist in dit soort groepsverzekeringen, kan Achmea niet verweten worden dat zij niet gewaarschuwd zou hebben voor de mogelijke gevolgen van het niet gebruiken van Achmea's formulieren. Voorts waren Mercer en Topficie zich ook bewust van het feit dat er een gat in de dekking zou ontstaan, daarvoor is immers een voorlopige dekking gekocht.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Belang

Achmea heeft aangevoerd dat Topficie geen belang heeft bij de vorderingen. De overeenkomst van groepsverzekering bevat echter een derdenbeding, waarvan door Topficie de nakoming jegens [eiser] kan worden gevorderd, tenzij deze zich daartegen verzet, hetgeen is gesteld noch gebleken. Dit verweer dient dan ook te worden verworpen.

5.2 Voorlopige dekking

In het midden kan blijven of het in deze zaak om een B-polis dan wel om C-polissen gaat. De aanmelding van [eiser] in het kader van de voorlopige dekkingen voorafgaand aan de overeenkomst dient in de onderhavige situatie namelijk te worden aangemerkt als aanmelding in het kader van bijlage II van de op 30 december 1999 gesloten overeenkomst van groepsverzekering.

Ingevolge deze bijlage II geldt de voorlopige dekking vanaf het moment van aanmelding, mits de aanmelding van de deelnemer uiterlijk 14 dagen na de aanvang van het deelnemerschap, zoals omschreven in het reglement, heeft plaatsgevonden.

Deelnemer ingevolge het reglement zijn de werknemers, die in de pensioenregeling zijn opgenomen.

In het onderhavige geval, waarin sprake is van een op 30 december 1999 met ingang van 1 december 1999 gesloten verzekering, zijn begin december 1999, gedurende de onderhandelingen tussen partijen, alle toenmalige werknemers, waaronder [eiser], door Topficie bij Achmea aangemeld. Deze aanmelding moet als een tijdige aanmelding in de zin van bijlage II worden aangemerkt. Indien Achmea zich destijds werkelijk op het standpunt heeft gesteld dat deze aanmelding niet kan worden aangemerkt als tijdige aanmelding in de zin van artikel 1 van bijlage II - hetgeen om na te noemen redenen niet aannemelijk is - had zij Topficie er bij het sluiten van de verzekering op 30 december 1999 op dienen te attenderen dat Topficie haar werknemers nogmaals diende aan te melden. Dat heeft zij echter niet gedaan. Gesteld noch gebleken is bovendien dat zodanige herhaalde aanmelding überhaupt heeft plaatsgevonden, terwijl de werknemers van Topficie sindsdien wel bij Achmea zijn verzekerd. Reeds dit gegeven wijst er op dat ook Achmea destijds niet verlangde dat Topficie haar werknemers nogmaals en dat binnen 14 dagen na 30 december 1999 bij haar diende aan te melden. Niemand van de werknemers heeft zich ook overigens binnen die termijn aangemeld voor de aanvullende verzekeringen. De eerste aanmeldingsformulieren van deelnemers, die opteerden voor arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen, zijn immers, zoals Achmea zelf aangeeft, eerst eind januari 2000 bij haar binnengekomen. Gesteld noch gebleken is dat Achmea van enige van de toenmalige werknemers medische waarborgen heeft verlangd in de zin van artikel 5 van de groepsverzekering. Dat heeft zij ook van [eiser] niet gevraagd, toen zij zijn aanvraagformulier in mei 2000 ontving. De in bijlage II genoemde termijn van 14 dagen is dan ook geen termijn, die begint te lopen op het moment dat een deelnemer zich heeft aangemeld voor het overlijdensrisico en/of het arbeidsongeschiktheidsrisico, zoals Achmea thans stelt, maar een termijn, die begint te lopen op het moment dat een persoon werknemer van Topficie wordt en daarmee deelnemer in de zin van pensioenreglement. Dat deelnemerschap dient uiterlijk 14 dagen nadien bij Achmea te worden gemeld, wil van voorlopige dekking conform bijlage II sprake zijn. Dat een afzonderlijke aanmelding voor het verkrijgen van de voorlopige dekking zou zijn vereist, valt in deze bijlage niet te lezen, terwijl de deelnemers zowel op grond van artikel 3 van het pensioenreglement als op grond van artikel 5 van de overeenkomst van groepsverzekering gedurende een periode van 3 maanden na aanvang van het deelnemerschap eenmalig het recht krijgen om te kiezen voor aanvullende verzekeringen. Blijkens bijlage II duurt de voorlopige dekking vervolgens voort tot de datum van definitieve aanneming of afwijzing van de verzekering. Van afwijzing van [eiser] is geen sprake geweest. Gesteld noch gebleken is immers dat Achmea aan hem op enig moment een verzekeringspolis heeft afgegeven waarbij de WAO-hiaat-rente, de WAO-excedent-rente en/of de ANW-hiaat-rente als niet verzekerd zijn aangemerkt, hetgeen op grond van voornoemde bepalingen had mogen worden verwacht. Integendeel, Achmea heeft de verzekering van [eiser] definitief aangenomen. Voor zover er al geen sprake was van een acceptatieplicht, zoals Topficie en [eiser] betogen, geldt dat Achmea in de haar op 30 december 1999 en de haar nadien verstrekte informatie omtrent [eiser] geen reden heeft gevonden om geen verzekering met [eiser] af te sluiten. Zij heeft immers op 7 augustus 2000 de betreffende polissen afgegeven, overigens met 1 december 1999 als ingangsdatum, hetgeen er eens te meer op wijst dat ook Achmea er toen zonder meer vanuit is gegaan dat voorlopige dekking van bijlage II steeds op [eiser] van toepassing is geweest. Het moge juist zijn dat Achmea na ommekomst van drie maanden na de aanmelding het recht had om [eiser] aan een impliciete keuze te houden voor het niet verzekeren van overlijdens- en arbeidsongeschiktheidsrisico, feit is dat zij dat niet heeft gedaan, waardoor de voorlopige dekking is blijven doorlopen en [eiser] derhalve, behoudens na te noemen uitsluiting, verzekerd was voor het risico van arbeidsongeschiktheid, dit alles nog afgezien van de vraag of Achmea zich door zich in de gegeven situatie van toen - waarin sprake was van intensief schriftelijk en telefonisch verkeer tussen Achmea en Topficie dan wel haar adviseur William Mercer over de opzet van door de werknemers te gebruiken aanvraagformulieren - redelijk zou hebben opgesteld door achteraf de opgelopen vertraging voor rekening van deze werknemers te brengen, zonder dat zij daartoe Topficie en haar werknemers vooraf zou hebben gewaarschuwd. Dit alles heeft tot gevolg dat niet gezegd kan worden dat het risico zich reeds had verwezenlijkt op het moment dat de verzekeringsovereenkomst werd gesloten. Het beroep van Achmea op de artikelen 251 en 269 WvK gaat mitsdien niet op.

5.3 Reeds bekende oorzaak

Meer subsidiair doet Achmea een beroep op artikel 1.1 van de WMK-clausule. Vooropgesteld dient te worden dat de WMK-clausule (sub 2.5) onderdeel uitmaakt van de tussen partijen gesloten overeenkomst van groepsverzekering. Het primaire verweer van Topficie en [eiser] dat de clausule niet inroepbaar is nu keuringen niet zijn toegestaan, gaat niet op nu er in artikel 1.1 van de WMK-clausule geen sprake is van keuringen.

Topficie en [eiser] betwisten niet dat [eiser] in zijn vakantie in 1999 soortgelijke klachten heeft gehad en dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] zich binnen drie jaar na acceptatie van de verzekering heeft geopenbaard. Zij betwisten echter dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser], een voorzienbaar gevolg is van de klachten van [eiser] in zijn vakantie in 1999. Alvorens over deze kwestie te beslissen, zal het oordeel van een deskundige dienen te worden ingewonnen.

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld bij akte aan te geven de namen, adressen en telefoonnummers van personen die voor benoeming tot deskundige in aanmerking zouden kunnen komen. Partijen zullen vragen mogen opgeven welke zij aan de deskundigen voorgelegd wensen te zien. Tevens dienen zij zich uit te laten over de hoogte van het voorschot. Partijen wordt nadrukkelijk in overweging gegeven over een en ander vooraf overeenstemming te bereiken teneinde onnodige vertraging van de procedure te voorkomen. Nu op Achmea in deze de bewijslast rust, zij beroept zich immers op de toepasselijkheid van de WMK-clausule, zal zij met het integrale voorschot op het honorarium van de te benoemen deskundigen worden belast.

5.4 Het vorenoverwogene leidt tot na te melden beslissing. Iedere verdere

beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

stelt Achmea in de gelegenheid om zich bij akte ter rolle van 28 maart 2002 uit te laten over de hiervoor in rechtsoverweging 5.3 geformuleerde vragen;

bepaalt dat Topficie en [eiser] in de gelegenheid zullen worden gesteld op deze akte bij antwoord-akte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Vergunst, J.A.M. Strens-Meulemeester en E.W. van der Graaf en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2002.

be/vg/st/eg