Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2003:AF3006

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-01-2003
Datum publicatie
17-01-2003
Zaaknummer
06/080391-01
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2003:AM3132
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer: 06/080391-01

Uitspraak d.d.: 17 januari 2003

tegenspraak / dip - oip

VERKORT VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 april 2002, 23 juli 2002, 15 oktober 2002 en 7 januari 2003.

Ter terechtzitting genomen beslissingen

De rechtbank heeft afwijzend beslist op een ter terechtzitting van 7 januari 2003 gedaan verzoek tot opheffing cq schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte het volgende tenlastegelegd:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2001 tot en met 27 augustus

2001, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en met 27

augustus 2001, in de gemeente Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans opzettelijk, een meisje, genaamd Rowena [R.] (geboren op 30 augustus 1996) van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) in of omstreeks de periode van

1 mei 2001 tot en met 27 augustus 2001, aldaar, meermalen, althans éénmaal,

(telkens) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans (telkens)

opzettelijk, dat meisje

(met grote kracht) met de (tot vuist(en) gebalde) hand(en) in/op/tegen de

buik en/of het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam, geslagen en/of

gestompt en/of

(de knokkels van) de vuist(en) (met kracht) in/tegen/op de buik-/maagstreek

van dat meisje geplaatst/geslagen/gestompt/geduwd en/of (vervolgens) met (de

knokkels van) de vuist(en) een draaiende en/of trekkende beweging gemaakt,

althans dat meisje een zogenaamde trekstoot gegeven, en/of

dat meisje met een (zogenaamde) pottenlikker/flessenlikker, althans een

voorwerp, geslagen en/of

dat meisje (met kleren aan) onder de (koude) douche gezet en/of

dat meisje met kracht vastgepakt en/of

haar geboden dat zij rechtop in bed moest gaan/blijven zitten en niet mocht

gaan slapen en/of

dat meisje (aldus) stelselmatig pijn en/of letsel toegebracht en/of

dat meisje (aldus) geestelijk en/of lichamelijk uitgeput/verzwakt

en/of bij dat meisje op enige wijze de ademhaling belemmerd en/of op dat meisje

anderszins geweld toegepast,

tengevolge van een of meer van bovenomschreven handeling(en) van verdachte

en/of haar mededader(s) dat meisje (dusdanig letsel heeft bekomen en/of

dusdanig geestelijk en/of lichamelijk is uitgeput/verzwakt dat zij als gevolg

daarvan) is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

[verdachte] in of omstreeks de periode van 1 augustus 2001 tot en met 27

augustus 2001, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en

met 27 augustus 2001, in de gemeente Rotterdam en/of elders in Nederland,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een meisje,

genaamd Rowena [R.] (geboren op 30 augustus 1996) van het leven

heeft beroofd, immers heeft die [verdachte] in of omstreeks de periode van 1 mei

2001 tot en met 27 augustus 2001, aldaar, meermalen, althans éénmaal,

(telkens) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans (telkens)

opzettelijk, dat meisje

(met grote kracht) met de (tot vuist(en) gebalde) hand(en) in/op/tegen de

buik en/of het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam, geslagen en/of

gestompt en/of

(de knokkels van) zijn, [medeverdachtes] vuist(en) (met kracht) in/tegen/op de

buik-/maagstreek van dat meisje geplaatst/geslagen/gestompt/geduwd en/of

(vervolgens) met (de knokkels van) zijn, [medeverdachtes] vuist(en) een draaiende

en/of trekkende beweging gemaakt, althans dat meisje een zogenaamde trekstoot

gegeven, en/of

dat meisje met een (zogenaamde) pottenlikker/flessenlikker, althans een

voorwerp, geslagen en/of

dat meisje (met kleren aan) onder de (koude) douche gezet en/of

dat meisje met kracht vastgepakt en/of

haar geboden dat zij rechtop in bed moest gaan/blijven zitten en niet mocht

gaan slapen en/of

dat meisje (aldus) stelselmatig pijn en/of letsel toegebracht en/of

dat meisje (aldus) geestelijk en/of lichamelijk uitgeput/verzwakt

en/of bij dat meisje op enige wijze de ademhaling belemmerd en/of op dat meisje

anderszins geweld toegepast,

tengevolge van één of meer van bovenomschreven handeling(en) van die [medeverdachte] dat

meisje (dusdanig letsel heeft bekomen en/of dusdanig geestelijk en/of

lichamelijk is uitgeput/verzwakt dat zij als gevolg daarvan) is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en met 27 augustus

2001, in de gemeente Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens)

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

(telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door meermalen, althans éénmaal,

- verbaal geweld tegen dat meisje en/of haar zusje [naam] te

gebruiken en/of

- dat meisje zelf te slaan en/of te stompen en/of

- (stilzwijgend) in te stemmen met het (telkens) door die [medeverdachte]

(met grote kracht) met de (tot vuist(en) gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik

en/of het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam, slaan en/of stompen van dat

meisje en/of

(met kracht) plaatsen/slaan/stompen/duwen van (de knokkels van) de vuist van

voornoemde [medeverdachte] in/tegen/op de buik-/maagstreek van dat meisje en/of

(vervolgens) maken van een draaiende en/of trekkende beweging met (de

knokkels van) de vuist van voornoemde [medeverdachte], althans met het geven van een

zogenaamde trekstoot aan dat meisje, en/of

slaan van dat meisje met een (zogenaamde) pottenlikker/flessenlikker, althans

een voorwerp, en/of

onder de (koude) douche zetten van dat meisje (met kleren aan) en/of

met kracht vastpakken van dat meisje en/of

gebieden dat dat meisje rechtop in bed moest gaan/blijven zitten en niet mocht

gaan slapen en/of

(aldus) stelselmatig pijn en/of letsel toebrengen aan dat meisje en/of

(aldus) geestelijk en/of lichamelijk uitputten/verzwakken van dat meisje en/of

- dat meisje binnen het bereik van die [medeverdachte] te brengen en/of te laten en/of

- (aldus) zonder noemenswaardige tegenstand (door daden en/of woorden)

voornoemde [medeverdachte] zijn gang te laten gaan met het onder haar, verdachtes,

ogen plegen van één of meer van bovenomschreven handeling(en) en/of

- (aldus) één of meer van bovenomschreven handeling(en) gepleegd ten opzichte

van Rowena [R.] mede mogelijk te maken en/of

- (aldus) een (gewelddadige) situatie/sfeer te creëren waarin een of meer van

bovenomschreven handeling(en) kond(en) plaatsvinden en/of in stand werd(en)

gelaten en/of werd(en) bevorderd;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 48 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2001

tot en met 27 augustus 2001, in de gemeente Rotterdam en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met [verdachte], althans alleen, aan haar,

verdachtes, kind (te weten een meisje genaamd Rowena [R.],

geboren op 30 augustus 1996), (telkens) opzettelijk en met voorbedachten

rade, althans (telkens) opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten

kneuzingen en/of (inwendige) bloedingen en/of een verstoorde motoriek en/of

in elkaar gedoken en/of voorovergebogen lopen en/of prikkeling en/of kneuzing

van de zenuwen en/of incontinentie), althans enig lichamelijk letsel, heeft

toegebracht, door dat meisje toen aldaar meermalen, althans éénmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met die [medeverdachte], althans alleen, (telkens)

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans (telkens)

opzettelijk,

(met grote kracht) met de (tot vuist(en) gebalde) hand(en) in/op/tegen de

buik en/of het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam, te slaan en/of te

stompen en/of

(de knokkels van) de vuist(en) (met kracht) in/tegen/op de buik-/maagstreek

van dat meisje te plaatsen/slaan/stompen/duwen en/of

(vervolgens) met (de knokkels van) de vuist(en) een draaiende en/of trekkende

beweging te maken, althans dat meisje een zogenaamde trekstoot te geven, en/of

dat meisje met een (zogenaamde) pottenlikker/flessenlikker, althans een

voorwerp, te slaan en/of

dat meisje (met kleren aan) onder de (koude) douche te zetten en/of

dat meisje met kracht vast te pakken en/of

haar te gebieden dat zij rechtop in bed moest gaan/blijven zitten en niet

mocht gaan slapen en/of

dat meisje (aldus) stelselmatig pijn en/of letsel toe te brengen en/of

dat meisje (aldus) geestelijk en/of lichamelijk uit te putten/te verzwakken

en/of bij dat meisje op enige wijze de ademhaling te belemmerd en/of op dat meisje

anderszins geweld toe te passen,

terwijl het feit de dood van dat meisje tengevolge heeft gehad;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 303 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

art 301 lid 1 en 3 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 en 3 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

[verdachte] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei

2001 tot en met 27 augustus 2001, in de gemeente Rotterdam en/of elders in

Nederland, aan haar, verdachtes, kind (te weten een meisje genaamd Rowena

[R.], geboren op 30 augustus 1996), (telkens) opzettelijk en met

voorbedachten rade, althans (telkens) opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel

(te weten kneuzingen en/of (inwendige) bloedingen en/of een verstoorde

motoriek en/of in elkaar gedoken en/of voorovergebogen lopen en/of prikkeling

en/of kneuzing van de zenuwen en/of incontinentie), althans enig lichamelijk

letsel, heeft toegebracht, door dat meisje toen aldaar meermalen, althans

éénmaal, (telkens) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans

(telkens) opzettelijk,

(met grote kracht) met de (tot vuist(en) gebalde) hand(en) in/op/tegen de

buik en/of het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam, te slaan en/of te

stompen en/of

(de knokkels van) de vuist(en) van voornoemde [medeverdachte] (met kracht) in/tegen/op

de buik-/maagstreek van dat meisje te plaatsen/slaan/stompen/duwen en/of

(vervolgens) met (de knokkels van) de vuist(en) van voornoemde [medeverdachte] een

draaiende en/of trekkende beweging te maken, althans dat meisje een zogenaamde

trekstoot te geven, en/of

dat meisje met een (zogenaamde) pottenlikker/flessenlikker, althans een

voorwerp, te slaan en/of

dat meisje (met kleren aan) onder de (koude) douche te zetten en/of

dat meisje met kracht vast te pakken en/of

haar te gebieden dat zij rechtop in bed moest gaan/blijven zitten en niet

mocht gaan slapen en/of

dat meisje (aldus) stelselmatig pijn en/of letsel toe te brengen en/of

dat meisje (aldus) geestelijk en/of lichamelijk uit te putten/te verzwakken

en/of bij dat meisje op enige wijze de ademhaling te belemmerd en/of op dat meisje

anderszins geweld toe te passen,

terwijl het feit de dood van die Rowena [R.] tengevolge heeft gehad,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en met 27 augustus

2001, in de gemeente Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens)

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

(telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door meermalen, althans éénmaal,

- verbaal geweld tegen dat meisje en/of haar zusje [naam]

te gebruiken en/of

- dat meisje zelf te slaan en/of te stompen en/of

- (stilzwijgend) in te stemmen met het (telkens) door die [medeverdachte]

(met grote kracht) met de (tot vuist(en) gebalde) hand(en) in/op/tegen de buik

en/of het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam, slaan en/of stompen van dat

meisje en/of

(met kracht) plaatsen/slaan/stompen/duwen van (de knokkels van) de vuist van

voornoemde [medeverdachte] in/tegen/op de buik-/maagstreek van dat meisje en/of

(vervolgens) maken van een draaiende en/of trekkende beweging met (de knokkels

van) de vuist van voornoemde [medeverdachte], althans met het geven van een zogenaamde

trekstoot aan dat meisje, en/of

slaan van dat meisje met een (zogenaamde) pottenlikker/flessenlikker, althans

een voorwerp, en/of

onder de (koude) douche zetten van dat meisje (met kleren aan) en/of

met kracht vastpakken van dat meisje en/of

gebieden dat dat meisje rechtop in bed moest gaan/blijven zitten en niet mocht

gaan slapen en/of

(aldus) stelselmatig pijn en/of letsel toebrengen aan dat meisje en/of

(aldus) geestelijk en/of lichamelijk uitputten/verzwakken van dat meisje en/of

- dat meisje binnen het bereik van die [medeverdachte] te brengen en/of te laten en/of

- (aldus) zonder noemenswaardige tegenstand (door daden en/of woorden)

voornoemde [medeverdachte] zijn gang te laten gaan met het onder haar, verdachtes,

ogen plegen van een of meer van bovenomschreven handeling(en) en/of

- (aldus) een of meer van bovenomschreven handeling(en) gepleegd ten opzichte

van Rowena [R.] mede mogelijk te maken en/of

- (aldus) een (gewelddadige) situatie/sfeer te creëren waarin een of meer van

bovenomschreven handeling(en) kond(en) plaatsvinden en/of in stand werd(en)

gelaten en/of werd(en) bevorderd;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

art 301 lid 1 en 3 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 en 3 Wetboek van Strafrecht

art 48 Wetboek van Strafrecht

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot

en met 27 augustus 2001, in de gemeente Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met [verdachte], althans alleen, opzettelijk haar kind,

te weten een meisje genaamd Rowena [R.] (geboren op 30 augustus 1996),

tot wiens/wier onderhoud en/of verpleging en/of verzorging zij (als ouder)

krachtens wet en/of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand

heeft gebracht en/of gelaten, immers heeft/hebben verdachte en/of die [medeverdachte]

toen aldaar meermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk

(bij) dat meisje

(met grote kracht) met de (tot vuist(en) gebalde) hand(en) in/op/tegen de

buik en/of het hoofd en/of elders op/tegen het lichaam, geslagen en/of

gestompt en/of

(de knokkels van) de vuist(en) van voornoemde [medeverdachte] (met kracht) in/tegen/op

de buik-/maagstreek geplaatst/geslagen/gestompt/geduwd en/of

(vervolgens) met (de knokkels van) de vuist(en) van voornoemde [medeverdachte] een

draaiende en/of trekkende beweging gemaakt, althans een zogenaamde trekstoot

gegeven, en/of

met een (zogenaamde) pottenlikker/flessenlikker, althans een voorwerp,

geslagen en/of

(met kleren aan) onder de (koude) douche gezet en/of

met kracht vastgepakt en/of

geboden dat zij rechtop in bed moest gaan/blijven zitten en niet mocht gaan

slapen en/of

(aldus) stelselmatig pijn en/of letsel toegebracht en/of

(aldus) geestelijk en/of lichamelijk uitgeput/verzwakt en/of

op enige wijze de ademhaling belemmerd en/of op dat meisje anderszins geweld

toegepast en/of

toegelaten dat één of meer van bovenomschreven handeling(en) (tegen welke

handeling(en) dat meisje zich niet kon verweren) plaatsvonden en/of

(vervolgens)

(terwijl zij en/of die [medeverdachte] wist(en), althans kon(den) vermoeden dat dat

meisje in een zeer zorgelijke en/of slechte lichamelijke en/of geestelijke

toestand verkeerde)

(telkens) geen bijstand/hulp ingeroepen van familie en/of vrienden en/of

kennissen en/of professionele instanties en/of aangeboden hulp van familie

en/of vrienden en/of kennissen (telkens) afgewezen en/of dat meisje

(telkens) adequate (lichamelijke) verzorging en/of adequate voeding en/of

inschakeling van medische hulp/verzorging onthouden en/of is/zijn verdachte

en/of die [medeverdachte] dat meisje (telkens) op geen enkele wijze te hulp gekomen,

terwijl het feit de dood van dat meisje tengevolge heeft gehad;

art 257 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

art 255 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus

2001 tot en met 13 oktober 2001, in elk geval in of omstreeks de periode van

1 juli 2001 tot en met 13 oktober 2001, in de gemeente(n) Rotterdam en/of

Hoek van Holland en/of Putten en/of Harderwijk en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

(telkens) met het oogmerk om het feit, te weten het overlijden van een

meisje, genaamd Rowena [R.], (geboren op 30 augustus 1996) en/of de

oorzaak van het overlijden van dat meisje te verhelen, het lijk van dat

meisje heeft begraven en/of verbrand en/of vernietigd en/of verborgen en/of

weggevoerd en/of weggemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of haar

mededader(s) toen aldaar (telkens) met dat oogmerk, het lijk van dat meisje

in een vriezer gelegd en/of laten liggen en/of (vervolgens) het lijk in

stukken gedeeld en/of (vervolgens) delen van het lijk in een (vuil)container

en/of vuilniszak gedeponeerd en/of (vervolgens) (de overige) delen van het

lijk (te weten onder meer het rompje en/of het hoofd en/of de ledematen)

vervoerd van Rotterdam en/of een gemeente (elders) in Nederland naar Hoek van

Holland en/of Putten en/of Harderwijk en/of een (andere) gemeente (elders) in

Nederland en/of (vervolgens) (die overige) delen van het lijk (te weten onder

meer het rompje en/of het hoofd en/of de ledematen) van dat meisje in

genoemde gemeente(n) in (de nabijheid van) water, althans op enige plek in

genoemde gemeente(n), gedeponeerd;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 151 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2001

tot en met 27 augustus 2001, (telkens) in de gemeente Rotterdam en/of elders

in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen

en/of alleen, (telkens) opzettelijk een meisje genaamd Rowena [R.]

(geboren op 30 augustus 1996) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd

en/of beroofd gehouden, door (telkens) opzettelijk wederrechtelijk dat meisje

op te sluiten in een (zogenaamde) hondenbench, althans in een

hondenhok/hondenkooi;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

Taal en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie ex artikel 348 Sv.

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting van 6 januari 2003 aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging in verband met het schenden van een behoorlijke procesorde en in het bijzonder van schending van het beginsel van "equality of arms".

Door de verdediging is aangevoerd dat het OM expliciet heeft gekozen voor een gesplitste behandeling en dossiervorming, waardoor het OM, anders dan de verdediging, over volledig inzicht in beide strafzaken - die van verdachte en van haar medeverdachte - beschikt.

Vooropgesteld dient te worden dat aan artikel 6 EVRM in het algemeen niet het recht valt te ontlenen op inzage van stukken in zaken tegen medeverdachten.

Voorts geldt dat de officier van justitie een andere rechtspositie inneemt in het strafproces dan de verdediging. Dat de officier van justitie uit dien hoofde ook bekend is met gegevens uit de zaak van (een) medeverdachte(n) betekent niet dat er geen sprake kan zijn van een eerlijk proces.

De rechtbank stelt vast dat stukken in zowel de zaak van de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte] identiek zijn, behoudens de zittingsprocessen-verbaal, de persoonsgerelateerde stukken zoals rapportages van gedragsdeskundigen, reclasseringsrapporten, justitiële documentatie.

Aangezien de rechtbank op grond van de door het PBC en de psychiater [deskundige 1] en de psycholoog [deskundige 2] uitgebrachte rapporten - waarin onder meer is verwezen naar wederzijdse conclusies - wel enig verdedigingsbelang aannemelijk oordeelde bij het kunnen beschikken over een deel van de rapportages van de medeverdachte, heeft de rechtbank de verdediging de forensisch psychiatrische/psychologische beschouwingen van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] doen toekomen, evenals de beschouwingen en het advies van het PBC.

Daarmee is volstaan in verband met de bescherming van de persoonsgerelateerde gegevens van die betreffende verdachte. Immers het gaat het hier om hoogst persoonlijke en gevoelige informatie de levenssfeer van de medeverdachte betreffend. De raadsman van de medeverdachte heeft zich verzet tegen het volledig ter beschikking stellen van de rapporten. Het integraal ter beschikking stellen van de volledige rapporten zou naar het oordeel van de privacy schenden.

Daarbij komt nog dat de raadsman bij alle verhoren die door de rechter-commissaris in het kader van deze zaak en die van de medeverdachte zijn gehouden, waaronder de verhoren van de psychiater [deskundige 3] en de psychologe [deskundige 4] aanwezig is geweest.

Door de raadsman is gesteld dat hij niet kan putten uit dan wel gebruik kan maken van verklaringen die [medeverdachte] ter terechtzitting heeft afgelegd. Waar het mogelijk nieuwe aspecten inzake door [medeverdachte] ter terechtzitting, zoals bij de behandeling op 6 januari 2003, afgelegde verklaringen betreft, bij welke zitting de raadman aanwezig was, had de raadsman gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om de medeverdachte in de onderhavige zaak als getuige ter terechtzitting te doen horen. De verdediging heeft van die gelegenheid evenwel geen gebruik gemaakt, ofschoon zij ter terechtzitting op 23 juli 2002 ook reeds op deze mogelijkheid is gewezen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de beginselen van "equality of arms" of "fair trial" niet zijn geschonden en dat het beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet worden verworpen.

Dat de zaken gesplitst zijn behandeld is een beslissing van de rechtbank geweest, nadat de zaken als zodanig zijn aangebracht en geappointeerd. Ter terechtzitting van 23 juli 2002 heeft de rechtbank reeds afwijzend beslist op een verzoek van de raadsman om een gevoegde danwel een gezamelijke behandeling te doen plaatsvinden. De rechtbank heeft voor deze aanpak gekozen met het oog op het ordelijk doen verlopen van het proces. De rechtbank is bij deze aanpak gebleven nu de tegenstellingen tussen beide verdachten toenamen en de verwijten die zij elkaar in de loop van tijd maakten steeds grimmiger werden.

Bewijsverweer

Door de raadsman is gesteld dat de verklaringen van de verdachten in deze zaak voor het bewijs buiten beschouwing dienen te worden gelaten, gelet op de wijze waarop deze verklaringen zijn verkregen. Door de verdediging is aangevoerd dat het onderzoek van de politie was gefixeerd op het vinden van de doodsoorzaak. Verdachte [naam] is door de teamleider [naam] en het verhoorteam verleid om met de "echte waarheid" te komen. Daarbij zou verdachte verregaand en buiten proportie onder druk zijn gezet, terwijl er op dat moment geen bekentenis was van de medeverdachte, maar haar dat wel werd voorgespiegeld. Tevens zouden de verklaringen van verdachte [naam] aan verdachte [medeverdachte] "gevoerd" zijn en heeft [medeverdachte] die verklaringen vervolgens onderschreven.

De rechtbank stelt het volgende vast en overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte [medeverdachte] is na zijn uitlevering op 18 januari 2002 te 16.55 uur in Nederland in verzekering gesteld.

Verdachte [naam] is op 24 januari 2002 in Nederland in verzekering gesteld.

Verdachte [naam] is (zie 12e verhoor) op 28 januari 2002 te 18.06 uur gehoord, waarbij door de teamleider de navolgende opmerkingen zijn gemaakt:

"Eigenlijk van hart tot hart wil ik nog eens een keer met je praten. Jij weet toch wel waar wij mee bezig zijn of niet?";

en "hij heeft een belofte willen breken [voornaam] en daarom heeft hij jou willen zien en daarom is hij een bekentenis gaan afleggen" en "en in die bekentenis [voornaam], heeft die jou genoemd en niet alleen jou [voornaam], hij heeft zelfs [zusje] genoemd. En ik vind het bere bere erg dat jij hem laat zitten en hem laat zweten, voor dingen die jij ook weet";

"hij heeft alles verteld, hij heeft een bekentenis, dat is het laatste wat ik er op wil zeggen, hij heeft een bekentenis afgelegd met datgene wat er met Rowena gebeurd is"

en

"en wil jij er wat van maken, met jouw kerel die een woord een woord is en een man een man, dan denk ik dat je samen, samen, dat probleem moet oplossen. Dan valt er wat te maken. Dan als je het niet samen doet, valt er niks te maken. Dan heb je een probleem met de kinderrechter, dan heb je een probleem met de Raad van de Kinderbescherming, etcetera".

Ook blijkt uit het 12e verhoor van verdachte [naam] dat door de teamleider [naam] aan haar is medegedeeld dat de medeverdachte [medeverdachte] een bekentenis is gaan afleggen nadat hij aan haar - verdachte [naam] - had medegedeeld dat hij zijn belofte zou gaan breken en dat zij in die bekentenis is genoemd.

Uit het ambtelijk verslag van het 13e verhoor van [voornaam] [naam] op 29 januari 2002 te 10.19 uur, blijkt dat door het verhoorkoppel aan verdachte [naam] is medegedeeld dat verdachte [medeverdachte] een verhaal had verteld en dat zij daarin voor kwam. Aan het slot van het verhoor is aan verdachte [naam] is medegedeeld dat verdachte [medeverdachte] een bekentenis had afgelegd; "Dat hij verteld had over het Dolfinarium, over al dat gereis van hun. Haar werd aangegeven dat zij hierover mocht gaan denken en dat zij nu naar boven mocht naar haar cel".

Aan het begin van het op 29 januari 2002 te 14.55 uur (14e verhoor) aanvangende verhoor verklaart verdachte [naam] tegenover een nieuw verhoorkoppel: "Ik ben bereid om een verklaring af te leggen. Het is niet eerlijk tegenover [medeverdachte] en Rowena".

Verdachte [medeverdachte] heeft blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal 12e verhoor op 24 januari 2002, aanvangende te 19.00 uur, een gedetailleerde verklaring afgelegd over wat er met Rowena zou zijn gebeurd.

Uit het verhoor van 5 februari 2002 te 13.28 uur blijkt dat aan verdachte [medeverdachte] wordt medegedeeld dat verdachte [naam] heeft verklaard dat hij Rowena heeft geslagen.

Gezien de ernst van de tegen verdachte [naam] bestaande verdenking, acht de rechtbank aannemelijk dat zij onder psychische druk heeft gestaan. De vraag is of de hiervoor geschetste verhoorwijze ontoelaatbaar is. Bij de beoordeling van deze kwestie neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte [naam] sedert 24 januari 2002 ervan op de hoogte was dat verdachte [medeverdachte] zijn belofte had verbroken en een verklaring zou gaan afleggen.

Op 28 januari 2002 is haar door de teamleider medegedeeld dat [medeverdachte] een bekennende verklaring had afgelegd. De rechtbank stelt vast, aan de hand van de processen-verbaal, dat de medeverdachte [medeverdachte] op die dag inderdaad een verklaring heeft afgelegd over zijn betrokkenheid bij het overlijden van Rowena en over de betrokkenheid van verdachte [naam] daarbij.

Het is aannemelijk dat verdachte door een en ander druk zal hebben ervaren. Deze druk is echter niet onoorbaar, mede gelet op de ernst van de verdenking.

Het getuigt van zorgvuldigheid in het opsporingsonderzoek dat er voor iedere verdachte met een verschillend verhoorkoppel en een schaduwkoppel is gewerkt. Het door de teamleider inspelen op de gemoedstoestand van verdachte en haar positie als moeder van [zusje], en de kwestie van de gezagvoorziening, verdient naar het oordeel van de rechtbank echter niet de schoonheidsprijs. Dat hiermee extra druk op verdachte is uitgeoefend, acht zij aannemelijk, maar gelet op de bestaande verdenking evenmin ontoelaatbaar.

Door de rechtbank zijn videobanden bekeken van diverse verhoren. Daaruit is niet af te leiden, gelet op de relatief ontspannen indruk die verdachte maakt, dat zij onder uitgeoefende druk heeft geleden of is gebracht tot verklaringen waarvan niet kan worden gezegd dat deze niet in vrijheid zijn afgelegd.

Door de raadsman van verdachte is verzocht om, in het geval de rechtbank de verklaringen van de verdachten als bewijs zou willen bezigen, professor [naam] te benoemen als getuige/deskundige, teneinde de betrouwbaarheid van de verklaringen en de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen te onderzoeken.

De rechtbank wijst dat verzoek af, aangezien zij die verklaringen voldoende betrouwbaar acht. Dit geldt eens temeer nu verdachte [naam] ter terechtzitting van 7 januari 2003 nogmaals uitdrukkelijk heeft aangegeven dat haar 14e verklaring en de later door haar afgelegde verklaringen juist zijn en dat zij daarbij blijft.

Doodsoorzaak / medeplegen van het levensdelict

Uit de rapporten en de verhoren van de geraadpleegde pathologen blijkt dat de staat van ontbinding van de gevonden lijkdelen en de eerdere bevriezing van het lijkje het microscopisch en microbiologisch onderzoek naar de doodsoorzaak hebben bemoeilijkt en dat dit ook van nadelige invloed is geweest op de mogelijkheden om visuele waarnemingen te doen.

Niettemin heeft het onderzoek - zakelijk weergegeven - het volgende opgeleverd.

Onderzoek door en informatie van diverse medisch deskundigen, gezien in samenhang met de waarnemingen van met name de moeder van Rowena, maken het hoogst onwaarschijnlijk dat sprake is geweest van een ziekelijke doodsoorzaak.

Van een toxicologische oorzaak, dat wil zeggen het intreden van de dood door inname van medicijnen en/of alcohol en/of drugs en/of een giftige stof, is niet gebleken.

Uit het dossier c.q. de schaarse gegevens over de medische voorgeschiedenis van Rowena blijkt niet van een erfelijke aanleg voor een bepaalde ziekte met dodelijke afloop.

Er is onderzocht, mede gelet op verklaringen van de verdachte [medeverdachte] over braken door Rowena kort voor haar dood, of zij door inademing van haar eigen braaksel gestikt zou zijn. Er is bij de sectie echter geen braaksel in de diepere luchtwegen aangetroffen en de patholoog die de sectie op het rompje heeft gedaan sluit zo'n doodsoorzaak uit, hetgeen door de patholoog, die alle medische gegevens in het dossier heeft geëvalueerd, wordt onderschreven.

Het bovenstaande leidt ertoe dat, ook gezien het eerdergenoemde evaluatieonderzoek, sterke aanwijzingen bestaan dat de oorzaak van de dood van Rowena vooral gezocht moet worden in het geweld waarvan zij, blijkens een reeks van verklaringen van de beide verdachten, het slachtoffer is geweest.

De rechtbank heeft daarbij gelet op getuigenverklaringen over de wijze waarop de verdachte met opvallend harde hand de kinderen van de medeverdachte placht terecht te wijzen. In het dossier zijn bovendien verklaringen opgenomen over enkele incidenten, waaruit blijkt dat ook de verdachte [naam] geweld - verbaal en lichamelijk - jegens haar kinderen, maar vooral Rowena, niet schuwde.

Ook al verklaart verdachte [naam] dat met grote kracht in de buikstreek van Rowena is geslagen en gestompt, toch heeft dit geweld kennelijk niet geleid tot kwetsuren aan inwendige organen in het rompje - de hersenen waren kennelijk geheel verweekt en niet meer te beoordelen - of tot botbreuken. Dergelijke beschadigingen zouden, aldus het oordeel van de pathologen, door de sectie aan het licht gekomen zijn. Dit ligt kennelijk anders bij huidkneuzingen en bloeduitstortingen, die door postmortale veranderingen als gevolg van bevriezing en het blootstellen van de lijkdelen aan de elementen, niet meer waarneembaar waren. Anders dan de verdachte [medeverdachte] lijkt te veronderstellen, vormt de afwezigheid van bewijs van het laatstbedoelde letsel na de dood echter geen bewijs van de afwezigheid daarvan tijdens leven. Dat er sprake was van bloeduitstortingen en kneuzingen blijkt in voldoende mate uit verklaringen van beide verdachten, in onderlinge samenhang bezien, zowel wat betreft de vaststelling van de aanwezigheid van dit letsel als de gevolgen die deze uiterlijke verschijnselen van geweldstoepassing voor Rowena hadden, waarbij met name het buiten zicht van derden houden van Rowena en de beslissing om ten tijde van de reanimatie geen ambulance te bellen indicatief zijn voor de vermoedelijke omvang van dit letsel.

Het gebrek aan visueel aantoonbaar inwendig letsel als gevolg van geweldstoepassing kan volgens de betrokken pathologen stroken met twee met name genoemde doodsoorzaken.

Dit betreft ten eerste een hartstilstand als gevolg van hartritmestoornissen, die kunnen ontstaan door een harde slag tegen of stoot op de borstkas. De tweede oorzaak betreft de uitwendige ademhalingsbelemmering, door de mond en neus dicht te drukken. Dit leidt tot een hartstilstand door verstikking. In het evaluatieonderzoek wordt als voorbeeld "smoren" genoemd, omdat deze vorm van verstikken kennelijk veelvuldig gezien wordt als doodsoorzaak bij kinderen.

De rechtbank heeft in het dossier noch in de ter zitting afgelegde verklaringen voldoende aanknopingspunten gevonden voor een keuze tussen deze twee resterende, mogelijke oorzaken van de dood van Rowena. Een dergelijke keuze is naar het oordeel van de rechtbank echter niet nodig om te komen tot een bewezenverklaring van de strafrechtelijk verwijtbare handelingen van de beide verdachten, welke gedragingen tot een strafbaar gesteld gevolg - de dood van het meisje - hebben geleid.

Evenmin is het noodzakelijk te kunnen vaststellen of het uiteindelijk intreden van de dood het gevolg is geweest van een cumulatie van lichamelijk geweld (waarbij elk afzonderlijk toegebracht letsel op zich niet dodelijk hoeft te zijn) al dan niet in combinatie met lichamelijke en/of geestelijke uitputting, dan wel het gevolg is geweest van één gewelddadige handeling relatief kort voor het overlijden van Rowena.

De rechtbank merkt in dat kader op dat uit het dossier en het ter zitting verhandelde, naast het materiaal over de aard en omvang van het toegepaste geweld, voldoende blijkt dat Rowena in de laatste twee dagen voor haar dood naar het idee van beide verdachten "op" was en "merkbaar zwakker werd", terwijl zij ook pijnklachten had waarvoor zij pijnstillers kreeg, welk laatste feit ook bij de sectie is gebleken. Weliswaar is naar zeggen van de verdachten in die laatste twee dagen geen geweld gebruikt, maar ter zitting is gebleken dat elk van de verdachten daartoe buiten zicht van de ander in de gelegenheid is geweest. In ieder geval heeft de verdachte [medeverdachte] reden gehad om, terugkijkend naar het overlijden van Rowena, tijdens de politieverhoren te veronderstellen dat hij schade had aangericht waardoor zij was doodgegaan.

Het voorgaande in samenhang bezien voert de rechtbank tot de conclusie dat de dood van Rowena in redelijkheid toegerekend kan worden aan beide verdachten, waarbij ieder een eigensoortig aandeel heeft gehad.

Door op te treden jegens Rowena zoals hiervoor overwogen hebben verdachten de aanmerkelijke kans aanvaard dat het fataal met Rowena zou aflopen. Daardoor is sprake van voorwaardelijk opzet.

Daargelaten de vraag of en in hoeverre verdachte zelf lijfelijk geweld op haar dochtertje heeft toegepast, is vast komen te staan dat zij bij het door medeverdachte [medeverdachte] op haar eigen dochtertje toegepaste geweld aanwezig is geweest.

Door verdachte is geen poging ondernomen hetzij haar partner en medeverdachte [medeverdachte]

- op tijd - ervan te overtuigen dat de door hem uitgevoerde "bestraffingen" van Rowena (veel) te ver gingen en dat ze moesten ophouden, wilden deze niet tot de dood van Rowena leiden, hetzij Rowena daaraan te onttrekken.

Zelfs toen Rowena stervende was heeft zij nagelaten (medische) hulp in te roepen. Door passief te blijven waar ingrijpen juist geboden was heeft verdachte zich gecommitteerd met de gewelddadigheden die de medeverdachte [medeverdachte] op Rowena heeft uitgeoefend. Aldus heeft verdachte het tenlastegelegde medegepleegd.

Zelfs is niet gebleken dat verdachte zich - tijdig - van het toegepaste geweld heeft gedistantieerd. Eerst thans maakt verdachte zich verwijten dat zij het zover heeft laten komen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor medeplegen geen actief handelen van verdachte is vereist.

Verbergen en delen van het lijkje / verspreiding van de delen

Met betrekking tot het verbergen van het lijk van Rowena om haar overlijden te verhelen baseert de rechtbank zich bij haar oordeel dat verdachte [medeverdachte] dit feit heeft gepleegd en verdachte [naam] dat heeft medegepleegd op de verklaring van verdachte [naam] d.d. 29 januari 2002 te 14.55 uur en de daarop volgende bevestiging en uitvoerige omschrijving door verdachte [medeverdachte] d.d. 5 februari 2002 te 13.28 uur van het in de vrieslade stoppen van het lijkje.

Kortgezegd komt een en ander erop neer dat verdachte [medeverdachte] aan verdachte [naam] zegt: "Ik heb ze maar in de vriezer gedaan" en dat verdachte [naam] aan verdachte [medeverdachte] heeft gezegd bang te zijn dat de deur van de vriezer open zou gaan, waarop verdachte [medeverdachte] gezegd heeft er iets voor te zullen zetten. Aldus staat vast dat verdachten in onderling overleg het lijk hebben verborgen.

Uit een computersimulatie blijkt dat het lijkje in de vriezer paste.

Dat sprake is geweest van verbergen in een vriezer wordt naar het oordeel van de rechtbank ook bevestigd door het sectierapport met betrekking tot het rompje, waaruit blijkt dat bepaalde wonden daarop heel wel ontstaan kunnen zijn door het losmaken van vastgevroren delen.

De rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte [naam] op enigerlei wijze betrokken is geweest bij of op de hoogte is geweest van het klieven van het lijk en het dumpen van de verschillende delen op verschillende plaatsen.

Partiële vrijspraak / geen moord maar doodslag

Niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde moord heeft begaan, aangezien niet is gebleken van een kalm overleg en een rustig nadenken met het oogmerk om Rowena te doden.

De rechtbank is er niet van overtuigd dat de stelselmatige en in ernst toenemende "bestraffingen" over een periode van enkele weken waren bedoeld om Rowena te doden.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag en het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij in de periode van 1 mei 2001 tot en met 27 augustus 2001, in de gemeente

Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, een meisje,

genaamd Rowena [R.] (geboren op 30 augustus 1996) van het leven

heeft beroofd, immers

hebben verdachte en haar mededader in de periode van 1 mei 2001 tot en met 27 augustus 2001, aldaar, meermalen, telkens opzettelijk, dat meisje

met grote kracht met de (tot vuist gebalde) hand tegen de buik

en het hoofd en elders tegen het lichaam, geslagen en gestompt

en/of

dat meisje met een (zogenaamde) pottenlikker/flessenlikker, geslagen en/of

dat meisje (met kleren aan) onder de koude douche gezet en/of

dat meisje met kracht vastgepakt en/of

haar geboden dat zij rechtop in bed moest gaan/blijven zitten en niet mocht

gaan slapen en

dat meisje aldus stelselmatig pijn en/of letsel toegebracht

en dat meisje aldus geestelijk en lichamelijk uitgeput/verzwakt

en/of bij dat meisje op enige wijze de ademhaling belemmerd en/of op dat meisje

anderszins geweld toegepast,

tengevolge van bovenomschreven handelingen van verdachte

en haar mededader dat meisje (dusdanig letsel heeft bekomen en/of

dusdanig geestelijk en/of lichamelijk is uitgeput/verzwakt dat zij als gevolg

daarvan) is overleden;

2.

zij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2001 tot en met 13 oktober 2001,

in de gemeente Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk om het feit, te weten het overlijden van een

meisje, genaamd Rowena [R.], (geboren op 30 augustus 1996) en/of de

oorzaak van het overlijden van dat meisje te verhelen, het lijk van dat

meisje heeft verborgen, immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar met

dat oogmerk het lijk van dat meisje in een vriezer gelegd en laten liggen;

3.

zij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2001 tot en met 27 augustus 2001,

(telkens) in de gemeente Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk een meisje, genaamd Rowena [R.]

(geboren op 30 augustus 1996), wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd

en beroofd gehouden, door (telkens) opzettelijk wederrechtelijk dat meisje

op te sluiten in een (zogenaamde) hondenbench.

Wat meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte be-hoort daarvan te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, laten naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen andere conclusie toe dan dat verdachte, door de handelwijze jegens Rowena als reeds overwogen, zich tenminste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmer-kelijke kans dat haar dochtertje Rowena daardoor zou komen te overlijden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

feit 1 primair: medeplegen van doodslag;

feit 2: het medeplegen van een lijk verbergen, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

feit 3: het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aanne-melijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Over verdachte zijn verschillende rapporten opgemaakt, te weten een multidisciplinair rapport van het Pieter Baan Centrum gedateerd 16 juli 2002, opgemaakt door de psycholoog [deskundige 4] en de psychiater [deskundige 3], een rapport gedateerd 29 november 2002

opgemaakt door de psycholoog [deskundige 2] en een rapport gedateerd 30 november 2002 opgemaakt door de psychiater [deskundige 1].

Deze rapporten in onderlinge samenhang bezien leiden tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling

van de geestvermogens en dat zij ( volgens het PBC met uitzondering van het onder 2 tenlastegelegde feit ) terzake van de - thans bewezen verklaarde - feiten als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Met die algemene conclusie kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt die conclusie over en met name ook de conclusie van de

onafhankelijke deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] dat verdachte terzake van het onder 2 tenlastegelegde eveneens als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen-verklaarde en de omstandigheden waar-onder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De eerdergenoemde rapportages houden als conclusies en advies onder meer het volgende in:

Het PBC is van oordeel dat verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis welke tot uiting komt in afhankelijkheid, gebrek aan emotionele zelfstandigheid, conflictvermijding en een niet toereikende gevoelsafweer. Betrokkene heeft de sterke neiging om opkomende gevoelens van angst en woede weg te drukken door deze gevoelens en hun oorzaken intuïtief te loochenen.

De kans op herhaling van delicten als thans onder 1 en 3 bewezenverklaard wordt door het PBC bepaald niet uitgesloten geacht indien betrokkene in een soortgelijke situatie verzeild raakt (een relatie met een beschermende, overheersende en tegenover kinderen hardhandige partner).

Geadviseerd wordt de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen met bevel tot verpleging van overheidswege. De behandeling van betrokkenes persoonlijkheidsstoornis vergt volgens rapporteurs een langdurige therapie waardoor zij emotioneel dermate kan verzelfstandigen dat er van vergaande afhankelijkheid en loochening geen sprake meer zal zijn.

De onafhankelijke gedragsdeskundigen zijn eveneens van oordeel dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, echter in de zin van een borderline persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke kenmerken.

Uit de beschouwingen van de psychiater [deskundige 1] en de psycholoog [deskundige 2] volgt dat deze stoornis onder andere tot uitdrukking komt in idealisatie en later in geringschatting van de ander (partner), in veelvuldige mechanismen van aantrekking en afstoten, in sterke gevoelens van leegte en verveling, verlatingsangst en instabiele persoonlijke contacten en relaties.

In de periode voorafgaande aan de tenlastegelegde feiten heeft betrokkene zich in een afhankelijk positie gemanoeuvreerd waarbij zij haar partner sterk idealiseerde en daardoor onvoldoende kritisch in staat was zich van diens handelen te distantiëren Ten aanzien van haar agressiehuishouding is opvallend dat zij iedere vorm van agressie categorisch ontkent.

In haar relatie met medeverdachte [medeverdachte] lijkt zij haar agressie als het ware aan hem "uitbesteed" te hebben door zich uitermate afwachtend en weinig daadkrachtig op te stellen.

Ten aanzien van de kans op herhaling wordt het aangaan van instabiele relaties als een potentieel gevaarlijk situatie onderkend, waarbij het ontbreken van zicht op haar eigen agressiehuishouding als extra complicerende factor moet worden beschouwd.

De kans dat zij opnieuw een instabiele relatie aangaat wordt groot geacht, maar anderzijds wordt de kans op een combinatie van een dergelijke relatie met een situatieve afhankelijkheid van de kant van verdachte [naam] (zoals in de specifieke relatie met

medeverdachte [medeverdachte], waarin sprake is van een vrij unieke combinatie van karakterstructuren) niet groot geacht.

Gezien het relatief geringe recidivegevaar voor feiten als tenlastegelegd achten de externe rapporteurs een maatregel in de zin van een TBS niet geïndiceerd. Geadviseerd wordt om betrokkene in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf een verplicht reclasseringscontact op te leggen in combinatie met een ambulante psychotherapeutische behandeling, onder meer in verband met haar problematische omgang met agressie.

Zoals uit het vorenstaande blijkt komen de hiervoor genoemde deskundigen ongeacht de aard van de persoonlijkheidsstoornis tot vrijwel dezelfde slotsom ten aanzien van de toerekenbaarheid, zodat de rechtbank de aard van de stoornis verder in het midden kan laten.

Door de Stichting Reclassering Nederland is - in navolging van een eerdere rapportage d.d. 8 maart 2002 - in haar rapport van 2 januari 2003 aangegeven dat, in het geval de aanbevelingen van de beide rapporteurs Pro Justitia mochten worden overgenomen, alle mogelijke maatregelen getroffen zijn (zoals aangegeven in het in het rapport aangegeven plan van aanpak). Voorts is door de rapporteur aangegeven dat het genoemde plan van aanpak ook gerealiseerd kan worden in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, voor welke optie ook al voorbereidingen zijn getroffen.

Verdachte heeft aan rapporteur aangegeven voor haar persoonlijkheidsstoornis behandeld te willen worden, hetgeen zij ter terechtzitting van 7 januari 2003 heeft herhaald.

De rechtbank vindt het rapport van de externe deskundigen aangaande de recidivekans overtuigender dan het rapport van het PBC. Daarbij komt dat de psycholoog [deskundige 2] kan worden beschouwd als specialist op het gebied van kindermishandeling.

De rechtbank volgt derhalve het rapport van de externe deskundigen in zoverre dat de maatregel van TBS met verpleging niet nodig is ter voorkoming van herhaling.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting, voormelde rapportages en hetgeen door de gedragsdeskundigen in aanvulling daarop bij de rechter-commissaris is verklaard, is de rechtbank van oordeel dat de kans op recidive van feiten als de onderhavige - anders dan het rapport van het PBC - als niet groot moet worden ingeschat en dat het aspect van de beveiliging van de maatschappij een maatregel in de zin van een TBS niet eist. De rechtbank acht een TBS met bevel tot behandeling van overheidswege dan ook een te ver gaande maatregel.

De rechtbank heeft overwogen, temeer nu verdachte uitdrukkelijk heeft aangegeven open te staan voor een behandeling van haar problematiek, om de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden als bedoeld in artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht te leggen.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank evenwel een lange gevangenisstraf op zijn plaats. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen als ook de mogelijkheid om een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het feiten geldt het volgende.

Verdachte heeft toegelaten dat haar mededader stelselmatig en in intensiteit toenemend lijfelijk geweld heeft toegepast jegens haar dochtertje Rowena, een weerloos kind van slechts 4 jaar oud.

Verdachte had als moeder van Rowena juist een bijzondere zorgplicht voor haar kind, dat mocht vertrouwen op geborgenheid, veiligheid en warmte. Het is schrijnend te moeten

constateren hoezeer verdachte haar zorgplicht heeft veronachtzaamd door passief te blijven, terwijl Rowena stelselmatig werd geslagen, gestompt en vernederd, zodanig dat dit uiteindelijk heeft geleid tot haar dood. Het is nauwelijks voorstelbaar hoezeer Rowena - ook

geestelijk - heeft geleden onder de door de medeverdachte uitgeoefende terreur en het in de steek gelaten worden door haar moeder.

De dood van Rowena zal bij nabestaanden en andere dierbaren ongetwijfeld blijvend leed en gevoelens van onmacht tot gevolg hebben. Een strafoplegging, in welke vorm dan ook, dit verlies nimmer ongedaan zal kunnen maken.

De levensbeneming en de ontluisterende wijze waarop met het lijkje van Rowena is omgesprongen door haar in een vrieskist te stoppen en gedurende vele dagen daar te bewaren, hebben binnen Nederlandse samenleving tot ontzetting geleid en heeft de gemeenschap ernstig geschokt.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van na te melden duur op zijn plaats.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 47, 57, 151, 282, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte de onder 1 primair tenlastegeleg-de moord heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde doodslag en het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlas-tegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt ver-dachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

feit 1 primair: medeplegen van doodslag;

feit 2: het medeplegen van een lijk verbergen, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen;

feit 3: het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden, meermalen gepleegd.

Verklaart de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar.

Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerleg-ging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis en in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Van Oosten, voorzitter, Van Beuge en Prisse, rech-ters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier en uitge-sproken op de openbare terechtzitting van 17 januari 2003.