Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AF3107

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-12-2002
Datum publicatie
24-01-2003
Zaaknummer
01 / 1417 WSFBSF 58
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Reg.nr.: 01 / 1417 WSFBSF 58

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [plaats], eiseres,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gevestigd te Groningen, verweerster.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerster van 1 oktober 2001, kenmerk URI1853.01/BBJ/ALG5 3717-78532-

0-08.

2. Feiten

Eiseres heeft op 24 februari 2001 een aanvraag voor studiefinanciering ingediend voor de

door haar met ingang van 1 februari 2000 aangevangen duale opleiding commerciële

economie aan de Hogeschool te Enschede. Daarbij heeft eiseres verzocht om met

terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2000 in aanmerking te komen voor studiefinanciering.

Bij bericht 2000, no. 1 van 4 mei 2001 is aan eiseres ingaande 1 februari 2000

studiefinanciering toegekend.

Bij bericht 2000, no. 2 van 19 mei 2001 is de aan eiseres toegekende studiefinanciering

alsnog over de periode van februari tot september 2000 ingetrokken en teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

3. Procesverloop

Door eiseres is beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerster

heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 maart 2002, waar eiseres in persoon is

verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw mr. M. Wiersma.

Nadien is het onderzoek heropend en heeft verweerster vragen van de rechtbank

beantwoord. Het beroep is vervolgens behandeld ter nadere zitting van 19 december 2002

waar eiseres wederom is verschenen. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door

mevr. T. Holtrop.

4. Motivering

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerster haar besluitvorming heeft gebaseerd op

de bepalingen van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), zoals die wet sedert

1 september 2000 geldt.

In aanmerking genomen dat het hier handelt om aanspraken en verplichtingen van eiseres,

welke betrekking hebben op een vóór 1 september 2000 liggende periode, is de rechtbank

van oordeel dat verweerster haar besluitvorming dienaangaande had dienen te baseren op

de bepalingen van de Wet op de studiefinanciering (Wsf), zoals die wet tot 1 september 2000

gold. Anders dan verweerster meent kan hieraan noch afdoen dat eiseres deze

studiefinanciering heeft aangevraagd op enig moment na 1 september 2000, noch dat

verweerster eerst na 1 september 2000 heeft besloten tot herziening van die

studiefinanciering.

De rechtbank heeft in de artikel 12.13 en 12.14 van de Wsf 2000, welke artikelen betrekking

hebben op de verhouding tussen de Wsf (oud) en Wsf 2000, geen aanknopingspunten

gevonden voor een andersluidend oordeel.

Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit, als berustend op een onjuiste wettelijke

grondslag, voor vernietiging in aanmerking.

In het kader van de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen

blijven, zal de rechtbank beoordelen of verweerster, gelet op de toepasselijke bepalingen

van de Wsf, het recht op studiefinanciering over de periode van februari tot september 2000

terecht heeft herzien en teruggevorderd.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Ingevolge de artikelen 1, eerste lid, en 32, tweede lid, van de Wsf worden toelagen

uitsluitend toegekend over perioden van tenminste één kalendermaand en vindt toekenning

van studiefinanciering niet plaats voor een periode die is gelegen voorafgaand aan de datum

van indiening van het verzoek daartoe.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de in bovengenoemde artikelen neergelegde

systematiek met zich mee brengt dat geen studiefinanciering met terugwerkende kracht kan

worden toegekend.

Nu niet in geschil is dat de aanvraag van eiseres dateert van 24 februari 2001 moet derhalve

worden geoordeeld dat de toepasselijke wettelijke voorschriften aan de oorspronkelijke

toekenning van studiefinanciering per 1 februari 2000 in de weg stonden.

Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waar enig

algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zou nopen tot toekenning in strijd met de wettelijke

bepalingen, danwel van een situatie welke verweerster zou nopen tot toepassing van de in

artikel 131 van de Wsf vervatte hardheidsclausule. In dit verband acht de rechtbank van

belang dat eiseres niet heeft kunnen aantonen dat met betrekking tot haar aanspraken op

studiefinanciering zijdens verweerster in het verleden onjuiste informatie is verstrekt, als

gevolg waarvan zij in februari 2000 zou hebben afgezien van het indienen van een aanvraag.

Blijkens het verhandelde ter zitting heeft eiseres in februari 2000, naar haar zeggen door de

tegenstrijdige informatie welke haar van de zijde van verweerster bereikte, bewust een

aanvraag achterwege gelaten, uit vrees voor een mogelijke terugvordering. Naar het oordeel

van de rechtbank heeft eiseres hiermee een zeker risico genomen, en had van eiseres

kunnen worden verwacht dat zij in februari 2000 – juist in verband met de vermeende

onduidelijke informatieverstrekking van de IBG –zekerheidshalve een aanvraag om

studiefinanciering had ingediend.

Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op het bepaalde in artikel 55, eerste lid en onder c,

van de Wsf, was verweerster derhalve in beginsel bevoegd om de studiefinanciering te

herzien.

Met betrekking tot de wijze waarop verweerster van die bevoegdheid gebruik gemaakt acht

de rechtbank allereerst van belang dat de toekenning van studiefinanciering op 4 mei 2001

door verweerster reeds na korte tijd, te weten op 19 mei 2001, is herzien.

Blijkens de gedingstukken, alsmede gelet op het verhandelde ter zitting, was het op het

moment van die herziening voorts nog niet tot uitbetaling van de studiefinanciering over de in

geding zijnde periode gekomen, maar is de op 4 mei 2001 toegekende studiefinanciering

(hoewel deze op 19 mei 2001 deels was herzien) om administratief technische redenen in

juni 2001 volledig tot uitbetaling gekomen.

Gelet hierop, en gelet op het feit dat verweerster aanleiding heeft gezien de herziening te

beperken tot de periode van februari tot en met augustus 2000, is de rechtbank van oordeel

dat de wijze waarop verweerster van haar bevoegdheid tot herziening gebruik heeft gemaakt

de (beperkte) rechterlijke toets kan doorstaan. Met name kan niet gesteld worden dat

verweerster bij afweging van de daartoe in aanmerking komende belangen in redelijkheid

niet tot haar besluit tot gedeeltelijke herziening heeft kunnen komen.

Voorts dient ingevolge artikel 58 van de Wsf hetgeen teveel aan studiefinanciering is betaald

te worden terugbetaald dan wel verrekend.

Gelet op het voorgaande kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand

blijven.

Niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten als bedoeld in

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het gestorte griffierecht ad € 27,23 aan eiseres

vergoedt;

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep open

bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.