Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE7962

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-06-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
44495 HAZA 01-1304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Verzwijging bij aanvraag verzekering.

RECHTBANK ZUTPHEN

Rolnummer: 44495 HAZA 01-1304

Uitspraak: 13 juni 2002

Vonnis van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de zaak tussen:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

procureur: mr. A.J.H. Ozinga,

advocaat: mrs. H.J. Smit en I. Brinkman te Rotterdam,

en

de naamloze vennootschap

ACHMEA PENSIOEN- EN LEVENSVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Apeldoorn,

gedaagde partij,

procureur: mr. S.W. Knoop,

advocaat: mr. A.S. Fransen van de Putte te Amsterdam.

Partijen worden in dit vonnis mede aangeduid als [eiser] en Achmea.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

­ de dagvaarding d.d. 18 december 2001;

­ de conclusie van eis, tevens akte houdende overlegging producties;

­ de conclusie van antwoord met producties;

­ de conclusie van repliek met producties;

­ de conclusie van dupliek.

2. De vaststaande feiten

2.1 In mei 1988 heeft [eiser], geboren in [geboortedatum], jurist en adjunct-directeur van een bank, een levensverzekering afgesloten bij een rechtsvoorgangster van Achmea, nadat door hem een gezondheidsverklaring was ingevuld.

De vraag in deze gezondheidsverklaring "Lijdt of hebt u geleden aan bezwaren van het zenuwgestel, overwerktheid, overspanning, geestelijke aandoeningen, zenuwziekte, toevallen, flauwtes" en de vraag "Lijdt u of hebt u geleden aan enige andere ziekte, kwaal of gebrek" zijn door [eiser] ontkennend beantwoord.

Bij vragen over zijn familie heeft [eiser] ingevuld dat zijn vader is overleden ten gevolge van een ongeval.

De gezondheidsverklaring is door [eiser] ingevuld tijdens zijn verblijf in Engeland, waar hij verbleef van 1986 tot 1988. Hij heeft daar tweemaal zijn Engelse huisarts geraadpleegd, in januari 1987 in verband met allergie en in mei 1987 wegens ernstige pijn onderin de rug, waarvoor hij zich tot een orthopedisch chirurg heeft gewend.

2.2 In november 1988 is [eiser] wegens klachten van depressieve aard door zijn huisarts doorverwezen naar een psychiater.

In 1999 namen zijn depressiviteitklachten toe. Sinds 30 september 1999 is [eiser] korte tijd opgenomen geweest in het Regionaal Psychiatrisch Centrum [plaats] in verband met de toenemende ernst van zijn depressies; tijdens deze opname werd een bipolaire-II-stoornis bij [eiser] vastgesteld.

Sinds eind september 1999 is [eiser] volledig arbeidsongeschikt ten gevolge van genoemde stoornis.

2.4 Op 8 november 2000 heeft [eiser] aan de rechtsvoorgangster van Achmea schriftelijk verzocht om vrijstelling van premiebetaling voor de levensverzekering wegens arbeidsongeschiktheid door depressies. Daarbij heeft hij aangegeven dat de depressies zich voor het eerst hebben voorgedaan omstreeks 1980 en voorts dat hij in 1986 voor het eerst een psychiater heeft geraadpleegd.

2.5 Bij brief van 5 april 2001 heeft Achmea de door [eiser] afgesloten levensverzekering vernietigd op grond van artikel 251 van het Wetboek van Koophandel, waarbij zij [eiser] heeft verweten, dat deze haar bij de acceptatie van de levensverzekering informatie over zijn relevante gezondheidsklachten en bezoeken aan huisartsen en specialisten heeft onthouden en dat hij een onjuiste oorzaak van het overlijden van zijn vader heeft opgegeven.

3. De vordering

3.1 [eiser] vordert dat de rechtbank bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal verklaren voor recht dat rechtsgeldig tussen [eiser] en Achmea een overeenkomst tot levensverzekering tot stand is gekomen en dat deze onverkort van kracht blijft, alsmede te verklaren voor recht dat Achmea met de vernietiging van de overeenkomst tot levensverzekering toerekenbaar tekort is geschoten en onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld heeft en dat zij aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade die [eiser] dientengevolge heeft geleden en zal lijden en dat [eiser] conform het bepaalde in de polis vrijgesteld wordt van premiebetaling voor de duur van zijn arbeidsongeschiktheid,

met veroordeling van Achmea in de kosten van het geding.

3.2 [eiser] legt aan zijn vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten het navolgende ten grondslag.

Voor het eerst in november 1988 is hij door zijn huisarts doorverwezen naar een psychiater wegens klachten van depressieve aard.

Bij het aangaan van de levensverzekeringsovereenkomst in mei 1988 noch voordien had hij klachten en stond hij evenmin onder medische behandeling.

In het door hem ingevulde aanvraagformulier d.d. 8 november 2000 heeft hij weliswaar aangegeven dat depressies zich bij hem voor het eerst omstreeks 1980 hebben voorgedaan, maar daarbij heeft hij verzuimd te vermelden dat het zich voordoen van depressies vanaf 1980 pas in 1999 door zijn behandelend artsen retrospectief is vastgesteld bij het stellen van de diagnose: bipolaire-II-stoornis.

Voorts heeft hij per vergissing in dat aanvraagformulier vermeld voor het eerst in 1986 een psychiater te hebben geraadpleegd in verband met zijn depressies; hij heeft evenwel pas in november 1988 zijn huisarts, gevolgd door de psychiater, geraadpleegd in verband met zijn depressies.

Bij het invullen van de gezondheidsverklaring in mei 1988 kon hij redelijkerwijs niet weten dat hij aan een bipolaire-II-stoornis leed of zou gaan lijden, hetgeen meebrengt dat hij die verklaring juist heeft ingevuld. Dit laatste geldt eveneens voor de opgave dat zijn vader destijds is overleden door een ongeval.

4 Het verweer

4.1 Achmea concludeert dat de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem die zal ontzeggen, kosten rechtens.

4.2 Achmea voert daartoe onder meer het navolgende aan.

Uit de aanvraag van [eiser] voor vrijstelling van premiebetaling d.d. 8 november 2000 en uit de medische informatie van maart 2001 van de divisie psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum te Utrecht blijkt dat [eiser] sinds in ieder geval 1977 aan ernstige recidiverende depressies lijdt. [eiser] heeft in het aanvraagformulier van 8 november 2000 ook zelf aangegeven dat de depressies, die van enkele tot maximaal zes weken duurden, zich voor het eerst hebben voorgedaan omstreeks 1980.

Achteraf is vastgesteld dat de depressies van [eiser] het gevolg zijn van een bipolaire-II-stoornis.

Uit de medische informatie van maart 2001 blijkt tenslotte voorts dat de vader van [eiser] zichzelf in 1963 van het leven heeft beroofd.

Eerst bij het invullen van het vragenformulier voor vrijstelling premiebetaling d.d. 8 november 2000 is door [eiser] zijn longontsteking in 1973 vermeld.

De hiervoor bedoelde gegevens zijn door [eiser] ten onrechte niet verstrekt bij het in mei 1988 invullen van het aanvraagformulier voor de af te sluiten levensverzekering.

4.3 Uit de medische informatie d.d. 18 februari 2002 en eerst tijdens dit geding bekend geworden informatie van de Engelse huisarts blijkt dat [eiser] in januari 1987 een allergische oogontsteking heeft gehad en in mei 1987 ernstige rugklachten heeft gehad, waarvoor hij door een orthopedisch chirurg is behandeld.

Ook deze informatie is door [eiser] ten onrechte niet verstrekt bij het invullen van het aanvraagformulier in mei 1988 voor de af te sluiten levensverzekering.

5 De beoordeling van het geschil

5.1 Kernpunt van het geschil is of [eiser] bij het invullen van het aanvraagformulier voor de levensverzekering in mei 1988 in sommige opzichten een onjuiste opgave heeft gedaan van feiten, die voor Achmea van belang zijn voor acceptatie van de verzekering. Dat is het geval, zoals blijkt uit het navolgende.

5.2 Het betoog van [eiser] dat hij ten tijde van het afsluiten van de levensverzekering nog geen arts had geconsulteerd in verband met zijn klachten van depressieve aard en hij daarom de vraag "Lijdt of hebt u geleden aan bezwaren van het zenuwgestel, overwerktheid, overspanning, geestelijke aandoeningen, zenuwziekte, toevallen, flauwtes" ontkennend heeft beantwoord, miskent dat voor het beantwoorden van die vraag niet het al dan niet consulteren van een arts maatgevend is maar of de aspirant-verzekeringnemer lijdt of heeft geleden aan de bedoelde bezwaren.

Blijkens het door [eiser] in november 2000 ingevulde aanvraagformulier vrijstelling premiebetaling kreeg hij voor het eerst in 1980 psychische klachten, die zich ook in daaropvolgende jaren een aantal malen voordeden. De omstandigheid dat pas in januari 1999 de diagnose bipolaire-II-stoornis gesteld werd in het Universitair Medisch Centrum te Utrecht en dat de in de loop der daaraan voorafgaande jaren toenemende depressieve klachten het gevolg waren van die stoornis doet aan het bestaan van die depressieve klachten sedert 1980 niet toe of af. Bovendien waren deze depressieve klachten aan [eiser] bekend, aangezien onbekendheid van [eiser] met zijn depressieve periodes van enkele tot zes weken sedert 1980 niet te rijmen valt met de anamnese van de psychiaters, onder wie prof. Dr. Kahn van het Universitair Medisch Centrum te Utrecht van maart 2001 onder meer inhoudende:

"Patiënt heeft vanaf zijn dertigste circa tienmaal een depressieve episode doorgemaakt. Deze episodes duren steeds langer en de periodes tussen de depressieve episodes worden steeds korter. De depressies bestaan uit somberheid, anhedonie, in- en doorslaapstoornissen, verminderde energie, concentratiestoornissen verminderde eetlust, schuldgevoelens en passief, maar soms ook actief suïcidale gedachten".

Deze informatie kan slechts afkomstig zijn van [eiser] zelf en had mitsdien door hem moeten worden verstrekt bij de beantwoording van de vragen in de gezondheidsverklaring van mei 1988.

Van enige onmogelijkheid die informatie te verstrekken is niet gebleken gegeven het feit dat de anamnese van prof. dr. Kahn voorts inhoudt:

"Psychotische fenomenen hebben zich nooit voorgedaan en uitgesproken roekeloos gedrag evenmin.(…) de stemming bij patiënt is normaal en hij heeft een productief leven geleid".

5.3 Uit de familieanamnese van prof. dr. Kahn blijkt dat ook de vader van [eiser] recidiverende depressies heeft gehad, waarvoor deze zowel medicamenteus als tijdens opname is behandeld, en dat deze zich heeft gesuïcideerd.

Ook deze informatie valt niet te rijmen met de beantwoording door [eiser] van de betreffende vraag in de gezondheidsverklaring van mei 1988, dat zijn vader door een ongeval om het leven is gekomen.

Bij conclusie van repliek heeft [eiser] nader aangevoerd dat over de dood van zijn vader -[eiser] was toen 10 jaar- thuis nooit is gesproken, dus ook niet over eventuele suïcide. Niettemin vervolgt hij zijn betoog met de stelling dat zijn vader is overleden ten gevolge van een ongeval en dat in de familie nooit besproken is dat zijn vader dat ongeval zelf bewust zou hebben kunnen veroorzaakt, maar dat dit zeer veel later bij hem -[eiser]- is opgekomen, toen hij zelf in een depressie raakte.

Op grond van het vorenstaande worden de stellingen van [eiser] gepasseerd, aangezien suïcide geen gevolg is van een ongeval, maar van een -als gevolg van een geestesstoornis door de vader van [eiser]- gemaakte keuze.

De beantwoording van de vraag in de gezondheidsverklaring is mitsdien onjuist.

5.4 De vorderingen van [eiser] liggen reeds op grond van hetgeen hiervoor is overwogen voor afwijzing gereed.

Ten overvloede wordt daarbij voorts nog overwogen dat Achmea terecht heeft aangevoerd dat de pas tijdens deze procedure gebleken behandelingen door zijn Engelse huisarts in januari en mei 1987 wegens allergische conjunctivitis en de behandeling wegens rugklachten door een orthopedisch chirurg, door [eiser] ten onrechte niet zijn opgegeven, zulks temeer nu [eiser] in de gezondheidsverklaring van november 1988 heeft gesteld in 1983 een herniaoperatie te hebben ondergaan, maar sindsdien geen klachten meer te hebben gehad.

5.5 [eiser] zal als in het ongelijk te stellen partij worden belast met de kosten van het geding.

De beslissing

De rechtbank, rechtdoende,

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van Achmea gevallen en tot heden begroot op t193,67 wegens griffierecht en op t 1542,- wegens salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.C. de Visser, M.C.J. Heessels en G.W. Brands-Bottema en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2002.

Vi/He/GB