Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AF0504

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-05-2002
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
99/148R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging. In belang van concurrente crediteuren wordt tussentijdse beëindiging tegen het einde van de looptijd geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te Zutphen

Vonnis van de enkelvoudige kamer

X.,

Wonende te P.,

Het verloop van de procedure:

het verloop blijkt uit:

· het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, ingekomen op 19 juli 1999;

· het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van 12 augustus 1999;

· het vonnis van 12 augustus 1999;

· de beschikking van de rechter-commissaris ter zake het vrij te laten bedrag van 16 september 1999;

· het verzoek van de bewindvoerder van 3 januari 2001;

· het proces-verbaal van verhoor ex artikel 327 van de Faillissementswet van 16 mei 2002;

· het verzoek van de bewindvoerder van 30 januari 2002;

· het proces-verbaal van de terechtzitting ex artikel 350 van de Fallissementswet van 16 mei 2002;

· de verslagen van de bewindvoerder.

Het Beëindigingsverzoek:

De bewindvoerder heeft verzocht om de toepassing van de schuldsanering te beëindigen. X. is opgeroepen en verschenen teneinde te worden gehoord te terechtzitting van 16 mei 2002. het proces-verbaal van verhoor dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

Als grond voor de beëindiging is aangevoerd dat X. nieuwe schulden laat ontstaan en al geruime tijd niet meer aan de boedel afdraagt. Bovendien komt hij de reeds tijdens het op 7 februari 2001 gehouden verhoor gemaakte afspraken niet na. Zo heeft hij onder meer nagelaten om voor 28 februari een ontwerpsaneringsplan in te dienen en informatie aan de belastingdienst en de gemeente P. te verschaffen. Ten gevolge van deze nalatigheid is door de belastingdienst aan X. een ambsthalve aanslag inkomstenbelasting opgelegd en door de gemeente P. de bijstandsuitkering geblokkerd.

Het verweer:

X. heeft als verweer tegen het beëindigingsverzoek aangevoerd dat hij door de woningbouwvereniging uit zijn woning aan Y. te P. is ontruimd. Daardoor is hij belangrijke papieren, onder andere zijn jaaropgave, kwijtgeraakt. Inmiddels bewoont hij een kamer.

Ten aanzien van zijn inkomsten voert X. aan dat hij steeds te korte periodes heeft gewerkt waardoor hij niet in aanmerking kwam voor een WW-dan wel een Ziektewetuitkering. Nog steeds is hierover geen duidelijkheid. Dit is ook de reden waarom hij niet meer aan de boedel heeft afgedragen.

Zijn laatste werkgever heeft bij het GAK betalingsonmacht aangemeld. Recentelijk is hij in verband met een virus voor 10 dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest.

De beoordeling

Bij vonnis van deze kamer van 12 augustus 1999 is ten aanzien van X. de definitieve schuldsaneing uitgesproken:

ter gelegenheid van het op 7 februari 2001 gehouden verhoor heeft X. toegezegd om uiterlijk 28 februari 2001 een ontwerpsaneringsplan in te dienen. In dit saneringsplan zou hij een voorstel doen met betrekking tot de looptijd van de schuldsaneringsregeling, het vinden van een reguliere en betaalbare woning, het vinden en aanvaarden van een betaalde baan, aflossing van de na de toepassingverklaring van de schuldsaneringsregeling ontstane nieuwe schulden, het verschaffen van de benodigd informatie aan de bewindvoerder en overigens zich te houden aan de verplichtingen voortvloeiende uit de weteelijke schuldsaneringsregeling.

Een ontwerpsaneringsplan is nimmer bij de rechtbank en evenmin bij de bewindvoerder binnengekomen. Na 7 februari 2001 heeft de bewindvoerder niets meer van X. vernomen.

In deze schuldsaneringsregeling is nog geen saneringsplan vastgesteld. De in artikel 352 van de Faillissmentswet bedoelde termijn van drie jaar bijna is verstreken.

Een tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350, lid 3, sub c., d. of e. van de Faillissementswet heeft tot gevolg dat een schuldenaar van rechtswege in staat van faillissement komt te verkeren. Gevolg hiervan zal zijn dat de concurrente crediteuren op wiens vordering de schuldsaneringsregeling van toepassing is, zo er al enig boedelactief, geen uitkering zullen kunnen verwachten.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging af wijzen.

De rechtbank zal de looptijd van de schuldsaneringsregeling als na te melden vaststellen en voorts een datum bepalen waarop de behandeling ex artikel 352 van de Faillissementswet zal plaatsvinden. Ter gelegenheid van die behandeling zal de rechtbank tevens beoordelen of X. in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting is tekortkoming of deze aan X. kan worden toegerekend.

De beslissing:

De rechtbank, rechtdoende,

wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging af;

bepaalt de looptijd van de schuldsaneringsregeling op 36 maanden, ingaande 12 augustus 1999 en eindigende op 12 augustus 2002;

bepaalt dat de behandeling waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandel zal worden gehouden op woensdag 14 augustus 2002 te 13.45 uur, in het gebouw aan de Martinetsingel nr. 2 te Zutphen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.H. Westhuis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 mei 2002.