Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF4666

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
18-02-2003
Zaaknummer
Rolnummer: 46519 HA ZA 02-320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/1037
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/2555
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Ingevolge de milieuvergunning zijn dagelijks op het terrein van betokkene vijf transportbewegingen toegestaan. Het vanaf de openbare weg over het terrein verslepen van vrachtwagens van derden door middel van een shovel, is zo'n beweging nu de vergunde transportbewegingen niet zijn beperkt tot die welke (geheel) op eigen kracht plaats vinden. Het gekoppeld verslepen van meer dan één vrachtwagen achterde shovel leidt tot evenzoveel aan- en afvoerbewegingen als er vrachtwagens zijn.

Uitspraak : 29 januari 2003.

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaken tussen:

Rolnummer: 46519 HA ZA 02-320

[eiser]

wonende te [[plaats]]

eisende partij in oppositie,

procureur: mr. J.Th.M. Michels,

advocaat: mr. J. Schutrups te Enschede

en

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE VOORST,

zetelende te Twello (gemeente Voorst),

gedaagde partij in oppositie,

procureur: mr. A.J. Zeyl,

advocaat: mr. J.R. Beversluis te Deventer,

Rolnummer: 46657 HA ZA 02-338

[eiser]

wonende te [[plaats]]

eisende partij in oppositie,

procureur: mr. J.Th.M. Michels,

advocaat: mr. J. Schutrups te Enschede

en

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE VOORST,

zetelende te Twello (gemeente Voorst),

gedaagde partij in oppositie,

procureur: mr. A.J. Zeyl,

advocaat: mr. J.R. Beversluis te Deventer,

Rolnummer: 48228 HA ZA 02-594

[eiser]

wonende te [[plaats]]

eisende partij in oppositie,

procureur: mr. J.Th.M. Michels,

advocaat: mr. J. Schutrups te Enschede

en

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE VOORST,

zetelende te Twello (gemeente Voorst),

gedaagde partij in oppositie,

procureur: mr. A.J. Zeyl,

advocaat: mr. J.R. Beversluis te Deventer.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eiser] en de gemeente Voorst.

1. Het verloop van de procedures

Dit verloop blijkt uit:

in de zaak met het rolnummer: 46519 HA ZA 02-320

­ de dagvaarding in oppositie d.d. 12 februari 2002

­ de akte depot videobanden d.d. 31 mei 2002

­ de conclusie van antwoord

­ het vonnis van 27 juni 2002

­ het proces-verbaal van de op 16 september 2002 en 17 december 2002 gehouden comparitie van partijen en de bij die gelegenheid door partijen overgelegde stukken.

in de zaak met het rolnummer: 46657 HA ZA 02-238

­ de dagvaarding in oppositie d.d. 28 maart 2002

­ de akte overlegging producties van de gemeente Voorst

­ de conclusie van antwoord

­ het vonnis van 27 juni 2002

­ het proces-verbaal van de op 16 september 2002 en 17 december 2002 gehouden comparitie van partijen en de bij die gelegenheid door partijen overgelegde stukken.

in de zaak met het rolnummer: 48228 HA ZA 02-594

­ de dagvaarding in oppositie d.d. 25 juni 2002 en het herstelexploot d.d. 8 augustus 2002

­ de akte depot van producties d.d. 25 september 2002

­ de conclusie van antwoord

­ het vonnis van 3 oktober 2002

­ het proces-verbaal van de op 17 december 2002 gehouden comparitie van partijen en de bij die gelegenheid door partijen overgelegde stukken.

2. De vaststaande feiten

In de drie zaken:

2.1 [eiser] exploiteert te [plaats] een onderneming gericht op de opslag c.s. van diverse soorten mest. Hij slaat mest op, bewerkt de mest noodzakelijk voor transport en voert de mest af.

2.2 Aan [eiser] is door B&W van Voorst een milieuvergunning d.d. 21 december 1993 ver-leend. Ingevolge deze vergunning zijn op werkdagen tussen 07.00 uur en 19.00 uur vijf af- en aanvoerbewegingen van vrachtwagens per werkdag toegestaan en twee maal per week tussen 19.00 uur en 23.00 uur. Door de gemeente en [eiser] worden een afvoer- plus een aanvoerbeweging samen als één transportbeweging gezien.

In de zaak met het rolnummer: 46519 HA ZA 02-320

2.3 Bij beschikking van B&W van Voorst d.d. 15 maart 2001 wordt als volgt aan [eiser] meegedeeld:"(…...) Ondanks onze herhaalde waarschuwing heeft u de overtreding van de milieuvergunning (…...) regelmatig herhaald. Op grond van deze vergunning zijn dagelijks (tussen 07.00 uur en 19.00 uur) 5 transporten toegestaan (…...). Een overschrijding van deze aantallen is verboden. Wij sommeren u om voor 6 april 2001 de transportbewegingen in overeenstemming met uw vergunning te brengen. (...) Wij hebben u al eerder meegedeeld dat wij op grond van artikel 5:22 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd zijn om aan u een dwangsom op te leggen. Met het oog op de overtreding hebben wij besloten van deze bevoegdheid gebruik te maken. Als na deze datum de overtreding nogmaals herhaalt leggen wij u een dwangsom op van: - f 500,-- (€ 226,89) voor ieder teveel transport, met een maximum van f 15.000,-- (€ 6.806,70). (...)

Het door [eiser] tegen deze beschikking ingestelde beroep is bij uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 26 juni 2002 ongegrond verklaard.

2.4 Ter controle op de naleving door [eiser] van de vergunning, heeft de gemeente een videocamera, gericht op de verbindingsweg tussen de mestopslagloods op het bedrijfsterrein van [eiser] en de openbare weg, laten plaatsen door de Sectie Technische ondersteuning van de Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland en video-opnamen gemaakt.

2.5 Bij schrijven van 1 november 2001 hebben B&W van Voorst aan [eiser] meegedeeld dat op grond van geconstateerde overtredingen van het aantal toegestane transportbewegingen dwangsommen verbeurd zijn ten belope van in totaal f 15.000,-- (€ 6.806,70).

2.6 Op 6 december 2001 hebben Burgemeester en Wethouders van Voorst wegens verbeurde dwangsommen tegen [eiser] een dwangbevel uitgevaardigd ten belope van f 15.000,--, te vermeerderen met de invorderingskosten ten bedrage van 15 % van de hoofdsom. Betekening van het exploot heeft plaatsgevonden op 2 januari 2002 waarbij gesommeerd is tot betaling van f 15.000,-- aan hoofdsom en f 2.677,50 aan invorderingskosten.

2.7 [eiser] heeft ter zake geen betaling aan de gemeente Voorst verricht.

In de zaak met het rolnummer: 46657 HA ZA 02-338

2.8 Bij beschikking van B&W van Voorst d.d. 1 november 2001 wordt als volgt aan [eiser] meegedeeld:"(...) Gebleken is ons dat u ondanks het verbeuren van de maximale dwangsom op grond van de beschikking van 15 maart 2001 regelmatig het aantal vergunde transporten overtreedt. Volgens uw milieuvergunning van 21 december 1993 is het aantal transporten gelimiteerd. Op grond van deze vergunning zijn dagelijks (tussen 07.00 uur en 19.00 uur) vijf transporten toegestaan (….). Een overschrijding van deze aantallen is verboden. (..) Wij sommeren u om voor 9 november 2001 de transportbewegingen in overeenstemming met uw milieuvergunning te brengen. (...) Wij hebben u al eerder meegedeeld dat wij op grond van artikel 5:22 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd zijn om aan u een dwangsom op te leggen. Met het oog op de overtreding hebben wij besloten van deze bevoegdheid gebruik te maken. Als u na deze datum de overtreding nogmaals herhaalt, leggen wij u een dwangsom op van: f 750,- (€ 340,34) voor ieder teveel transport, met een maximum van f 15.000,-- (€ 6.806,70). (...)"

2.9 Het door [eiser] tegen deze beschikking ingestelde beroep is bij uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 25 september 2002 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer het navolgende overwogen:

"(…...) Appellant heeft gesteld dat de vrachtwagens die naar zijn bedrijf toe komen, in tweetal vanaf de openbare weg met uitgeschakelde motor verder worden vervoerd met behulp van een shovel en vervolgens weer worden teruggebracht naar de openbare weg, waarna de motor van de vrachtwagens weer wordt ingeschakeld. Door deze handelwijze is naar zijn mening geen sprake van een overtreding. (…) In het bestreden besluit is overwogen dat een vrachtwagen van derden, afkomstig vanaf de openbare weg en enige tijd later weer vertrekkend naar de openbare weg, niet van karakter verandert doordat deze zich niet langer op eigen kracht voortbeweegt. De inhoud en herkomst of bestemming van de lading, alsmede het doel van het vervoer zijn gericht op de aan- en afvoer van en voor derden. Verweerders zijn aldus van mening dat de handelwijze van appellant er niet aan afdoet dat af- en aanvoerbewegingen in de zin van de vergunning plaatsvinden. De Afdeling acht dit standpunt van verweerders niet onjuist, omdat de vergunde transportbewegingen niet zijn beperkt tot die welke (geheel) op eigen kracht plaatsvinden. (..…)

In het besluit van 1 november 2001 is vermeld dat de maximale dwangsom op grond van het beskluit van 15 maart 2001 is verbeurd. In het bestreden besluit hebben verweerders gesteld dat het aantal transportbewegingen deugdelijk is vastgesteld via de (…) videocamera, en dat daarmee zeer nauwkeurig het tijdstip en de aard van de overtredingen kan worden nagegaan. Verder zijn de geconstateerde overtredingen door verweerders aan appellant schriftelijke kenbaar gemaakt. Gelet hierop (...…) acht de Afdeling het voldoende aannemelijk dat het maximumbedrag uit de eerste dwangsombeschikking van 15 maart 2001 waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, was overschreden. (…...)"

2.10 Ter controle op de naleving van de vergunning door [eiser] heeft de gemeente een videocamera, gericht op de verbindingsweg tussen de mestopslagloods op het bedrijfsterrein van [eiser] en de openbare weg laten plaatsen door de Sectie Technische ondersteuning van de Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland en video-opnamen gemaakt.

2.11 Bij nota van 6 december 2001 hebben B&W van Voorst jegens [eiser] aanspraak gemaakt op verbeurde dwangsommen ten belope van f 15.000,-- (€ 6.806,70).

2.12 Op 21 januari 2002 hebben Burgemeester en Wethouders van Voorst wegens verbeurde dwangsommen tegen [eiser] een dwangbevel uitgevaardigd ten belope van f 15.000,--, te vermeerderen met de invorderingskosten ten bedrage van 15 % van de hoofdsom. Betekening van het dwangbevel vond plaats op 14 februari 2002, waarbij gesommeerd is tot betaling van € 6.806,70 aan hoofdsom en € 1.215,-- aan invorderingskosten.

2.13 [eiser] heeft ter zake geen betaling aan de gemeente Voorst verricht.

In de zaak met het rolnummer: 48228 HA ZA 02-594

2.14 Bij beschikking van B&W van Voorst d.d. 6 december 2001 wordt als volgt aan [eiser] meegedeeld:"(…...) Gebleken is ons dat u ondanks het verbeuren van de maximale dwangsommen op grond van de beschikking van 15 maart 2001 en 1 november 2001 regelmatig het aantal vergunde transporten overtreedt. Volgens uw milieuvergunning van 21 december 1993 is het aantal transporten gelimiteerd. Op grond van deze vergunning zijn dagelijks (tussen 07.00 uur en 19.00 uur) 5 transporten toegestaan (…...). Een overschrijding van deze aantallen is verboden. (...…) Wij sommeren u om voor 14 december 2001 de transportbewegingen in overeenstemming met uw milieuvergunning te brengen. (...…) Wij hebben u al eerder meegedeeld dat wij op grond van artikel 5:22 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd zijn om aan u een dwangsom op te leggen. Met het oog op de overtreding hebben wij besloten van deze bevoegdheid gebruik te maken. Als u na deze datum de overtreding nogmaals herhaalt, leggen wij u een dwangsom op van: f 1.000,- (€ 453,78) voor ieder teveel transport, met een maximum van

f 15.000,-- (€ 6.806,70).(…...)"

2.15 Het door [eiser] tegen deze beschikking ingestelde beroep is bij uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 25 september 2002 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer het navolgende overwogen:

"(…...) Appellant heeft gesteld dat de vrachtwagens die naar zijn bedrijf toe komen, in tweetal vanaf de openbare weg met uitgeschakelde motor verder worden vervoerd met behulp van een shovel en vervolgens weer worden teruggebracht naar de openbare weg, waarna de motor van de vrachtwagens weer wordt ingeschakeld. Door deze handelwijze is naar zijn mening geen sprake van een overtreding. (...…) In het bestreden besluit is overwogen dat een vrachtwagen van derden, afkomstig vanaf de openbare weg en enige tijd later weer vertrekkend naar de openbare weg, niet van karakter verandert doordat deze zich niet langer op eigen kracht voortbeweegt. De inhoud en herkomst of bestemming van de lading, alsmede het doel van het vervoer zijn gericht op de aan- en afvoer van en voor derden. Verweerders zijn aldus van mening dat de handelwijze van appellant er niet aan afdoet dat af- en aanvoerbewegingen in de zin van de vergunning plaatsvinden. De Afdeling acht dit standpunt van verweerders niet onjuist, omdat de vergunde transportbewegingen niet zijn beperkt tot die welke (geheel) op eigen kracht plaatsvinden. (…...)

In het besluit van 1 november 2001 is vermeld dat de maximale dwangsom op grond van het beskluit van 15 maart 2001 is verbeurd. In het bestreden besluit hebben verweerders gesteld dat het aantal transportbewegingen deugdelijk is vastgesteld via de (…) videocamera, en dat daarmee zeer nauwkeurig het tijdstip en de aard van de overtredingen kan worden nagegaan. Verder zijn de geconstateerde overtredingen door verweerders aan appellant schriftelijke kenbaar gemaakt. Gelet hierop (…...) acht de Afdeling het voldoende aannemelijk dat het maximumbedrag uit de eerste dwangsombeschikking van 15 maart 2001 waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, was overschreden. (...…)"

2.16 Ter controle op de naleving van de vergunning door [eiser] heeft de gemeente een videocamera, gericht op de verbindingsweg tussen de mestopslagloods op het bedrijfsterrein van [eiser] en de openbare weg laten plaatsen door de Sectie Technische ondersteuning van de Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland en video-opnamen gemaakt.

2.17 Bij nota van 25 januari 2002 hebben B&W van Voorst jegens [eiser] aanspraak gemaakt op verbeurde dwangsommen ten belope van € 6.806,70.

2.18 Op 1 mei 2002 hebben Burgemeester en Wethouders van Voorst wegens verbeurde dwangsommen tegen [eiser] een dwangbevel uitgevaardigd ten belope van € 6.806,70, te vermeerderen met de invorderingskosten ten bedrage van 15 % van de hoofdsom. Betekening van het dwangbevel vond plaats op 14 mei 2002, waarbij gesommeerd is tot betaling van € 6.806,70 en explootkosten.

2.19 [eiser] heeft ter zake geen betaling aan de gemeente Voorst verricht.

3. De vordering in de zaak met het rolnummer: 46519 HA ZA 02-320

3.1 [eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] zal verklaren tot goed opposant tegen bedoeld dwangbevel en dit buiten effect zal stellen met veroordeling van de gemeente Voorst in de kosten van het geding.

3.2. [eiser] legt aan de vorderingen de volgende stellingen ten grondslag.

Overtreding van de dwangsombeschikking heeft niet plaatsgevonden. De dwangsommen zijn niet verbeurd. Dagelijks zijn zeven af- en aanvoerbewegingen toegestaan, waaraan [eiser] zich heeft gehouden. De gemeente dient de gestelde overtredingen te bewijzen.

4. Het verweer in de zaak met het rolnummer: 46519 HA ZA 02-320

4.1 De gemeente Voorst concludeert tot afwijzing van het verzet van [eiser] tegen het dwangbevel, mitsdien [eiser] gehouden zal zijn te voldoen aan de inhoud van die executoriale titel met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

4.2 De gemeente Voorst voert daartoe het navolgende aan.

Met behulp van de videocamera zijn opnamen gemaakt waarop de transportbewegingen op het terrein van [eiser] duidelijk waarneembaar zijn. Daarmee heeft de gemeente Voorst onomstotelijk kunnen vaststellen dat de volgens de vergunning toegestane transportbewegingen zijn overschreden. Op 10 tot en met 13, 18, 19 en 24 september en 1 tot en met 3 oktober 2001 zijn in totaal 32 overtredingen vastgesteld. Op sommige dagen overtrad [eiser] zelfs meer dan hem wordt verweten. Het door middel van een shovel verslepen van vrachtwagens van en naar de openbare weg dient te worden beschouwd als een af- of aanvoerbeweging in de zin van de vergunning en niet als een interne en daarmee niet gemaximeerde transportbeweging zoals [eiser] heeft aangevoerd. Deze zijn dus opgeteld bij de overige relevante vervoersbewegingen. Een vrachtwagen op het terrein van [eiser], afkomstig vanaf de openbare weg en enige tijd later weer vertrekkend naar de openbare weg, verandert niet van karakter doordat deze zich niet langer op eigen kracht voortbeweegt. De inhoud en herkomst of bestemming van de lading, alsmede het doel van het vervoer zijn gericht op de aan- en afvoer van en voor derden. Interne transporten, waarbij de lading afkomstig is van het terrein van [eiser] en bestemd is voor een andere plek binnen de inrichting zijn niet betrokken bij het vaststellen van de overtredingen.

5. De vordering in de zaak met het rolnummer: 46657 HA ZA 02-338

5.1 [eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] zal verklaren tot goed opposant tegen bedoeld dwangbevel en dit buiten effect zal stellen met veroordeling van de gemeente Voorst in de kosten van het geding.

5.2 [eiser] legt aan de vorderingen de volgende stellingen ten grondslag. Overtreding van de dwangsombeschikking heeft niet plaatsgevonden. Dagelijks zijn zeven af- en aanvoerbewegingen toegestaan, waaraan [eiser] zich heeft gehouden. Dwangsommen zijn niet verbeurd. De gemeente dient de gestelde overtredingen te bewijzen.

6. Het verweer in de zaak met het rolnummer: 46657 HA ZA 02-338

6.1 De gemeente Voorst concludeert tot afwijzing van het verzet van [eiser] tegen het dwangbevel, mitsdien [eiser] gehouden zal zijn te voldoen aan de inhoud van die executoriale titel met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

6.2 De gemeente Voorst voert daartoe het navolgende aan.

Met behulp van de videocamera zijn opnamen gemaakt waarop de transportbewegingen op het terrein van [eiser] duidelijk waarneembaar zijn. Daarmee heeft de gemeente Voorst onomstotelijk kunnen vaststellen dat de volgens de vergunning toegestane transportbewegingen zijn overschreden. Op 13, 14, 16, 19, 20 en 26 november 2001 zijn in totaal 20 overtredingen vastgesteld. Op sommige dagen overtrad [eiser] zelfs meer dan hem wordt verweten. Het door middel van een shovel verslepen van vrachtwagens van en naar de openbare weg dient te worden beschouwd als een af- of aanvoerbeweging in de zin van de vergunning en niet als een interne en daarmee niet gemaximeerde transportbeweging zoals [eiser] heeft aangevoerd. Deze zijn dus opgeteld bij de overige relevante vervoersbewegingen. Een vrachtwagen op het terrein van [eiser], afkomstig vanaf de openbare weg en enige tijd later weer vertrekkend naar de openbare weg, verandert niet van karakter doordat deze zich niet langer op eigen kracht voortbeweegt. De inhoud en herkomst of bestemming van de lading, alsmede het doel van het vervoer zijn gericht op de aan- en afvoer van en voor derden. Interne transporten, waarbij de lading afkomstig is van het terrein van [eiser] en bestemd is voor een andere plek binnen de inrichting zijn niet betrokken bij het vaststellen van de overtredingen.

7. De vordering in de zaak met het rolnummer: 48228 HA ZA 02-594

7.1 [eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] zal verklaren tot goed opposant tegen bedoeld dwangbevel en dit buiten effect zal stellen met veroordeling van de gemeente Voorst in de kosten van het geding.

7.2 [eiser] legt aan de vorderingen de volgende stellingen ten grondslag. Overtreding van de dwangsombeschikking heeft niet plaatsgevonden. Dagelijks zijn zeven af- en aanvoerbewegingen toegestaan, waaraan [eiser] zich heeft gehouden. Dwangsommen zijn niet verbeurd. De gemeente dient de gestelde overtredingen te bewijzen.

8. Het verweer in de zaak met het rolnummer: 48228 HA ZA 02-594

8.1 De gemeente Voorst concludeert tot afwijzing van het verzet van [eiser] tegen het dwangbevel, mitsdien [eiser] gehouden zal zijn te voldoen aan de inhoud van die executoriale titel met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

8.2 De gemeente Voorst voert daartoe het navolgende aan.

Met behulp van de videocamera zijn opnamen gemaakt waarop de transportbewegingen op het terrein van [eiser] duidelijk waarneembaar zijn. Daarmee heeft de gemeente Voorst onomstotelijk kunnen vaststellen dat de volgens de vergunning toegestane transportbewegingen zijn overschreden. Op 17, 18, 19 en 21 december 2001 zijn in totaal 16 overtredingen vastgesteld. Op sommige dagen overtrad [eiser] zelfs meer dan hem wordt verweten. Het door middel van een shovel verslepen van vrachtwagens van en naar de openbare weg dient te worden beschouwd als een af- of aanvoerbeweging in de zin van de vergunning en niet als een interne en daarmee niet gemaximeerde transportbeweging zoals [eiser] heeft aangevoerd. Deze zijn dus opgeteld bij de overige relevante vervoersbewegingen. Een vrachtwagen op het terrein van [eiser], afkomstig vanaf de openbare weg en enige tijd later weer vertrekkend naar de openbare weg, verandert niet van karakter doordat deze zich niet langer op eigen kracht voortbeweegt. De inhoud en herkomst of bestemming van de lading, alsmede het doel van het vervoer zijn gericht op de aan- en afvoer van en voor derden. Interne transporten, waarbij de lading afkomstig is van het terrein van [eiser] en bestemd is voor een andere plek binnen de inrichting zijn niet betrokken bij het vaststellen van de overtredingen.

9. De beoordeling van het geschil

9.1 Gelet op de samenhang vindt gezamenlijke beoordeling plaats.

9.2 Als onweersproken door [eiser] staat vast de mededeling van de zijde van de gemeente Voorst ter comparitie van 16 september 2002, dat door de bevoegde organen van de gemeente procesbesluiten in deze zaken zijn genomen.

9.3 Voor zover [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft willen leggen dat het over zijn terrein verslepen van vrachtwagens, die van derden afkomstig zijn, door middel van een shovel niet als vervoersbeweging in de zin van de vergunning moet worden beschouwd en derhalve geen sprake zou zijn van overtreding van de vergunning, moet deze stelling worden verworpen. Zoals hiervoor is overwogen (onder 2.9 en 2.15) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak dit standpunt ten aanzien van de tweede en derde dwangsom-beschikking uitdrukkelijk verworpen, aan welk oordeel de civiele rechter gebonden is en waarmee deze zich overigens ook -onder overname van de motivering- volledig kan verenigen. Hierdoor ontvalt tevens de grondslag aan deze stelling ten aanzien van de eerste dwangsombeschikking, waar een uitdrukkelijke overweging als bedoeld ontbreekt.

9.4 [eiser] heeft ter voortzetting van de comparitie niet langer betwist dat, gelet op de door de gemeente in het geding gebracht video-opnamen, sprake is van de gestelde transporten van vrachtwagens over zijn terrein en hij acht de tellingen van de gemeente naar aanleiding van deze beelden correct, op enkele uitzonderingen na. Hij heeft voorts erkend dat wanneer de bewegingen enkelvoudig zouden moeten worden geteld, zoals de gemeente heeft gesteld, sprake is van een zodanig aantal overtredingen dat ten aanzien van alle drie de dwangbevelen de maximale dwangsommen zijn verbeurd.

9.5 [eiser] voert echter nader als verweer aan dat de bewegingen niet enkelvoudig moeten worden geteld, zoals de gemeente heeft gedaan, maar dat wanneer twee vrachtwagens gekoppeld worden aan een shovel en aldus over zijn terrein worden versleept, er sprake is van slechts één en niet van twee vervoersbewegingen. Als aldus de vervoersbewegingen worden opgeteld is er ten aanzien van de eerste dwangsom sprake van niet meer dan 10, in plaats van de door de gemeente gestelde 32 overtredingen. Nu daarmee nog niet de maximale dwangsommen ingevolge het eerste dwangbevel waren verbeurd, zijn tevens ten onrechte het tweede en derde dwangbevel uitgevaardigd, aldus [eiser].

De Gemeente heeft dit gemotiveerd betwist.

9.6 In beginsel dient de rechter in een verzetprocedure ervan uit te gaan dat, gelet op de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak in deze alsmede de taakverdeling tussen de civiele rechter en bestuursrechter, de dwangsombeschikkingen zowel wat hun inhoud als wijze van totstandkomen betreft, in overeenstemming zijn met de desbetreffende wettelijke voorschriften en de algemene rechtsbeginselen. Wel heeft de rechter in de verzetprocedure de vrijheid om de last onder dwangsom tot een concreet omschreven prestatie, naar doel en strekking ervan, uit te leggen.

Daargelaten dat in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak wordt uitgegaan van "in tweetal" vervoerde vrachtwagens, volgt het standpunt van [eiser] niet uit tekst en strekking van de last en de daarmee overeenstemmende overtreden bepaling van de milieuvergunning.

Blijkens nummer 17 van de vergunningaanvraag, welke onderdeel van de vergunning uitmaakt, gaat het om aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens en worden de maximale aantallen genoemd, zodat reeds tekstueel moet worden aangenomen dat elke vrachtwagen als een heeft te gelden.

Nu deze bepaling voorts geacht moet worden, mede in het belang van de omwonenden, te strekken tot regulering en maximering van het aantal vrachtwagenbewegingen van en naar de milieuvergunningplichtige inrichting, is het niet met deze strekking te verenigen dat aldus wordt toegestaan dat meer vrachtwagens dan het toegelaten aantal de inrichting via de openbare weg benaderen, gekoppeld over het terrein worden versleept en daarna wederom de inrichting verlaten. Met de gemeente moet dan ook worden geoordeeld dat het gekoppeld verslepen van meer dan één vrachtwagen achter de shovel, leidt tot evenzoveel aan- of afvoerbewegingen als er vrachtwagens zijn.

9.7 Daargelaten dat de Afdeling Bestuursrechtspraak in de uitspraak van 25 september 2002 heeft overwogen dat het voldoende aannemelijk is dat het maximumbedrag uit de eerste dwangsombeschikking was overschreden, moet het verweer van [eiser] dat nog niet de maximale dwangsommen ingevolge het eerste dwangbevel waren verbeurd worden verworpen, gelet op zijn erkenning als onder 9.4 weergegeven.

Nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, vaststaat dat het aantal overtredingen zodanig is geweest dat zowel ten aanzien van het eerste dwangbevel als de twee latere bevelen de maximale dwangsommen zijn verbeurd, liggen de vorderingen voor afwijzing gereed.

Andere gronden die aan invordering van de dwangsommen in de weg zouden staan, zijn gesteld noch gebleken.

9.8 De door de gemeente Voorst gestelde invorderingskosten liggen, behoudens de explootkosten die als verschotten toewijsbaar zijn, in aansluiting op het rapport Voorwerk II voor afwijzing gereed, nu gesteld noch gebleken is dat deze zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor naar luidt van artikel 241 Rv. de artikelen 237-240 Rv. een vergoeding plegen in te sluiten. In zoverre zullen de dwangbevelen buiten effect worden gesteld.

9.9 Als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van de gedingen, waarbij rekening zal worden gehouden met de gezamenlijke behandeling van de zaken en de nagenoeg gelijkluidendheid van het verweer van de Gemeente in de tweede en derde procedure.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

In de zaak met het rolnummer: 46519 HA ZA 02-320

verklaart [eiser], uitsluitend voor zover het betreft de invorderingskosten, tot goed opposant tegen bedoeld dwangbevel en stelt dit buiten effect;

wijst de vordering voor het overige af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente Voorst begroot op € 267,64 aan verschotten en op € 1.430,-- aan salaris voor de procureur;

In de zaak met het rolnummer: 46657 HA ZA 02-338

verklaart [eiser], uitsluitend voor zover het betreft de invorderingskosten, tot goed opposant tegen bedoeld dwangbevel en stelt dit buiten effect;

wijst de vordering voor het overige af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente Voorst begroot op € 267,65 aan verschotten en op € 912,50 aan salaris voor de procureur;

In de zaak met het rolnummer: 48228 HA ZA 02-594

verklaart [eiser], uitsluitend voor zover het betreft de invorderingskosten, tot goed opposant tegen bedoeld dwangbevel en stelt dit buiten effect;

wijst de vordering voor het overige af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente Voorst begroot op € 255,73 aan verschotten en op € 912,50 aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.J.N. van Osch en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2003.