Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2002:AE5125

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
45508 FARK 2002/355
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Tweede enkelvoudige kamer

Beschikking: 4 juli 2002

Zaaknummer: 45508 FARK 2002/355

Beschikking in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, hierna te noemen de man,

procureur: mr. L. Hartogs,

e n

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, hierna te noemen de vrouw,

procureur: mr. R. de Lange.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen op 13 februari 2002;

- het exploit van betekening van 21 februari 2002;

- het herstel exploit van betekening van 8 maart 2002;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 10 april 2002;

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, ingekomen op 8 mei 2002;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 16 mei 2002;

- de brieven met bijlagen van mr. De Lange van 4 en 5 juni 2002;

- de brief met bijlagen van mr. Hartogs van 5 juni 2002;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 19 juni 2002.

De vaststaande feiten

De vrouw en de man, die de Nederlandse nationaliteit bezitten, zijn op 22 juli 1994 te [Z] onder het maken van huwelijksvoorwaarden met elkaar gehuwd.

Het verzoek

De man verzoekt dat de rechtbank bij beschikking tussen partijen de echtscheiding zal uitspreken, kosten rechtens.

Hij stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- tussen partijen de echtscheiding zal uitspreken;

- zal bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 3.500,-- per maand;

- zal bepalen dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] 5a te [woonplaats] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking voort te zetten.

Zij stelt dat zij behoefte heeft aan en dat de man voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage en dat zij belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning, nu zij de mogelijkheden wil bekijken om de echtelijke woning over te nemen.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

De man verzoekt de rechtbank de zelfstandige verzoeken van de vrouw omtrent het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af te wijzen en de door hem te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te stellen op een bedrag van € 2.000,-- per maand, zulks echter voor een periode van twee jaar ingaande de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Hij betwist dat de vrouw behoefte heeft aan de door haar verzochte bijdrage. Hij is in staat en bereid om de door hem aangeboden bijdrage te voldoen.

Voorts is hij van mening dat de vrouw geen groter belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning dan dat hij dat heeft.

De beoordeling

Nu de vrouw niet betwist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

Partijen zijn verdeeld over het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Ter zitting is gebleken dat de vrouw voornemens is om de echtelijke woning over te nemen, maar dat partijen verdeeld zijn over de waarde van de woning en over de verrekening van de overwaarde daarvan. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw een periode moet worden gegund om te kunnen bezien welke mogelijkheden zij heeft om de woning over te nemen. De rechtbank acht het belang van de vrouw bij het voortgezet gebruik van de woning daarom groter dan dat van de man. Dit geldt temeer nu de man hiertoe zelf geen verzoek heeft gedaan en hij overigens zijn bezwaren om het voortgezet gebruik aan de vrouw toe te wijzen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dan wel anderszins heeft onderbouwd.

Wel acht de rechtbank termen aanwezig om, gezien het feit dat partijen al geruime tijd gescheiden leven, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning in duur te beperken tot drie maanden.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toe te wijzen als hierna te melden, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw, vanaf het moment dat de echtscheiding is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand, zelf de hypothecaire lasten verbonden aan de echtelijke woning voor haar rekening neemt, zonder verrekening daarvan bij de afrekening van de waarde van de woning.

Partijen zijn voorts verdeeld over de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Zij is thans 34 jaar oud en bijna acht jaar gehuwd met de man, van welke acht jaar partijen inmiddels één jaar en drie maanden gescheiden leven. Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren.

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat, hoewel zij op papier slechts voor 16 uur per week actief is in haar dansstudio en voor 1 uur per week als aerobicinstructrice, zij, net zoals ten tijde van het huwelijk van partijen, een volledige werkweek heeft, nu zij naast het geven van voormelde lessen ook zelf de boekhouding, de administratie en de acquisitie voor haar bedrijf verzorgt. Dit vertaalt zich echter niet in haar inkomen. Blijkens de door haar overgelegde bescheiden bedroeg haar inkomen in 2001 circa € 7.629,-- bruto per jaar. Wat hiervan ook zij, de rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een dusdanig gewijzigde situatie dat thans van de vrouw, gezien haar leeftijd en ervaring, mag worden verlangd en verwacht dat zij er alles aan doet om een (fulltime) baan te vinden waarmee zij in haar eigen levens-onderhoud kan voorzien. Dit geldt temeer nu zij geen minderjarige kinderen heeft te verzorgen en bovendien niet is gebleken van omstandigheden waaruit zou moeten worden afgeleid dat zij niet in staat is om volledig aan het arbeidsproces deel te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vrouw, al dan niet middels haar eigen dansstudio, in staat moet worden geacht zichzelf een inkomen te verwerven van tenminste € 1.650,-- bruto per maand, inclusief vakantiegeld.

Bij de bepaling van de behoefte van de vrouw dient te worden uitgegaan van de welstand tijdens de laatste jaren van het huwelijk. Het gezamenlijke bruto maandinkomen van partijen bedroeg toen, rekening houdende met het voorgaande alsmede met de inkomsten van de man van € 94.367,23 (¦ 207.958,--) bruto per jaar, (afgerond) circa € 100.000,-- bruto per jaar. Voormelde inkomsten dienen te worden verminderd met de hypothecaire woonlasten van partijen van (afgerond) circa € 15.500,-- bruto per jaar.

Zoals hiervoor overwogen is de vrouw voornemens om de echtelijke woning over te nemen. Onduidelijk is echter op dit moment voor welk bedrag zij de man zal dienen uit te kopen en wat haar nieuwe woonlast zal zijn. Alle omstandigheden in aanmerking nemende, waarbij de rechtbank onder meer rekening houdt met haar inkomsten en lasten, stelt de rechtbank de nieuwe woonlast van de vrouw in redelijkheid op een bedrag van € 1.000,--per maand.

Met in achtneming van het vorenstaande becijfert de rechtbank de totale behoefte van de vrouw op een bedrag van € 4.500,-- bruto per maand. Gezien de hiervoor overwogen verdiencapaciteit van de vrouw heeft zij daarom vooralsnog behoefte aan een bijdrage van de man van € 2.850,-- per maand. Het is redelijk dat de man naar draagkracht in deze huwelijksgebonden behoefte voorziet.

Uit de door de man overgelegde draagkrachtberekening, welke door de vrouw niet is betwist, blijkt dat hij voldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de hiervoor berekende behoefte van de vrouw van € 2.850,-- bruto per maand. De rechtbank zal dan ook beslissen als hierna te melden.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor terzake de behoefte van de vrouw is overwogen,

is de rechtbank van oordeel dat niet dan wel onvoldoende aannemelijk is geworden dat de verdiencapaciteit van de vrouw door het huwelijk negatief beïnvloed is. Dit geldt temeer nu de vrouw zelf onweersproken heeft gesteld dat zij gedurende het huwelijk altijd fulltime heeft gewerkt. Gelet op haar leeftijd, haar verdiencapaciteit, de duur van het huwelijk en de hierboven genoemde financiële omstandigheden van partijen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank het dan ook redelijk de door de man te betalen bijdrage voor de vrouw in duur te beperken. Om de vrouw geleidelijk te laten wennen aan de gewijzigde situatie ziet de rechtbank aanleiding om de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw af te bouwen over een periode van zes en een half jaar, zijnde de duur van het huwelijk vermindert met de tijd waarin zij feitelijk al gescheiden leven. Zou de vrouw na die periode toch nog behoefte hebben dan is dat naar het oordeel van de rechtbank geen huwelijksgebonden behoefte en is het niet redelijk dat de man daarin voorziet.

Gezien het afbouwende karakter van de hierna nader vast te stellen onderhoudsbijdrage, ziet de rechtbank aanleiding om de wettelijke indexering voor de gehele duur van de onderhoudsverplichting uit te sluiten.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank als volgt beslissen.

Omdat de man en de vrouw elkaars gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank de kosten als volgt compenseren.

De beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen op 22 juli 1994 te Kaapstad (Zuid Afrika) met elkaar gehuwd;

bepaalt dat de man, vanaf de dag waarop de beschikking voorzover daarbij de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de desbetreffende registers van de Burgerlijke Stand, aan de vrouw voor levensonderhoud zal betalen de som van € 2.850,-- (tweeduizend achthonderdvijftig euro) per maand voor de duur van één jaar en vervolgens ingaande het:

- tweede jaar na inschrijving van opgemelde echtscheiding € 2.500,-- (tweeduizend vijfhonderd euro) per maand;

- derde jaar na inschrijving van opgemelde echtscheiding € 2.000,-- (tweeduizend euro) per maand;

- vierde jaar na inschrijving van opgemelde echtscheiding € 1.500,-- (éénduizend vijfhonderd euro) per maand;

- vijfde jaar na inschrijving van opgemelde echtscheiding € 1.000,-- (éénduizend euro) per maand;

- zesde jaar na inschrijving van opgemelde echtscheiding € 500,-- (vijfhonderd euro) per maand en

- zevende jaar na inschrijving van opgemelde echtscheiding voor de duur van één half jaar € 250,-- (tweehonderdvijftig euro) per maand,

telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

sluit ten aanzien van voormelde bedragen de wettelijke indexering uit;

bepaalt dat de verplichting van de man tot betaling van een bijdrage in de kosten van het

levensonderhoud van de vrouw eindigt zes en een half jaar nadat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand;

bepaalt dat de vrouw, als deze op het ogenblik van de inschrijving van de beschikking voorzover daarbij de echtscheiding is uitgesproken de echtelijke woning aan de Oude [adres] 5a te [woonplaats] bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende drie maanden na de inschrijving van deze beschikking voorzover daarbij de echtscheiding is uitgesproken voort te zetten;

verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing omtrent de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit geding aldus dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.H. van Staveren en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2002, in tegenwoordigheid van de griffier.

conc.: SvE

coll.: