Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE9783

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-09-2002
Datum publicatie
05-11-2002
Zaaknummer
41989 HAZA 01-874
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 41989 HAZA 01-874

Uitspraak: 5 september 2002

Vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1],

eisende partij,

procureur: mr. I.L. Kortenhoff.

en

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

procureur: mr. E. Smit.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als de vrouw en de man.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ de dagvaarding d.d. 31 juli 2001

­ de conclusie van eis tevens akte houdende overlegging producties

­ de conclusie van antwoord

­ het tussenvonnis van 13 december 2001, waarbij een comparitie van partijen is gelast

­ het proces-verbaal van de op gehouden comparitie van partijen d.d. 28 februari 2002 met aangehechte stukken

­ de conclusie van repliek, tevens houdende akte vermeerdering van eis

­ de conclusie van dupliek

­ de akte uitlating producties van de zijde van de vrouw.

2. De vaststaande feiten

Partijen zijn op 4 juli 1968 in algehele gemeenschap met elkaar gehuwd. Partijen zijn 9 juni 1997 feitelijk uit elkaar gegaan. Zij voeren sinds 1 juli 1997 een gescheiden financiële huishouding. Bij beschikking d.d. 25 maart 1999 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 2 augustus 1999 is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand. Bij genoemde beschikking heeft de rechtbank voorts de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld met bepaling van de door de man aan de vrouw te betalen uitkering wegens overbedeling. Nadat beide partijen hoger beroep hadden aangetekend tegen voornoemde beschikking, heeft het gerechtshof te Arnhem de beschikking vernietigd en -opnieuw rechtdoende- de verdeling vastgesteld in haar beschikking van 12 oktober 1999.

3. De vordering

3.1 De vrouw vordert -na wijziging- dat de rechtbank de man bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen om

- mee te werken aan splitsing van de lijfrentepolis afgesloten bij Centraal Beheer dan wel aan de vrouw de helft van de premievrije waarde van deze polis per 2 augustus 1999 uit te keren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 1999;

- binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan de vrouw alle noodzakelijke informatie te verschaffen met betrekking tot de in eigen beheer opgebouwde pensioenvoorziening;

- de helft van de waarde per 2 augustus 1999 van de in eigen beheer opgebouwde pensioenvoorziening binnen twee maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het in deze te wijzen vonnis af te storten bij een door de vrouw aan te geven verzekeraar, althans - indien de man aantoont dat dit in redelijkheid niet van hem gevergd kan worden - de man te veroordelen de vrouw ter zake van haar aandeel in de pensioenrechten zekerheid te verstrekken in de vorm van een eerste hypothecaire inschrijving op de hem in eigendom toebehorende onroerende zaken;

- subsidiair, als de vrouw geen aanspraak kan doen gelden op de pensioenvoorziening in eigen beheer vanwege het feit dat deze voorziening is vrijgevallen, aan de vrouw te betalen 50 % van de waarde van de vrijgevallen voorziening.

3.2 De vrouw legt aan haar vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten de navolgende stellingen ten grondslag.

3.3 Partijen zijn er bij de totstandkoming van de boedelscheiding van meet af aan over eens geweest dat de opgebouwde pensioenvoorzieningen wettelijk verevend zouden worden. Dat is ook in voornoemde gerechtelijke beschikkingen vastgelegd.

3.4 Eerst bij de uitvoering van die beschikkingen is gebleken dat de lijfrentepolis bij Centraal Beheer niet bij de verdeling was betrokken. Partijen dachten dat de polis verdeeld kon worden conform de bepalingen van de Wet Verevening Pensioenrechten na Scheiding (hierna te noemen Wet VPS). Dit bleek echter niet mogelijk te zijn. De man is niet bereid mee te werken aan het alsnog verdelen van dit vermogensbestanddeel.

3.5 Tot de opgebouwde pensioenvoorzieningen behoort ook de door de man in de besloten vennootschap [gedaagde] Beheer B.V. (hierna te noemen de B.V.) in eigen beheer opgebouwde voorziening zoals in de balans van de B.V. staat vermeld. De vrouw heeft recht op verevening daarvan conform de Wet VPS. Aangezien het in dat geval onzeker is of haar aandeel in die rechten t.z.t. wel verzilverd kan worden, wenst zij afstorting van haar deel.

3.6 Pas nadat voornoemde beschikkingen zijn gegeven en de vrouw aandrong op verevening, heeft de man haar meegedeeld dat de voorziening inmiddels vrijgevallen was. Het al dan niet blijven bestaan van de voorziening komt voor rekening en risico van de man. Als de voorziening niet verdeeld wordt, had met die voorziening ook geen rekening gehouden moeten worden bij de berekening van de te verdelen waarde van de aandelen van de B.V. In dat geval is de waarde van die aandelen hoger en heeft zij nog recht op de helft van het meerdere, hetgeen dan gelijk dient te zijn aan de helft van de vrijgevallen voorziening.

4. Het verweer- voor zover van belang-

4.1 De man concludeert dat de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans deze haar zal ontzeggen en binnen twee maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het in deze te wijzen het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.2 De man voert de navolgende verweren aan.

4.3 Partijen zijn er steeds van uitgegaan dat de lijfrentepolis behoorde tot de pensioenvoorzieningen die volgens de Wet VPS verevend zou worden, hetgeen later niet mogelijk bleek. Dit vermogensbestanddeel is dus niet vergeten. De thans door de vrouw gevorderde splitsing dan wel uitkering van de helft van de waarde per 2 augustus 1999 is niet overeengekomen. Door de lijfrentepolis niet te verdelen is de vrouw niet voor meer dan een/vierde benadeeld.

4.4 Er was ten tijde van de echtscheiding geen concrete oudedagsvoorziening gevormd doch slechts een fiscale reservering getroffen in de B.V. Dat kan niet aangemerkt worden als een pensioen in eigen beheer waarop de Wet VPS van toepassing is.

4.5 Subsidiair, in het geval dat de pensioenvoorziening wel voor verevening in aanmerking komt, merkt de man op dat de pensioenvoorziening in eigen beheer is opgebouwd tot en met 1998. In 1999 bleek dat die voorziening, gelet op het reeds bestaande renteniersplan, niet was toegestaan. Daarom is toen besloten om de voorziening te laten vrijvallen. Daarover is belasting betaald. Van een pensioenvoorziening was aldus ten tijde van de echtscheiding, te weten op 2 augustus 1999, geen sprake.

4.6 Deze wijziging kan er niet toe leiden dat de waarde van de aandelen hoger moet worden vastgesteld, want de waarde daarvan is bindend vastgesteld. Ook is de vrouw door de wijziging niet voor meer dan een/vierde benadeeld.

5. De beoordeling van het geschil

De lijfrentepolis

5.1 Vast staat dat partijen de lijfrentepolis wilden verdelen in die zin dat zij de uitkeringen bij helfte wilden verdelen op de manier zoals aangegeven in de Wet VPS. De situatie dat later is gebleken dat een zodanige verdeling van de lijfrentepolis niet mogelijk is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekwalificeerd als een gemeenschappelijke dwaling omtrent de waarde van een te verdelen goed, zoals de man stelt. Door de onmogelijkheid van de afgesproken verdeling kan er niet op die wijze verdeeld worden, zodat er eerder sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3:179 Burgerlijk Wetboek, namelijk dat onbedoeld een goed van de gemeenschap niet is verdeeld. Om die reden kan de vrouw een nadere verdeling van de lijfrentepolis vorderen.

5.2 Primair vordert de vrouw medewerking van de man aan een splitsing bij helfte van de polis zelf. Nu de vrouw onbetwist heeft gesteld dat volgens Centraal Beheer de polis gesplitst kan worden en de man daartegen geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering van de vrouw in zoverre worden toegewezen.

De pensioenvoorziening

5.3 In de eerst plaats betwist de man dat er ooit sprake is geweest van een pensioenvoorziening in de zin van de Wet VPS. Volgens artikel 4 van die wet is dat het geval bij een pensioenregeling op grond van een pensioentoezegging in de zin van artikel 2 eerste lid van de Pensioen- Spaarfondsenwet, terwijl artikel 2,aanhef onder c aangeeft dat een aanspraak op pensioen nog niet hoeft te bestaan, doch dat een uitzicht daarop voldoende is voor de toepasselijkheid van de Wet VPS. Het gaat er dus om dat er een pensioentoezegging is. De Memorie van Toelichting bij voornoemde wet zegt daar zelfs over dat het niet uit maakt of het om een schriftelijke of een mondelinge toezegging gaat. Uit diezelfde Memorie van Toelichting blijkt dat de Wet VPS ook toepasselijk is op pensioenregelingen die directeuren-grootaandeelhouders in eigen beheer treffen. In casu blijkt uit de overgelegde stukken dat op de balans van de B.V. van 1996, 1997 en 1998 steeds een voorziening is opgenomen ten bedrage van respectievelijk f 104.640,--, f 121.345,-- en f 142.085,--, terwijl in de toelichting op de balans van 1996 de volgende tekst staat vermeld:

Pensioenverplichting directie

Betreft een aan de heer J.M. [gedaagde] toegezegd ouderdoms-, weduwen- en wezenpensioen. Per 20 december1996 is door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders besloten de pensioengerechtigde leeftijd te verlagen tot 60 jaar. Een gedeelte van het toegezegde pensioen groot f 42.876 is bij een verzekeringsmaatschappij ondergebracht, het restant wordt in eigen beheer opgebouwd. Per ultimo 1996 bedraagt de voorziening f 104.640.……………

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande duidelijk dat sprake was van een pensioentoezegging aan de man in zin van de Wet VPS.

5.4 Voorts heeft de man gesteld dat er op 2 augustus 1999, de datum van de echtscheiding, geen voorziening en dus ook geen pensioentoezegging meer bestond. Blijkens de overgelegde beschikking van de rechtbank Zutphen is de echtscheidingsprocedure aangevangen op 23 februari 1998. Op dat moment was de pensioentoezegging in ieder geval nog aanwezig. Blijkens de beschikking d.d. 25 maart 1999, waarbij de echtscheiding werd uitgesproken waren partijen het erover eens dat de pensioenen van de man wettelijk zouden worden verevend. Tijdens de procedure is uitgebreid aan de orde geweest de berekening van de waarde van de tussen partijen te verdelen aandelen van de B.V. door drs. [A] d.d.30 oktober 1998 en de financiële stukken waarop laatstgenoemde zich gebaseerd heeft. In die stukken wordt de pensioenvoorziening ook vermeld evenals de pensioentoezegging zoals hiervoor onder 5.3 weergegeven. Bij de onderhandelingen tussen partijen over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, die blijkens de beschikking in die periode hebben plaatsgevonden, mocht de vrouw er daarom van uitgaan dat er een pensioentoezegging was op basis van de opgebouwde voorziening in de balans van de B.V. en dat deze tussen partijen verevend zou worden volgens de Wet VPS. Onder die omstandigheden kon de man tijdens de echtscheidingsprocedure niet zonder meer eenzijdig wijziging brengen in de aanspraken van de vrouw op een deel van zijn ouderdomspensioen zonder dit bekend te maken zodat het in de onderhandelingen en/of de procedure meegenomen kon worden. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij eerst na de procedure bij het Gerechtshof te Arnhem, dus na 12 oktober 1999 en dus ook ruimschoots na de echtscheidingsdatum en de datum waarop de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen was vastgesteld, door de man op de hoogte is gesteld van de beslissing om de pensioenvoorziening op te heffen. Om die reden is hij verplicht de vereveningsovereenkomst met de vrouw na te komen en dient de opheffing van de voorziening voor zijn rekening te blijven. Het feit dat de pensioenvoorziening opgeheven is omdat -zoals de man stelt- deze niet toegestaan was, maakt dat niet anders. De rechtbank begrijpt deze stelling van de man aldus dat hij geen speciaal fiscaal voordeel kon verkrijgen in verband met de voorziening, maar dat maakt de pensioentoezegging niet van onwaarde of nietig. Hetzelfde geldt voor het feit dat de man belasting heeft betaald over de vrijgevallen voorziening, aangezien dat een gevolg is van de eenzijdige beslissing van de man op een moment dat hij daar niet meer eenzijdig over mocht beslissen. Rekening houden met die belasting zou erop neerkomen dat de vrouw onrechtmatig zou worden gekort in haar rechten op grond van de Wet VPS.

5.5 Het voorgaande betekent dat de vrouw in beginsel recht heeft op verevening van de pensioentoezegging zoals die staat vermeld in de financiële stukken die aangehecht zijn aan voornoemde berekening van drs. [A]. Het gaat derhalve om de pensioenvoorziening van f 142.085,--(€ 64.475,36) uit de balans van de B.V. van 1998, zijnde de voorziening zoals die laatstelijk was tijdens de echtscheidingsprocedure en dus ook nog tijdens het huwelijk van partijen Nu de pensioenvoorziening is opgeheven en er niets meer te verevenen valt, acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw een geldsbedrag van de man ter beschikking krijgt dat nodig is om een ouderdomspensioen voor haarzelf in te kopen dat vergelijkbaar is met het deel van het ouderdomspensioen van de man waarop zij aanspraak had kunnen maken als voornoemde pensioenvoorziening volgens de Wet VPS was verevend. Dit geldt temeer nu het onder de gegeven omstandigheden niet in de rede ligt dat de man alsnog een pensioenvoorziening in eigen beheer ten behoeve van de vrouw opbouwt. Uit de primaire vordering van de vrouw op dit punt blijkt dat zij vindt dat de helft van het bedrag van de pensioenvoorziening nodig is voor zo'n vergelijkbare pensioenvoorziening. Aangezien de man dat niet heeft betwist en hij er zich ook niet op beroept dat het afstorten van een dergelijk bedrag in redelijkheid niet van hem gevergd kan worden, zal de vordering van de vrouw tot afstorting tot een bedrag van € 32.237,68 worden toegewezen.

5.6 Door voornoemde toewijzing heeft de vrouw geen belang meer bij haar vordering tot het verschaffen van de noodzakelijke informatie over de pensioenvoorziening. Om die reden zal die vordering worden afgewezen.

5.7 Nu de primaire vordering van de vrouw ter zake de pensioenvoorziening wordt toegewezen, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de subsidiaire vordering op dit punt.

5.8 De proceskosten zullen, nu partijen voormalige echtelieden zijn, aldus worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

veroordeelt de man om mee te werken aan splitsing van de lijfrentepolis afgesloten bij Centraal Beheer onder nummer 4-512360;

veroordeelt de man om binnen twee maanden na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis een bedrag van € 32.237,68 af te storten bij een door de vrouw aan te geven professionele verzekeraar;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.M. Boon en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2002.

bn/gb