Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF3633

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
30-01-2003
Zaaknummer
02/453 WSFBSF 58
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 02/453 WSFBSF 58

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep te Groningen, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 25 februari 2002.

2. Feiten

Bij uitspraak van 27 oktober 1997 heeft het voormalige College van Beroep studiefinanciering (hierna : het College) eisers beroep tegen een besluit van verweerster

d.d. 27 september 1996 ongegrond verklaard. In genoemd besluit heeft verweerster de toekenning van studiefinanciering aan eiser in de vorm van een rentedragende lening ingaande 1 juli 1995 gehandhaafd, aangezien eiser per die datum -uitgaande van de persoonsgegevens in het bevolkingsregister van de gemeente [naam]- de 27-jarige leeftijd had bereikt.

Op 28 april 2000 is eisers geboortedatum in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) gewijzigd van [geboortedatum] in [geboortedatum2]. In mei 2000 is eiser hiervan in kennis gesteld. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat deze wijziging van zijn geboortedatum met zich brengt dat hij per 1 juli 1995 ten onrechte studiefinanciering in de vorm van een rentedragende lening heeft ontvangen.

Bij uitspraak van 7 december 2001 is eisers verzoek van 19 september 2000 tot herziening van de uitspraak van het College d.d. 27 oktober 1997 door de rechtbank afgewezen, kortgezegd omdat de correctie van eisers geboortedatum heeft plaatsgevonden na bedoelde uitspraak van het College, en mitsdien niet werd voldaan aan de in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan een herziening gestelde voorwaarde dat sprake moet zijn van feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de betreffende uitspraak. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat eisers verzoek tevens valt aan te merken als een verzoek om terug te komen van de besluiten omtrent de wijziging van eisers studiefinanciering per 1 juli 1995, dat als zodanig door verweerster dient te worden behandeld.

Bij primair besluit van 10 januari 2002 heeft verweerster eisers verzoek om terug te komen van de eertijds genomen besluiten met betrekking tot eisers aanspraken op studie-financiering per 1 juli 1995 met toepassing van het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb afgewezen. Verweerster heeft daarbij overwogen dat eiser niet heeft voldaan aan de beleidsmatig gestelde voorwaarde dat herzieningsverzoeken dienen te worden ingediend binnen een redelijke termijn (te weten: zes weken) na het bij de aanvrager bekend worden van de nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2002 vervolgens ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Bij brieven van 10 oktober 2002 en 9 december 2002 heeft verweerster haar standpunt nader toegelicht. Bij brief van 12 december 2002 heeft mr. C. Lubben, verbonden aan SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, zich als gemachtigde van eiser gesteld. Bij brief van 2 januari 2003 heeft voornoemde gemachtigde eisers standpunt toegelicht.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 januari 2003, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Lubben voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E. Merema.

4. Motivering

Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan is de aanvrager ingevolge artikel 4:6 van de Awb gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan ingevolge het tweede lid van genoemd artikel de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers geboortedatum door de bevoegde gemeentelijke instantie op 28 april 2000 in de GBA is gewijzigd van [geboortedatum] in [geboortedatum2]. De rechtbank is van oordeel dat dit gegeven, bezien in het licht van de eerdere besluitvorming aangaande eisers aanspraken op studiefinanciering per 1 juli 1995, een nieuw feit betreft als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Verweerster kan daarbij niet worden gevolgd in haar standpunt, zoals verwoord in het schrijven van 9 december 2002, dat de vraag of er sprake is van een nieuw gebleken feit mede afhankelijk dient te worden gesteld van het tijdsverloop sinds dit feit zich heeft voorgedaan, en dat een periode van zes weken in dit verband een redelijke termijn is waarbinnen nog gesproken kan worden van een nieuw gebleken feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Wetsgeschiedenis noch jurisprudentie bieden naar het oordeel van de rechtbank voor deze beperkte interpretatie van verweerster enig aanknopingspunt.

In aanmerking genomen dat artikel 4:6 voornoemd aan verweerster slechts een discretionaire bevoegdheid verleent indien en voorzover bij een nieuwe aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, was verweerster in het geval van eiser naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd toepassing te geven aan het bepaalde in dat artikel. Gelet hierop komt het bestreden besluit, als berustend op een onjuiste grondslag voor vernietiging in aanmerking.

Met betrekking tot de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, merkt de rechtbank op dat -ook ingeval artikel 4:6 van de Awb toepassing mist- een bestuursorgaan kan weigeren om terug te komen van een eerder besluit. Een zodanige weigering dient naar vaste jurisprudentie te worden geëerbiedigd, tenzij aan de eerdere besluitvorming dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren die besluitvorming ongedaan te maken.

De rechtbank is van oordeel dat de wijziging van eisers geboortedatum door de bevoegde gemeentelijke instantie van 00-00-68 in [geboortedatum2] met zich brengt dat verweerster aan haar eerdere besluitvorming, waarbij eisers studiefinanciering vanwege het bereiken van de 27-jarige leeftijd ingaande 1 juli 1995 is voortgezet in de vorm van een rentedragende lening, in redelijkheid niet kan vasthouden. In dit verband is mede van belang dat verweerster zich blijkens het verhandelde ter zitting ten tijde van die eerdere besluitvorming reeds bewust was van het feit dat de destijds gehanteerde geboortedatum [geboortedatum] een fictieve was.

Dat eiser van de wijziging van zijn geboortedatum niet binnen 6 weken, maar eerst in september 2000 melding heeft gemaakt, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In dit verband acht de rechtbank van belang dat de door verweerster in gevallen als de onderhavige beleidsmatig gehanteerde termijn van 6 weken zodanig kort is, dat deze in redelijkheid eerst na bekendmaking daarvan aan eiser zou kunnen worden tegengeworpen. Blijkens verweersters schrijven van 10 oktober 2002 is de gehanteerde termijn buiten de Informatie Beheer Groep evenwel niet bekendgemaakt, maar is deze slechts gepubliceerd in interne leidraden van de IBG.

Onder die omstandigheden heeft verweerster naar het oordeel van de rechtbank bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet kunnen weigeren om terug te komen van haar eerdere besluitvorming aangaande eisers aanspraken op studiefinanciering per 1 juli 1995.

Gelet hierop bestaat er gaan aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerster zal nader op eisers bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerster te veroor-delen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 1 punt (zitting) toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerster op nader op eisers bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het betaalde griffierecht van €EUR 29 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €EUR 322 , te betalen door de Informatie Beheer Groep, ter zake van verleende rechtsbijstand.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.