Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE5866

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-07-2002
Datum publicatie
26-07-2002
Zaaknummer
02/880 en 02/956 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. Tijdstip waarop aan parkeernorm art. 2.5.30.1 bouwverordening moet zijn voldaan.

2. Voorwaarde verbonden aan bouwvergunning mag slechts betrekking hebben op de bouwtechnische toetsing van het bouwplan.

1. De tekst van art. 2.5.30.1 bouwverordening geeft geen uitsluitsel met betrekking tot de vraag vanaf welk tijdstip aan de parkeernorm moet zijn voldaan. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat voldoende aannemelijk moet zijn dat de benodigde parkeerplaatsen uiterlijk ten tijde van de ingebruikneming van de kantoortoren (Red: het bestreden bouwplan) beschikbaar zullen zijn. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het stellen van de eis dat, nu ten tijde van de bouwvergunningverlening nog niet aan de parkeernorm werd voldaan, het bouwplan voor de kantoortoren zelf diende te voorzien in de realisering van de benodigde parkeerplaatsen.

2. Uit de wetsgeschiedenis van art. 56.3 Woningwet is af te leiden dat een voorwaarde geen betrekking zal kunnen hebben op de planologische en welstandstoetsing van een bouwplan, doch zich slechts zal kunnen uitstrekken tot de bouwtechnische toetsing van dat plan. Nu de genoemde voorwaarde geen betrekking heeft op die bouwtechnische toetsing heeft verweerder deze niet in het bestreden besluit mogen opnemen.

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.

mr. L.J.P. Lambooij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/3625

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Reg.nrs.: 02/880 en 02/956 WRO

UITSPRAAK

op het verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen:

[eiser] en 16 anderen, allen wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder,

alsmede de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Rijksgebouwendienst, directie-oost), verzoeker/derde-partij, hierna: derde-partij.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 24 mei 2002, met kenmerk VRB/326656/5049.

2. Feiten en procesverloop

Bij besluit van 21 september 2001 heeft verweerder aan de derde-partij vergunning verleend voor het bouwen van een kantoortoren met een hoogte van 60 meter (toren H) op het perceel, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie G, nummer 4931 (ged.), plaatselijk bekend [adres]laan (terrein Walterbos-complex).

Het voorliggende bouwplan is onderdeel van een integraal herhuisvestingsplan van de Belastingdienst. Het Walterbos-complex zal met name worden gebruikt voor de huisvesting van het Belastingdienst Automatiseringscentrum.

Bij uitspraak van 14 januari 2002 (reg.nr.: 01/1399) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het besluit van 21 september 2001 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst.

Bij besluit van 23 mei 2002 heeft verweerder aan de derde-partij vergunning verleend voor het bouwen van een - deels ondergrondse - parkeergarage op het genoemde perceel.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het tegen de vergunning voor het bouwen van de kantoortoren gerichte bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard, doch de verleende bouwvergunning in stand gelaten.

Bij brief van 29 mei 2002 heeft de derde-partij op grond van artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om opheffing van de hiervoor genoemde voorlopige voorziening.

Mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Arnhem, heeft bij brief van 27 juni 2002 namens eisers beroep ingesteld bij de rechtbank op de in het beroepschrift vermelde gronden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 juni 2002. Namens eisers is mr. Berenschot voornoemd verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J.M. Oenema en G.L. ter Brugge, ambtenaren der gemeente. Namens de derde-partij zijn mr. W.J.A. Vellekoop, drs. A.H. Vermeulen en ir. J.T.M. Brinkhuis verschenen.

3. Motivering

Ingevolge artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen.

Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om opheffing van een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:87, tweede lid, juncto 8:86, eerste lid, van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

Artikel 44 van de Woningwet - voor zover hier van belang - luidt: De bouwvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien:

a. (…);

b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening (…);

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. (…);

e. (…).

De bij het bouwplan betrokken gronden liggen in het gebied, waar het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in Onderdelen Sprengenbos, herziening 1962" geldt. De in geding zijnde gronden hebben blijkens de bij dit bestemmingsplan behorende plankaart de bestemming "bijzondere bebouwing XID".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften, mogen op als zodanig aangewezen gronden (onder meer) overheidsgebouwen worden gebouwd.

Op grond van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders eisen stellen ten aanzien van de uitwendige vorm van de plattegrond, de plaats, de onderlinge afstand en de goothoogte van de te stichten gebouwen.

In de bij het bestemmingsplan behorende toelichting is ten aanzien van de in geding zijnde gronden vermeld dat het aangeven van de stedenbouwkundige vormgeving is nagelaten, omdat het aantal en het programma van eventueel te stichten rijkskantoorgebouwen nog niet bekend is.

Vast staat dat het bouwplan in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder daarbij met name gelet op de aan de bouwvergunning gehechte notitie van 16 juni 2001 in redelijkheid af kunnen zien van het stellen van eisen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de voorschriften.

De gronden van het onderhavige beroep hebben blijkens het namens eisers ingediende beroepschrift uitsluitend betrekking op de vraag of het bestreden besluit wegens strijd met artikel 2.5.30, eerste lid, van de in verweerders gemeente geldende Bouwverordening 1996 dient te worden vernietigd. In dit verband is namens eisers - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de tekst van genoemd artikel impliceert dat het bouwwerk waarop de aanvraag ziet, zelf moet voorzien in de benodigde parkeerruimte, dan wel dat de parkeerruimte reeds moet zijn gerealiseerd voordat de bouwvergunning wordt afgegeven, dat een en ander niet kan en mag worden ondervangen door het stellen van voorwaarden, en tenslotte dat het allerminst zeker is dat aan de vereiste parkeernorm zal worden voldaan, omdat de bouwvergunning voor de parkeergarage naar alle waarschijnlijkheid geen stand zal houden, nu de parkeergarage niet als hoofdgebouw, maar als bijgebouw, dan wel als uit- of aanbouw, moet worden aangemerkt en die bouwvergunning bovendien geen bouwverplichting aan de derde-partij oplegt.

Aan de considerans van de vergunning voor de bouw van de kantoortoren zijn bij het thans bestreden besluit de overwegingen toegevoegd dat indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort (artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening), alsmede dat blijkens mededeling van de aanvrager de parkeerruimte zal worden gerealiseerd overeenkomstig de vergunning van 23 mei 2002 (nummer 1254/2002) voor een nog te bouwen parkeergarage.

Bij het bestreden besluit is voorts aan de bouwvergunning de voorwaarde verbonden dat gelet op de Parkeernota er tenminste 886 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd om te voldoen aan het gestelde in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening 1996. De in het besluit in primo opgenomen voorwaarde dat de te bouwen kantoortoren eerst in gebruik mag worden genomen nadat een nog te bouwen parkeergarage volgens de bij dit besluit overgelegde gegevens daadwerkelijk is gerealiseerd en in gebruik is genomen, is met het thans bestreden besluit komen te vervallen.

Niet in geschil is dat het in totaal realiseren van tenminste 886 parkeerplaatsen op het terrein van het Walterbos-complex op zich toereikend is om te voldoen aan het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Evenmin is in geschil dat, indien aangenomen moet worden dat de parkeergarage met 488 parkeerplaatsen daadwerkelijk wordt gerealiseerd, per saldo sprake zal zijn van 976 parkeerplaatsen op het terrein, waarmee ruimschoots aan de genoemde parkeernorm wordt voldaan.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, anders dan eisers kennelijk menen, de tekst van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening geen uitsluitsel geeft met betrekking tot de vraag vanaf welk tijdstip aan de parkeernorm moet zijn voldaan. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter met zich dat voldoende aannemelijk moet zijn dat de benodigde parkeerplaatsen uiterlijk ten tijde van de ingebruikneming van de kantoortoren beschikbaar zullen zijn. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het stellen van de eis dat, nu ten tijde van de bouwvergunningverlening nog niet aan de parkeernorm werd voldaan, het bouwplan voor de kantoortoren zelf diende te voorzien in de realisering van de benodigde parkeerplaatsen.

Zoals hiervoor in rubriek 2 is aangegeven, was de bouwvergunning voor de parkeergarage ten tijde van de beslissing op bezwaar inmiddels verleend. Met betrekking tot de stelling van eisers dat de bouwvergunning voor de parkeergarage niet in stand kan blijven, wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften dienen onder bijgebouwen te worden verstaan: vrijstaande gebouwen, die een eenheid vormen met en dienstbaar (ondergeschikt) zijn aan een hoofdgebouw, zoals garages, bergruimten en dergelijke.

Ingevolge genoemd artikellid dient onder een uit- of aanbouw te worden verstaan: de aan de achtergevel van een hoofdgebouw vastgebouwde aangehorigheid, geen balkon zijnde, welke niet breder is dan de helft van de lengte van de achtergevel van het hoofdgebouw.

Bijgebouwen, welke door een tussenbouw of dergelijke met het hoofdgebouw zijn verbonden, worden als uit- of aanbouw beschouwd.

Uit het verhandelde ter zitting en de aansluitend daaraan door verweerder overgelegde (gedeelten van de) bouwtekening van de parkeergarage, is gebleken dat de parkeergarage deels onder en inpandig in de kantoortoren zal worden gerealiseerd en dat de kantoortoren rechtstreeks vanuit de parkeergarage toegankelijk is. Gelet hierop kan niet worden gesproken van een bijgebouw, dan wel een uit- of aanbouw in vorenbedoelde zin en moet worden geoordeeld dat verweerder de parkeergarage terecht als uitbreiding van het hoofdgebouw heeft aangemerkt.

Ook overigens heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de bouwvergunning voor de parkeergarage in rechte geen stand zal kunnen houden.

Mede gezien de bij het bestreden besluit aan de considerans van de thans ter beoordeling staande bouwvergunning toegevoegde mededeling van de derde-partij dat de parkeerruimte zal worden gerealiseerd overeenkomstig de voor de parkeergarage verleende bouwvergunning, heeft de voorzieningenrechter evenmin aanleiding gevonden om te betwijfelen dat de parkeergarage daadwerkelijk zal worden gerealiseerd en uiterlijk tegelijkertijd met de ingebruikneming van de kantoortoren in gebruik zal worden genomen.

Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden gezegd dat ten tijde van de beslissing op bezwaar voldoende aannemelijk was dat de benodigde parkeerplaatsen uiterlijk ten tijde van de ingebruikneming van de kantoortoren beschikbaar zullen zijn, zodat in het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening geen reden meer was gelegen voor weigering van de bouwvergunning.

Nu ook anderszins niet is gebleken dat zich een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet voordoet, moet worden geoordeeld dat de voor de bouw van de kantoortoren verleende bouwvergunning terecht bij het thans bestreden besluit in stand is gelaten.

De stelling van eisers dat verweerder aan het bestreden besluit niet de hiervoor genoemde voorwaarde met betrekking tot de te realiseren parkeerplaatsen heeft mogen verbinden, geeft de voorzieningenrechter aanleiding het volgende op te merken.

Ingevolge artikel 56, derde lid, van de Woningwet mogen aan een bouwvergunning slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen strekken, krachtens welke de bouwvergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling en met name de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken I 20066, nr. 66c, p. 19) is af te leiden dat een voorwaarde geen betrekking zal kunnen hebben op de planologische en welstandstoetsing van een bouwplan, doch zich slechts zal kunnen uitstrekken tot de bouwtechnische toetsing van dat plan. Nu niet gezegd kan worden dat de genoemde voorwaarde betrekking heeft op de bouwtechnische toetsing van het bouwplan, is de voorzieningenrechter met eisers van oordeel dat verweerder de betreffende voorwaarde niet in het bestreden besluit heeft mogen opnemen, zodat het bestreden besluit in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

De voorzieningenrechter heeft tenslotte, mede gelet op verweerders brief van 5 april 2002, waarbij aan de derde-partij is meegedeeld dat de inrichting van het Walterbos-complex met ingang van 1 december 2001 valt onder de werking van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, geen grond gevonden voor het oordeel dat ten tijde van het thans bestreden besluit (nog) een aanhoudingsplicht ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet gold.

Uit het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, onder c, van de Awb vloeit voort dat de op 14 januari 2002 getroffen voorlopige voorziening vervalt, zodra de uitspraak in de hoofdzaak is gedaan, tenzij bij die uitspraak een later tijdstip wordt bepaald. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om te bepalen dat de voorlopige voorziening op een later tijdstip dan het tijdstip van deze uitspraak vervalt. Het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening zal, nu het belang daarbij is komen te vervallen, worden afgewezen.

In het vorenoverwogene wordt aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daaraan de voorwaarde is verbonden dat gelet op de Parkeernota er tenminste 886 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd om te voldoen aan het gestelde in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening 1996;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 644,-- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Apeldoorn;

- gelast dat de gemeente Apeldoorn het betaalde griffierecht van € 109,-- aan eisers vergoedt;

- wijst het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening af.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift verzonden op: