Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AF2604

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
03-01-2003
Zaaknummer
50631 FA RK 02-2174
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Zesde enkelvoudige kamer

Beschikking : 18 december 2002

Zaaknummer : 50631 FA RK 02-2174

Beschikking in de zaak van:

[verzoekers],

echtgenoten,

respectievelijk verder te noemen:

de moeder en de stiefvader,

beiden wonende te [plaats],

procureur: mr. M.H. Hogeman,

en

[verweerder]

wonende te [plaats],

verder te noemen: de vader,

advocaat : mr. W.J.C. Schalken.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen op 31 oktober 2002;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 4 december 2002.

De vaststaande feiten

Uit het huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] te [plaats], gemeente [plaats], geboren: [zoon].

Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 1991 is tussen de moeder en de vader de echtscheiding uitgesproken. Krachtens beschikking van deze rechtbank van 8 april 1992 is de moeder belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [zoon] voornoemd.

De minderjarige [zoon] voornoemd heeft zijn gewone verblijfplaats bij de moeder en de stiefvader.

Het verzoek

De moeder en de stiefvader verzoeken dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking van 8 april 1992 voor wat betreft het gezag over de minderjarige [zoon] voornoemd zal wijzigen en zal bepalen dat de moeder voortaan gezamenlijk met de stiefvader met het ouderlijk gezag over de minderjarige [zoon] belast zal zijn.

De moeder en de stiefvader stellen dat de gevraagde gezagsvoorziening in het belang van de minderjarige is. Verzoekers voeren aan dat zij op 19 oktober 2000 met elkaar zijn gehuwd en dat de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige. De moeder en de stiefvader vormen samen met [zoon] een gezin.

Daarnaast stellen verzoekers dat zij gedurende meer dan één jaar gezamen-lijk de zorg voor de minderjarige hebben gehad en de moeder is al minimaal drie jaar alleen met het gezag over [zoon] belast.

Het verweer

De man verzoekt dat de rechtbank het verzoek zal afwijzen. Hij betwist dat het verzoek in het belang van de minderjarige [zoon] is. Ingeval van inwilliging van het verzoek vreest de vader dat het contact tussen hem en de minderjarige [zoon] verloren zal gaan. De vader stelt dat hij medeverantwoordelijk is voor de opvoeding van de minderjarige voornoemd en hij wenst aan die medeverantwoordelijkheid zowel in feitelijke zin als in formele zin inhoud te geven

Het advies

De vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming adviseert het onderhavige verzoek af te wijzen.

De beoordeling

De moeder en de stiefvader zijn ontvankelijk in hun verzoek nu is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 1:253t leden 1 en 2 Burgerlijk Wetboek.

De minderjarige [zoon] voornoemd is in de gelegenheid gesteld zijn mening omtrent het verzoek aan de rechtbank kenbaar te maken. Hij verzet zich er niet tegen dat de moeder en de stiefvader gezamenlijk het ouderlijk gezag over hem zullen uitoefenen.

Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verstandhouding tussen verzoekers en de vader veel te wensen over laat. In het verleden zijn de spanningen tussen hen zodanig opgelopen dat de minderjarige [zoon] klem dreigde te raken tussen zijn ouders. Voorts staat vast dat in de hiervoor beschreven situatie in de loop der tijd nauwelijks verbetering is opgetreden en dat [zoon] onverminderd bloot staat aan risico's tengevolge van de slechte verstandhouding tussen zijn vader en moeder. De rechtbank sluit niet uit dat het verzoek tegen de achtergrond van deze voortdurende strijd wordt gedaan.

Op geen enkele wijze is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat het in het belang van de minderjarige zou zijn dat de positie van de partner van zijn moeder versterkt zou moeten worden ten opzichte van de positie die zijn vader nu inneemt.

Nu bij inwilliging van het verzoek de mogelijkheid bestaat dat het kind in een verdergaand loyaliteitsconflict komt, is er gegronde vrees dat de belangen van de minderjarige [zoon] in die zin zullen worden verwaarloosd. De rechtbank zal, mede in het licht van de belangen van de vader, het verzoek daarom afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Krijger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2002, in tegenwoordig-heid van G.J. van Keulen, griffier.