Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AF2281

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
51272 / KG ZA 02-429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KG 2003, 26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

SECTOR CIVIEL

VOORZIENINGENRECHTER

kort gedingnummer: 51272 / KG ZA 02-429

vonnis van : 20 december 2002

Vonnis in kort geding in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOLLETJE B.V.,

gevestigd te Almelo,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A.A. TER BEEK B.V.,

gevestigd te Almelo,

eisers bij dagvaarding van 5 december 2002,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mr. P.A.M. Hendrick te Amsterdam,

tegen:

[gedaagde],

wonende te Apeldoorn,

gedaagde,

procureur: mr. A.C.G. Reezigt,

advocaat: mr. M.A.A. van Wijngaarden te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna mede Bolletje en [gedaagde] genoemd.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- Bolletje heeft onder overlegging van producties [gedaagde] gedagvaard tegen de openbare zitting van 12 december 2002.

- Ter zitting heeft [gedaagde] onder overlegging van een productie een incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid genomen. Vervolgens heeft [gedaagde] onder overlegging van producties geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van Bolletje in de proceskosten.

- Partijen hebben hun standpunten aan de hand van pleitnota's mondeling toegelicht.

- Bolletje heeft ter zitting nog een productie overgelegd waartegen [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt.

- Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd.

2. VASTSTAANDE FEITEN

In dit geding wordt van het volgende uitgegaan:

2.1 Bolletje is een bedrijf dat zich onder meer bezig houdt met de productie van beschuiten. Bolletje levert deze beschuiten aan afnemers die de beschuiten aan de consument verkopen.

2.2 In oktober 2002 heeft Bolletje, onder begeleiding van een uitgebreide reclamecampagne, een beschuit met een nieuwe vorm op de markt gebracht. In de rand van deze beschuit is een inkeping aangebracht waardoor het voor de consument gemakkelijker wordt de beschuit uit de verpakking te halen dan voorheen het geval was.

2.3 Kort nadat deze beschuit te koop was, heeft [gedaagde] Bolletje meegedeeld dat hij in het bezit is van een octrooi dat een beschuit met inkeping beschrijft. Dit octrooi heeft hij op 17 juni 1999 aangevraagd, op 19 december 2000 is het ingeschreven en op 1 februari 2002 is het onder nummer NL 101 2379 uitgegeven.

2.4 Partijen hebben vervolgens onderhandelingen gevoerd, echter tot nu toe zonder resultaat.

2.5 De media hebben met medewerking van [gedaagde] over deze kwestie diverse malen gepubliceerd.

3. DE VORDERING, DE GRONDEN EN HET VERWEER

3.1 Bolletje vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal verbieden:

1. enige mededeling te doen aan de media en/of afnemers van Bolletje en overige derden waar het gaat om de handhaving en/of geldigheid van het Nederlandse octrooi NL 101 2379 en de beweerdelijke inbreuk die Bolletje daarop zou maken, totdat in een bodemprocedure over de geldigheid van NL 101 2379 en/of de beweerdelijke inbreuk daarop definitief zal zijn beslist

2. tot het in rechte betrekken van afnemers van Bolletje terzake van beweerdelijke inbreuk op NL 101 2379

en voorts [gedaagde] zal veroordelen:

3. tot betaling van een dwangsom van t 100.000,-- per keer dat [gedaagde] de hiervoor geformuleerde verboden overtreedt;

4. in de kosten van deze procedure.

3.2 Bolletje legt aan deze vorderingen in het licht van de vaststaande feiten het volgende ten grondslag. Het octrooi van [gedaagde] zal zonder twijfel nietig worden verklaard nu de daarin beschreven uitvinding niet nieuw is. Dit weet [gedaagde] ook, althans hij kan dit weten. Ondanks deze wetenschap heeft [gedaagde] indertijd gedreigd de media te zullen gaan benaderen en tegen de afnemers van Bolletje een kort geding te zullen gaan voeren met geen ander doel dan Bolletje in de onderhandelingen onder druk te zetten. Inmiddels heeft [gedaagde] zijn eerste dreigement uitgevoerd. In diverse dagbladen zijn artikelen verschenen waarin [gedaagde] verklaart dat Bolletje zich schuldig maakt aan inbreuk op zijn octrooi en hem voor een schijntje wil afkopen. Ook op radio en televisie is de vermeende octrooi-inbreuk door Bolletje aan de orde geweest. Door zich openbaar in genoemde zin uit te laten, handelt [gedaagde] onrechtmatig jegens Bolletje. De reputatie, eer en goede naam van Bolletje worden daardoor geschaad nu het publiek en ook de afnemers van Bolletje, afkerig zullen worden van een onderneming waarvan gezegd wordt dat die profiteert van het onrechtmatig gebruik van ideeën van derden. Bovendien heeft een octrooi-inbreuk ook nog een strafrechtelijk aspect in zich. [gedaagde] heeft voorts geen enkel belang bij het dagvaarden van de afnemers van Bolletje. Een eventueel uit te vaardigen verbod op grond van octrooi-inbreuk, dat uitsluitend gericht is tegen Bolletje, is voldoende. Indien [gedaagde] de afnemers toch in rechte gaat betrekken heeft dat als resultaat dat de afnemers afkerig worden gemaakt van de producten van Bolletje. Het voeren van procedures louter en alleen om zo in de onderhandelingen de druk op de wederpartij op te voeren is eveneens onrechtmatig jegens Bolletje. Dat [gedaagde] er slechts op uit is Bolletje onder druk te zetten, blijkt alleen al uit het feit dat hij, ondanks eerdere aanzeggingen, tot nu toe heeft nagelaten Bolletje in kort geding te dagvaarden.

3.3 [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop zo nodig in het hierna volgende zal worden ingegaan.

4. DE BEOORDELING

4.1 Het door [gedaagde] opgeworpen verweer dat de voorzieningenrechter te Zutphen niet bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen, zal worden gepasseerd.

Op zichzelf is juist dat ingevolge artikel 80 lid 1 onder a van de Rijksoctrooiwet 1995 alle octrooigeschillen tot de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank 's-Gravenhage behoren. Echter nu Bolletje niet als grondslag van haar vordering heeft gesteld dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig handelt omdát het octrooi nietig is, kan de vraag of hiervan sprake is, een vraag waarover de voorzieningenrechter te 's-Gravenhage zich dus dient te buigen, onbeantwoord blijven. Alle stellingen en weren die op dit aspect betrekking hebben, zullen dan ook onbesproken blijven. Ter beoordeling staat slechts of [gedaagde], tegen de achtergrond van de discussie tussen partijen over de geldigheid van het octrooi en gelet op zijn uitlatingen over deze discussie in de media, in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die hem jegens Bolletje betaamt.

4.2 Op de ter zitting door Bolletje in het geding gebrachte productie zal geen acht worden geslagen. Deze productie is zó laat ingediend dat [gedaagde] er geen kennis van heeft kunnen nemen, laat staan dat hij de mogelijkheid heeft gehad om er inhoudelijk op te reageren.

4.3 Ter ondersteuning van haar stelling dat er inderdaad sprake is van onrechtmatige uitlatingen in de media, heeft Bolletje melding gemaakt van het feit dat in twee televisieprogramma's de aan Bolletje verweten octrooi-inbreuk aan de orde is geweest. Nu onduidelijk is of [gedaagde] aan deze programma's heeft meegewerkt, zal hieraan geen verdere aandacht worden besteed. Bolletje heeft voorts de volgende krantenartikelen overgelegd: een artikel uit het Algemeen Dagblad van 26 november 2002, een artikel uit de Haagsche Courant van dezelfde datum, een artikel uit het Dagblad van het Noorden van 27 november 2002 dat gelijkluidend is aan het artikel uit de Haagsche Courant, twee artikelen uit Tubantia van respectievelijk 27 november en 2 december 2002 en een artikel uit het Nederlands Dagblad van 3 december 2002 dat identiek is aan het artikel uit Tubantia van 2 december 2002.

Bolletje heeft hierover gesteld dat het slechts een bloemlezing is. Bolletje laat echter na te vermelden welke kranten nog meer over partijen en hun geschil hebben bericht. Er zal dan ook van worden uitgegaan dat het bij deze artikelen is gebleven.

De door Bolletje gewraakte passages in deze artikelen luiden als volgt:

in het Algemeen Dagblad:

""De afgelopen maanden heeft de beschuitproducent geprobeerd [gedaagde] af te kopen, ze boden een habbekrats. Daar ben ik niet op ingegaan", reageert de uitvinder, "Ik ben octrooihouder en ik mag ook volgens de Octrooiwet voor die uitvinding mijn geld opeisen." Door die grootte (van de beschuitmarkt, voorzieningenrechter) loopt het bedrag dat Bolletje aan [gedaagde] schuldig is behoorlijk op."

in de Haagsche Courant en het Dagblad van het Noorden:

"Het lumineuze idee van het beroemde beschuitje met inkeping dat Bolletje in september met veel tamtam lanceerde blijkt anders dan de concerntop veronderstelde helemaal niet te zijn ontsproten aan het brein van de commerciële directeur (…) of meneer het gepikt heeft is niet bekend (…) de heer [voornaam] [gedaagde] uit Apeldoorn beweert de uitvinding al veel eerder te hebben gedaan en omdat hij als uitvinder van professie ook zijn brood moet verdienen eist hij wat geld - en niet zo'n klein beetje ook."

in de Tubantia van 27 november 2002:

" Oorlog om beschuit met inkeping is begonnen. [gedaagde] wil geld zien voor zijn octrooi. Hij eist een stevig bedrag want bij Bolletje rollen jaarlijks miljoenen beschuiten van de band en sinds een paar maanden zijn ze allemaal voorzien van de door [gedaagde] geclaimde inkeping".

en tot slot in de Tubantia van 2 december 2002 en het Nederlands Dagblad van 3 december 2002:

"Desnoods haalt [voornaam] [gedaagde] alle Bolletje-beschuiten terug: Bolletje wil [gedaagde]' octrooi nietig laten verklaren, de uitvinder op zijn beurt wil een verkoopverbod van de ingekeepte beschuitjes afdwingen; 16 miljoen rollen per jaar verkoopt Bolletje. Met elk 13 beschuiten, allemaal voorzien van [gedaagde]' handige handvaatje; het is een goed octrooi verzekert hij; want het bod van Bolletje was niet serieus te nemen; mij de mond snoeren en het ene proces na het andere voeren. En maar hopen dat ik er op een gegeven moment de brui aan zal geven. Het rijke bedrijf tegen het kleine uitvindertje. Maar er zijn al vrienden en familieleden die een ander merk kopen, zonder inkeping. Uit solidariteit."

waarbij het in deze artikelen - zo betoogt Bolletje - er steeds op neer komt dat [gedaagde] beweert een geweldig idee te hebben gekregen, dat hij dat idee door middel van een octrooi heeft vastgelegd, dat het geen twijfel lijdt dat zijn octrooi geldig is, dat Bolletje zijn octrooi schendt, althans op dat recht inbreuk maakt en dat Bolletje hem heeft geprobeerd af te kopen voor een habbekrats maar dat hij daar niet op is ingegaan nu er veel geld op tafel moet komen.

4.4 Hoewel valt aan te nemen dat Bolletje de in dit verband door [gedaagde] in de krant gemaakte opmerkingen niet waardeert, zijn deze, anders dan Bolletje meent, niet van zodanige aard dat zij het predikaat onrechtmatig verdienen. De in de artikelen weergegeven uitlatingen van [gedaagde] zijn niet meer dan een weergave van de tot nu toe tussen partijen voorgevallen gebeurtenissen. Ze zijn niet onjuist noch onvolledig. Voor zover Bolletje meent dat ze wel onvolledig zijn omdat [gedaagde] niet vermeldt dat het octrooi nietig is zodat Bolletje ten onrechte beschuldigd wordt van octrooi-inbreuk, neemt Bolletje een te groot voorschot op de toekomst. Vooralsnog is het zo dat het octrooi geldig en in het bezit van [gedaagde] is. Voorts valt niet in te zien waarom [gedaagde] niet tegen de krant zou mogen zeggen dat zijn octrooi geldig is en dat hij hier niet aan twijfelt. [gedaagde] valt hoogstens te verwijten zich af en toe van subjectief en gechargeerd taalgebruik te hebben bediend, een verwijt dat Bolletje ook valt te maken nu zij ter zitting heeft verklaard dat zij bang is om als "een dief aan de ontbijttafel" te worden neergezet. De opmerking dat vrienden en familieleden van [gedaagde] uit solidariteit andere beschuiten zijn gaan eten, is weliswaar minder prettig voor Bolletje maar in samenhang met de context en de verklaring van [gedaagde] de ruzie met Bolletje onplezierig te vinden, kan niet worden aangenomen dat deze woorden schadelijk voor Bolletje zijn.

4.5 Met inachtneming van het voorgaande luidt de conclusie dan ook dat de uitlatingen die [gedaagde] - tot nu toe - in de pers heeft gedaan niet onrechtmatig jegens Bolletje zijn. Bolletje heeft evenmin aangetoond dat er een serieuze dreiging is dat [gedaagde] op korte termijn onrechtmatige uitlatingen zal gaan doen. De vordering onder 1. zal dan ook worden afgewezen. Bij dit oordeel wordt echter nog het volgende overwogen. [gedaagde] heeft aangegeven zelf de pers te hebben ingeschakeld omdat hij de misleidende mededeling van Bolletje dat zij zelf de inkeping had bedacht, wilde corrigeren. Voorts heeft [gedaagde] niet bestreden dat hij reeds enige tijd dreigt met het voeren van een kort geding met als inzet een verbod op de octrooi-inbreuk maar dat hij deze stappen nog niet heeft ondernomen. Indien [gedaagde] in de toekomst echter zijn onenigheid met Bolletje via de pers blijft uitvechten zonder op korte termijn rechtsmaatregelen te nemen, is het niet uitgesloten dat op zeker moment zijn gebruik van de media wel een onrechtmatig karakter jegens Bolletje verkrijgt.

4.6 De vordering onder 2 zal eveneens worden afgewezen. Zoals hiervoor vermeld, bezit [gedaagde] op dit moment een geldig octrooi op beschuiten met een inkeping, beschuiten zoals door Bolletje aan haar afnemers worden geleverd. Het belang dat [gedaagde] heeft om dit octrooi in rechte te handhaven tegenover deze afnemers gaat boven het belang dat Bolletje heeft dat haar afnemers niet in de discussie worden betrokken. Overigens is het maar de vraag of afnemers dan afkerig van Bolletje worden; Bolletje heeft deze stelling op geen enkele wijze nader toegelicht of onderbouwd. In hoeverre [gedaagde] belang heeft bij eventuele acties richting afnemers is aan hem zelf om te beoordelen.

4.7 Bolletje zal dus volledig in het ongelijk worden gesteld en zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. BESLISSING

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:

1. wijst de vorderingen af;

2. veroordeelt Bolletje in de kosten van het geding die voor zover gevallen aan de zijde van [gedaagde] tot op deze uitspraak worden begroot op t 193,-- wegens verschotten en t 703,36 wegens salaris procureur;

3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. J.G. Luiten, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2002 in tegenwoordigheid van mr. H.C. Wichers Hoeth, griffier.

HW/LU